Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB2858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
27-07-2001
Zaaknummer
99/3508 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 2a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 78
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87e
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88c
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 307 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 2001, 232 met annotatie van A.I. van der Kris
USZ 2001/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3508 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[X.] GmbH & Co, gevestigd te [Y.], Duitsland, kantoorhoudende te [Z.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 14 mei 1998 zijn ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 12 december 1997, waarbij aan appellante is medegedeeld dat zij ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 1998 een gedifferentieerde premie verschuldigd is van 1,12% (maximumpremie).

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 21 mei 1999 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, heeft namens appellante tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 16 juli 1999.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 12 januari 2000, ingediend.

Bij schrijven van 13 april 2001 heeft mr. Van Zijl, voornoemd, namens appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 april 2001, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Zijl, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.B. van Someren, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Aan de vaststelling van de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO over het premiejaar 1998 ligt ten grondslag dat appellante in 1998 is aan te merken als een grote werkgever, dat de gemiddelde premieloonsom over de jaren 1993 tot en met 1996 f 1.442.560,50 bedraagt en dat in 1996 aan (ex)werknemers van appellante een bedrag van f 77.214,32 is uitbetaald aan uitkeringen ingevolge de WAO, waarvan de uitkeringsduur in 1996 nog geen vijf jaar bedroeg.

Tijdens de bezwaarschriftprocedure en de procedure in eerste aanleg is namens appellante het standpunt ingenomen dat bij de berekening van de gemiddelde loonsom toepassing gegeven had dienen te worden aan artikel 78, vierde lid, van de WAO, aangezien appellante met ingang van 1 november 1997 de onderneming [W.] Nederland B.V. heeft overgenomen.

Ter zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van appellante het standpunt ingenomen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarop de gedifferentieerde premie is gebaseerd ten onrechte zijn toegekend, althans dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat daarbij de werkgever geen inzicht is gegeven in de medische en arbeidskundige achtergronden van de toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat de grief inzake de arbeidsongeschiktheid in strijd met de goede procesorde is opgevoerd. De rechtbank is weliswaar van oordeel dat een werkgever die wegens niet belanghebbendheid onder de vóór 1 januari 1998 geldende wetgeving niet in de gelegenheid was een toekenningsbeslissing aan te vechten, deze gelegenheid alsnog moet worden geboden in een door hem aangespannen premiezaak, maar omdat het bestrijden van de juistheid van de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen een speciale procedure vergt, heeft de rechtbank geoordeeld dat indien een werkgever in een premiegeschil de juistheid van de toekenning van de onderliggende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wil betwisten, hij dit punt in bezwaar in stelling moet brengen, zodat van meet af aan de juiste procedure gevoerd kan worden.

Met betrekking tot de vraag of artikel 78, vierde lid, van de WAO dient te worden toegepast, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze bepaling, gelet op artikel VI (lees: VII), tweede lid, van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (wet Pemba), in casu buiten toepassing blijft, nu de overgang van [W.] Nederland B.V. is geëffectueerd voor de inwerkingtreding van de wet Pemba.

In hoger beroep heeft appellante uitdrukkelijk berust in laatstgenoemd oordeel van de rechtbank. Zij kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de eerst ter zitting aangevoerde, nieuwe argumenten in strijd met de goede procesorde zijn aangevoerd en zij stelt zich op het standpunt dat het haar in ieder geval vrij staat in hoger beroep nieuwe gezichtspunten naar voren te brengen. In dat verband is - kort samengevat - het volgende aangevoerd:

1. het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering met relevante feiten ten aanzien van het medische en arbeidskundige aspect van de toekenning van de uitkeringen, hetgeen vereist wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

2. door artikel 87e WAO toe te passen op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten aanzien waarvan een werkgever nooit het recht heeft gehad om in bezwaar en beroep te komen, wordt in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM, zodat deze bepaling in het onderhavige geval onverbindend is;

3. voor zover artikel 88c van de WAO voorschrijft dat een beroepschrift wordt ingediend door een gemachtigde die arts is (hierna: arts-gemachtigde) en dat kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat is voorbehouden aan een arts-gemachtigde, is deze bepaling wegens strijd met artikel 6 EVRM onverbindend, althans dient deze bepaling buiten toepassing te blijven;

