Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB3335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
09-08-2001
Zaaknummer
98/4024 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/4024 ABP

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.] (België), appellant,

en

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 8 mei 1998, nummer AWB 97/9122 ABP, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 mei 2001. Aldaar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. K. ten Broek, regiojuriste bij de ABVAKABO, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij wet van 21 december 1995, Stb. 639, met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.

Ook in hoger beroep staat ter beantwoording de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 20 juni 1997 terecht en op goede gronden ervan is uitgegaan dat de door appellant (geboren in 1964) in de periode van 1 augustus 1987 tot 1 september 1989 vervulde ambtelijke diensttijd vanwege de toen in (artikel D 1, derde lid, van) de Wet opgenomen leeftijdsgrens van 25 jaar niet meetelt voor pensioen ingevolge de Wet.

Appellant meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en heeft daartoe aangevoerd dat in dezen sprake is van leeftijdsdiscriminatie die ingevolge artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) is verboden.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad genoemde vraag echter bevestigend. De Raad kan de terzake door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.

In het bijzonder acht ook de Raad voor de invoering (in 1986) van genoemde leeftijdsgrens redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden gelegen in het daartoe blijkens de wetsgeschiedenis gegolden hebbende oogmerk om de collectieve lasten terug te dringen. Daarbij is een zwaarwegende factor dat deze restrictie past binnen een, ook voor de Wet geldende, pensioensystematiek waarbij de gebruikelijke pensionerings-leeftijd 65 jaar is en een redelijk geacht pensioen in 40 dienstjaren wordt opgebouwd. Blijkens de gedingstukken wordt deze restrictie ook nu nog in vele pensioenregelingen gehanteerd.

De omstandigheid dat de onderhavige leeftijdsgrens in de Wet ingaande 1 mei 1994 werd afgeschaft maakt het voorgaande niet anders.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

HD

21.05