Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB9883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
99/3143 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3143 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnsburg, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden (met bijlagen) hoger beroep ingesteld tegen de op 10 mei 1999, onder nr. AWB 97/12396 AW, door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter zitting van 7 juni 2001 ter behandeling aan de orde gesteld. Aldaar zijn partijen met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. In 1996 is een reorganisatie in gedaagdes gemeente in gang gezet, waarop het Sociaal Kader Reorganisatie 1995-1999 gemeente Rijnsburg (hierna: SKR) van toepassing was. Appellant is daarbij als een zogenoemde herplaatser aangemerkt en hem is vervolgens bij brief van 24 januari 1997 het voorgenomen besluit van 24 december 1996 meegedeeld, inhoudend de voorgenomen herplaatsing in de functie met codenaam VROM/EZ5. Bij besluit van 12 maart 1997 is - na bezwaar - appellant alsnog als zogenoemde plaatser voor de inmiddels gewijzigde functie VROM/EZ5 aangemerkt. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de in laatstgenoemd besluit vermelde mogelijkheid om binnen zes weken bij de rechtbank beroep in te stellen.

1.2. Op 30 juni 1997 heeft appellant tegen de in de brief van 24 januari 1997 opgenomen voorgenomen herplaatsing in de functie met codenaam VROM/EZ5 bezwaar gemaakt op grond van artikel 10 van het SKR, bij de in artikel 18 van het SKR genoemde bezwarencommissie SKR, welke mogelijkheid was vermeld in de brief van 24 januari 1997. Bij het bestreden besluit van 26 september 1997 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder vermelding van de mogelijkheid om hiertegen binnen zes weken bij de rechtbank beroep in te stellen. Van de zijde van gedaagde is appellant in oktober 1997 kenbaar gemaakt dat deze beroepsclausule onjuist was en dat tegen het besluit van 26 september 1997 bij gedaagde bezwaar kon worden gemaakt.

1.3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit van 26 september 1997 op 17 oktober 1997 bij gedaagde bezwaar gemaakt en tevens op 6 november 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld. De griffier van de rechtbank heeft appellant doen weten dat zijn beroep zal worden aangehouden totdat gedaagde op het bezwaar zal hebben beslist, dat een eventueel beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar zal worden meegenomen bij het reeds ingediende beroep en dat appellant in dat geval niet opnieuw griffierecht hoeft te betalen.

Bij besluit van 12 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 26 september 1997 wegens het niet tijdig indienen van de gronden, waarop het bezwaar berust, met toepassing van artikel 6:6 juncto artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit, waaronder een beroepsclausule was opgenomen, heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overeenstemming met gedaagdes zienswijze geoordeeld dat ingevolge het systeem van het SKR het besluit van 26 september 1997 niet als een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:4 van de Awb kan worden aangemerkt en dat het door appellant ingediende beroepschrift als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift aan gedaagde zal worden doorgezonden. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en bepaald dat de gemeente Rijnsburg het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

2.1. Appellants hoger beroep is gericht tegen de onbevoegdverklaring door de rechtbank. Appellant is van mening dat de rechtbank een inhoudelijk oordeel had dienen te geven over het geschil en ziet niet in dat gedaagde eerst nog een besluit op bezwaar dient te nemen.

3. De Raad overweegt het navolgende.

3.1. De Raad stelt voorop dat appellant op 30 juni 1997 uitdrukkelijk niet heeft beoogd in het geweer te komen tegen het besluit van 12 maart 1997, waarbij hij als plaatser in de functie met codenaam VROM/EZ5 is aangemerkt, maar tegen het bij brief van 24 januari 1997 uitgesproken voornemen om hem, indien hij daartegen geen bezwaren had, definitief te herplaatsen in de functie met codenaam VROM/EZ5. Dat voornemen was geuit ter uitvoering van het indertijd genomen besluit om appellant als herplaatser aan te merken. De Raad merkt hierbij op dat artikel 10 van het SKR weliswaar spreekt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een herplaatsingsfunctie, maar de gemeentelijke regelgever heeft daarbij kennelijk, zoals ook de rechtbank heeft geconcludeerd, het oog gehad op het maken van bedenkingen tegen een voorgenomen besluit.

3.2. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het naar aanleiding van appellants brief van 30 juni 1997 genomen besluit van 26 september 1997 heeft te gelden als een primair besluit, waartegen eerst bezwaar op grond van hoofdstuk 7 van de Awb moest worden gemaakt, alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. Dit betekent dat de rechtbank terecht niet is overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het door appellant tegen het besluit van 26 september 1997 ingestelde beroep. Hoewel de Raad in zodanig geval de voorkeur geeft aan een niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep, in plaats van de door de rechtbank uitgesproken onbevoegdverklaring, ziet de Raad daarin geen aanleiding over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.3. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen aanleiding te zien het beroepschrift tegen het besluit van 26 september 1997 ter behandeling als bezwaarschrift aan gedaagde door te zenden. Zoals hiervoor onder 1.3. is vermeld had appellant tegen het besluit van 26 september 1997 reeds een bezwaarschrift ingediend bij gedaagde. Daarop is beslist bij besluit van 12 februari 1999, waartegen appellant, ondanks de in dat besluit vermelde beroepsclausule, geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Gelet op die omstandigheden is gedaagde niet gerechtigd nogmaals te beslissen omtrent een bezwaar tegen het besluit van 26 september 1997, zodat deze beslissing van de rechtbank tot doorzending dient te worden vernietigd.

3.4. Aangezien de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, zoals hiervoor onder 3.3. is aangegeven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige;

Bepaalt dat de gemeente Rijnsburg appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van f 340,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

HD

13.07