4. de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de vraag of de ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerde gronden in de beoordeling van het bestreden besluit kunnen worden betrokken overweegt de Raad dat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de gedifferentieerde premie over het premiejaar 1998. Nu de hoogte van de toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen medebepalend is geweest voor die vaststelling, is ook dat onderwerp - zij het impliciet - onderdeel geweest van gedaagdes heroverweging bij het nemen van het bestreden besluit. Het stond en staat appellante derhalve vrij dat onderwerp in beroep te bestrijden, ook met nieuwe argumenten. De Raad kan zich dan ook niet stellen achter het standpunt van de rechtbank dat, nu appellante dit onderwerp niet reeds in bezwaar in stelling heeft gebracht, het in strijd met de goede procesorde is om dat onderwerp alsnog in beroep als grief aan te voeren. In zoverre kan de aangevallen uitspraak derhalve niet in stand blijven.

Het hiervoor overwogene laat evenwel onverlet dat de rechtbank, gelet op het moment waarop grieven worden aangevoerd ter zake van een aspect van het bestreden besluit dat nog niet door daartegen gerichte grieven in het geding was betrokken, van oordeel kan zijn dat het aanvoeren van die grieven bezwaren ontmoet uit een oogpunt van behoorlijke procesvoering en om die reden beslist dat deze grieven derhalve buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 oktober 1998, gepubliceerd in RSV 1999/45 en AB 1999/48, merkt de Raad in dit verband nog op dat een vaststelling door de rechtbank van strijd met een goede procesorde in de hiervoor aangegeven zin geen zodanige doorwerking heeft in de procedure in hoger beroep dat een inhoudelijke behandeling van de door de rechtbank wegens strijd met een goede procesorde buiten beoordeling gelaten grieven, in hoger beroep op voorhand niet meer mogelijk is.

1. Deugdelijke motivering

Het namens appellante ingenomen standpunt dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering, nu daarin geen relevante feiten ten aanzien van de medische en arbeidskundige onderbouwing van de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn opgenomen, kan de Raad niet volgen. Gelet op het feit dat tegen het primaire besluit van 12 december 1997 uitsluitend bezwaren zijn aangevoerd, verband houdend met de overgang van [W.] Nederland B.V. en de toepassing van artikel 78, vierde lid, van de WAO, was gedaagde niet gehouden in het besluit op bezwaar te motiveren op welke medische en arbeidskundige gegevens de aan het premiebesluit ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn gebaseerd. Deze grief slaagt derhalve niet.

2. Artikel 87e WAO

Met betrekking tot de vraag of het bepaalde in artikel 87e WAO in het onderhavige geval in strijd is met artikel 6 EVRM overweegt de Raad het volgende.

In artikel 87e WAO is, voor zover thans van belang, bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, van de WAO bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van heden onder registratienummer 00/3816 WAO stelt de Raad vast dat premieheffing in het kader van de werknemersverzekeringswetten dient te worden beschouwd als een "determination of civil obligation", hetgeen met zich brengt dat de rechtsgang met betrekking tot een besluit tot premieheffing moet voldoen aan de elementaire eisen die voortvloeien uit artikel 6 van het EVRM, waaronder het recht op hoor en wederhoor, "equality of arms" en toetsing van "the merits of the matter". De aan de (ex-)werknemers van appellante per 29 oktober 1995 en 25 januari 1996 toegekende uitkeringen zijn bepalend voor de door appellante in het jaar 1998 verschuldigde gedifferentieerde premie. Gelet hierop behoren deze uitkeringen dan ook tot de "merits of the matter". Tegen de besluiten tot toekenning van deze uitkeringen kon appellante destijds geen bezwaar en beroep instellen. Derhalve betekent onverkorte toepassing van artikel 87e van de WAO in dit geval dat de "merits of the matter" niet kunnen worden getoetst, hetgeen in strijd moet worden geacht met artikel 6 van het EVRM.

