Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB3259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
09-08-2001
Zaaknummer
00/3918 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3918 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 2 oktober 1998 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 december 1998 ingetrokken omdat gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum was afgenomen naar minder dan 15%.

De toenmalige gemachtigde van gedaagde heeft bij brief van 10 november 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 februari 1999 heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 juni 2000 het beroep van gedaagde tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt, onder veroordeling van appellant tot betaling aan de griffier van de proceskosten van gedaagde en vergoeding aan gedaagde van het door hem betaalde griffierecht.

Appellant heeft tegen deze uitspraak bij beroepschrift van 1 augustus 2000 op daarin aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 augustus 2000 heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2001, waar namens appellant is verschenen mr. E. van Hilten, medewerkster van Gak Nederland B.V., en waar voor gedaagde zijn gemachtigde is verschenen.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

In het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 oktober 1998 - door appellant ten onrecht vermeld als te zijn gedateerd 23 september 1998 - is namens gedaagde onder meer gesteld dat hij zich niet met deze beslissing kan verenigen, dat hij van mening is dat het verlies aan restverdiencapaciteit hoger is dan 10% en dat hij na ontvangst van de stukken de gronden van het bezwaar zal indienen.

Bij brief van 1 december 1998 en - na verleend uitstel - andermaal bij brief van 29 december 1998 heeft appellant de toenmalige gemachtigde van gedaagde verzocht binnen 4 weken na dagtekening van deze brieven de gronden van het bezwaar in te dienen. Voorts heeft appellant in deze brieven medegedeeld dat bij gebreke hiervan het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Nadat de toenmalige gemachtigde zich bij brief van 25 januari 1999 als zodanig had teruggetrokken, heeft appellant, afgaande op het bestreden besluit, gedaagde zelf bij brief van 27 januari 1999 nogmaals in de gelegenheid gesteld, zij het met een termijnstelling van 3 weken, de gronden van het bezwaar in te dienen. Hierop is van de zijde van gedaagde geen reactie gevolgd, hetgeen appellant heeft gebracht tot het nemen van het bestreden besluit.

In beroep hield partijen verdeeld de vraag of het bezwaarschrift van gedaagde voldoende is gemotiveerd. Gedaagde meende dat zulks het geval was, terwijl volgens appellant daarvan geen sprake was omdat gedaagde had aangegeven na ontvangst van de stukken de gronden van het bezwaar in te zullen dienen. Ter zake heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:

" Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bevat een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de bij het bezwaarschrift aangevoerde stelling van eiser dat het verlies aan restverdiencapaciteit hoger is dan 10% te worden aangemerkt als een bezwaargrond. Hoewel het bezwaar summier is verwoord, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet aangegeven waarom eiser het met het aangevochten besluit niet eens is. Hieraan doet niet af dat eiser in deze brief tevens heeft vermeld dat hij na ontvangst van de stukken de gronden van het bezwaar zal indienen. Eiser heeft derhalve voldaan aan artikel 6:5, onder d, van de Awb. Derhalve was verweerder niet bevoegd het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet ontvankelijk te verklaren wegens het niet voldoen aan artikel 6:5, onder d. "

In hoger beroep hebben partijen in essentie hun in eerste aanleg verwoorde standpunten gehandhaafd. Van de zijde van appellant is daaraan ter zitting nog toegevoegd dat het bezwaarschrift onvoldoende concreet was, terwijl de gemachtigde van gedaagde subsidiair onderscheidenlijk meer subsidiair nog heeft gesteld dat appellant het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat ingeval van een gebrekkige motivering van het bezwaar het op het bezwaar beslissend bestuurorgaan niet is gebonden aan het in het bezwaarschrift gestelde onderscheidenlijk omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 6:6 van de Awb vervatte discretionaire bevoegdheid.

Uit de jurisprudentie komt naar voren dat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mede dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid , aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten, Anders dan in de aangevallen uitspraak tot uitdrukking is gebracht, is de Raad van oordeel dat in dit geval het bezwaarschrift een concrete bezwaargrond ontbeert. Uit de enkele weergave van gedaagdes mening dat het verlies aan resterende verdiencapaciteit hoger is dan 10%, valt immers niet af te leiden op welke - al dan niet summier verwoorde - grond gedaagde zulks van mening is en zich derhalve niet kan verenigen met het besluit van 2 oktober 1998. Het bezwaarschrift van gedaagde voldeed dan ook niet aan het even bedoelde wettelijk vereiste.

Op grond van het vorenstaande en in aanmerking genomen het feit dat gedaagde ook niet, na daartoe door appellant binnen een aan gedaagde gestelde termijn in de gelegenheid te zijn gesteld, alsnog de gronden van zijn bezwaar heeft ingediend, is de Raad van oordeel dat appellant bevoegd was met toepassing van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

Aan het gebruik maken van die bevoegdheid staat naar het oordeel van de Raad niet in de weg hetgeen de gemachtigde van gedaagde ter zitting subsidiair heeft aangevoerd. De in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb voorgeschreven heroverweging van het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, op de grondslag van dat bezwaar vindt immers alleen plaats indien het bezwaar ontvankelijk is.

Nu van de zijde van gedaagde geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld, dat appellant zou moeten afzien van gebruikmaking van de hem in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid - het enkele feit dat ook het besluit van 2 oktober 1998 summier is gemotiveerd, acht de Raad daartoe onvoldoende -, komt de Raad - anders dan de gemachtigde van gedaagde ter zitting meer subsidiair heeft betoogd - niet tot de slotsom dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten bij het bestreden besluit gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, hetgeen medebrengt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad tenslotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

BZB