Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB3120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
10-09-2001
Zaaknummer
99/2589 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omstandigheid dat appellant gedaagde heeft laten doorfunctioneren, terwijl hij wist van het strafrechtelijk onderzoek, is geen aanleiding om te volstaan met een minder zware sanctie.

Strafontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

Raad: Gedaagde heeft meegewerkt aan het ten onrechte ontvangen van een bijstandsuitkering door zijn voormalig echtgenote. Hierdoor heeft hij de integriteit en de betrouwbaarheid als penitentiar inrichtingswerker ondermijnd.

In dit verband ziet de Raad anders dan de rechtbank in de omstandigheid dat appellant gedaagde heeft laten doorfunctioneren, terwijl hij ervan op de hoogte was dat gedaagdes gedrag onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat met een minder zware sanctie had moeten worden volstaan. De Raad merkt hierbij op dat er van de zijde van appellant met nadruk op is gewezen dat hij voordat hij kennisnam van het strafdossier niet volledig op de hoogte was van de jegens gedaagde gerezen verdenking en dat hij het - mede gezien diens pertinente ontkenning schuldig te zijn aan een strafbaar feit en de omstandigheid dat nog geen ruchtbaarheid was gegeven aan de kwestie - bij voorbaat niet moeilijk zoniet onmogelijk voor gedaagde wilde maken om zijn functie weer op te pakken in geval de verdenking ongefundeerd zou blijken te zijn geweest.

Aangevallen uitspraak vernietigd.

De Minister van Justitie, appellant.

mrs. H.A.A.G. Vermeulen, T. Hoogenboom, C.P.J. Goorden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2589 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Justitie, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 28 april 1999, nr. AWB 98/4759, gepubliceerd in TAR 1999, 110, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2001, waar namens appellant zijn verschenen J. van den Berg en H.A. Schoon, werkzaam bij het ministerie van Justitie. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. Hovius, advocaat te Zwolle.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Gedaagde vervulde ten tijde hier van belang de functie van penitentiair inrichtingswerker bij de ([X.]). Op 12 maart 1997 is hij aangehouden door de sociale recherche op verdenking van medeplichtigheid aan bijstandsfraude. Nadat appellant in het kader van het strafrechtelijk onderzoek is benaderd om gegevens te verstrekken met betrekking tot de inkomenspositie van gedaagde heeft op 17 maart 1997 een gesprek plaatsgevonden tussen de plaatsvervangend algemeen-directeur van de [X.] en gedaagde over de jegens gedaagde gerezen verdenking. Vervolgens heeft appellant op 7 november 1997 inzage in het strafdossier gekregen. Blijkens dit dossier heeft gedaagde in de periode van september 1995 tot en met de datum van aanhouding een gezamenlijke huishouding gevoerd met zijn voormalig echtgenote waarvan geen mededeling is gedaan aan de gemeentelijke sociale dienst. Als gevolg hiervan zijn in die periode ten onrechte bijstandsuitkeringen gedaan aan de voormalig echtgenote van gedaagde. Het door gedaagde en zijn voormalig echtgenote tegen de terugvordering van ten onrechte genoten bijstand ingestelde beroep is door de arrondissementsrechtbank te Zwolle bij uitspraak van 23 oktober 1998 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij primair besluit van 16 februari 1998 is aan gedaagde met ingang van 18 februari 1998 strafontslag verleend op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid, onder l van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Gedaagde is bij vonnis van de politierechter van 22 juni 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake van opzetheling, meermalen gepleegd. Hiertegen heeft gedaagde geen hoger beroep ingesteld. Na bezwaar heeft appellant het strafontslag bij het in dit geding bestreden besluit van 29 juli 1998 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht. De rechtbank is kort gezegd met appellant van oordeel dat de medeplichtigheid van gedaagde aan steunfraude zeker gelet op zijn functie als plichtsverzuim kan worden aangemerkt en dat appellant derhalve bevoegd was om een disciplinaire straf op te leggen.

Anders dan appellant acht de rechtbank de opgelegde straf van ontslag onevenredig zwaar. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant in elk geval sinds 17 maart 1997 volledig op de hoogte was van de verdenking jegens gedaagde, in die omstandigheid geen aanleiding heeft gevonden om hem direct te schorsen of buiten functie te stellen en hem hangende het strafrechtelijk onderzoek nog tot 11 december 1997 in zijn functie heeft gehandhaafd. Nu appellant naar het oordeel van de rechtbank blijkbaar ondanks de gerezen verdenking voldoende vertrouwen in het functioneren van gedaagde bleef houden, acht de rechtbank het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat het benodigde vertrouwen dat gedaagde zijn functie nog op goede en volledige wijze zal kunnen uitoefenen onherstelbaar beschadigd is en dat de voorbeeld-functie die gedaagde dient te vervullen en het door hem uit te oefenen gezag over de aan zijn zorg toevertrouwde gedetineerden onmogelijk is geworden, niet in volle omvang houdbaar.

3. De Raad stelt vast dat gedaagde thans niet bestrijdt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim en dat het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of er tussen de opgelegde sanctie en het gepleegde plichtsverzuim geen onevenredigheid bestaat.

3.1. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt daarbij in aanmerking dat naar zijn oordeel gesproken moet worden van zeer ernstig plichtsverzuim. Gedaagde heeft meegewerkt aan het ten onrechte ontvangen van een bijstandsuitkering door zijn voormalig echtgenote. Hierdoor heeft hij de integriteit en de betrouwbaarheid als penitentiar inrichtingswerker ondermijnd.

In dit verband ziet de Raad anders dan de rechtbank in de omstandigheid dat appellant gedaagde heeft laten doorfunctioneren, terwijl hij ervan op de hoogte was dat gedaagdes gedrag onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat met een minder zware sanctie had moeten worden volstaan. De Raad merkt hierbij op dat er van de zijde van appellant met nadruk op is gewezen dat hij voordat hij kennisnam van het strafdossier niet volledig op de hoogte was van de jegens gedaagde gerezen verdenking en dat hij het - mede gezien diens pertinente ontkenning schuldig te zijn aan een strafbaar feit en de omstandigheid dat nog geen ruchtbaarheid was gegeven aan de kwestie - bij voorbaat niet moeilijk zoniet onmogelijk voor gedaagde wilde maken om zijn functie weer op te pakken in geval de verdenking ongefundeerd zou blijken te zijn geweest.

4. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet daarbij geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S.P. Madunic.

HD

06.07

Q