De Raad voegt hieraan toe dat artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO, waarin is bepaald dat, indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, zulks gevolgen heeft voor het premiejaar waarin de toegekende uitkering wordt ingetrokken of herzien, er niet toe kan leiden dat premiebesluiten als de onderwerpelijke niet onrechtmatig bevonden kunnen worden op de grond dat de uitkering geheel of ten onrechte is toegekend. De Raad is van oordeel dat, nu bij de wet Pemba door het laten vervallen van artikel 2a van de WAO uitsluitend voor werkgevers de mogelijkheid is geboden om op te komen tegen besluiten van na 1 januari 1998 tot toekenning of herziening van uitkeringen krachtens de WAO en daarbij geen voorziening voor werkgevers is getroffen om alsnog in rechte op te kunnen komen tegen zodanige besluiten van voor 1 januari 1998, voorzover die besluiten bepalend zijn voor de verschuldigde gedifferentieerde premie in de jaren 1998 tot en met 2004, artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO dan ook uitsluitend betrekking kan hebben op besluiten tot toekenning of herziening van uitkeringen van na 1 januari 1998, waartegen een werkgever met succes is opgekomen.

Het vorenstaande brengt mee dat, indien een werkgever in het kader van een door hem aanhangig gemaakt geschil ter zake van een premiebesluit de daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaromtrent laatstelijk voor 1 januari 1998 een besluit is afgegeven, aanvecht, artikel 87e van de WAO buiten toepassing dient te worden gelaten, en dat, als vervolgens moet worden geoordeeld dat bedoelde grief van de werkgever slaagt, aan de in bedoeld premiebesluit vervatte vaststelling van de (gedifferentieerde) premie geheel of ten dele de grondslag is komen te ontvallen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat namens appellante terecht is aangevoerd dat in de procedure in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van artikel 6 van het EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM vloeit weliswaar voort dat een dergelijke schending in hoger beroep hersteld kan worden, doch de Raad is gelet op de aard van de procedure en ter voorkoming van overbodige procedures in hoger beroep, van oordeel dat met inachtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten in twee rechterlijke instanties geprocedeerd moet kunnen worden over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad acht derhalve termen aanwezig het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

3. Artikel 88c WAO

De Raad heeft in zijn uitspraak van heden, in de zaak 00/3816 WAO, geoordeeld dat in gevallen waarin de werknemer de in artikel 88a van de WAO bedoelde toestemming niet heeft verleend, het bepaalde in artikel 88c van de WAO ertoe leidt dat sprake is van een schending van de "equality of arms", nu niet alle partijen in gelijke mate van de inhoud van alle processtukken kunnen kennisnemen en dat aldus, mede gelet op de samenhang tussen medische en andere aspecten in dit soort geschillen, sprake is van een onevenwichtigheid tussen partijen in hun respectieve processuele posities, en wel zodanig dat de processuele positie van de werkgever als een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van die positie van de andere partijen als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM aangemerkt moet worden. De Raad heeft in verband daarmee geoordeeld dat aan de medische besluitenregeling, neergelegd in de artikelen 88 tot en met 88i van de WAO, geen onverkorte toepassing kan worden gegeven.

Als gevolg van het verloop van de procedure in bezwaar en in eerste aanleg is tot op heden niet aan de betrokken werknemer(s) verzocht om de toestemming als bedoeld in artikel 88a van de WAO, zodat ten aanzien van appellante thans niet kan worden beoordeeld of artikel 88c van de WAO wegens strijd met artikel 6 van het EVRM buiten toepassing dient te worden gelaten.

Nu de zaak, in verband met hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, teruggewezen zal worden naar de rechtbank, is het aan de rechtbank alsnog toepassing te (doen) geven aan de medische besluitenregeling als neergelegd in artikel 88 e.v. van de WAO en - met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn hiervoor genoemde uitspraak - te beoordelen of artikel 88c van de WAO in de onderhavige zaak wegens strijd met artikel 6 van het EVRM buiten toepassing dient te worden gelaten.

4. Gelijkheidsbeginsel

Namens appellante is gesteld dat de wijziging van de WAO, zoals neergelegd in de wet Pemba en het Besluit premiedifferentiatie WAO in strijd moet worden geacht met artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het bij dit verdrag behorende Protocol van 20 maart 1952 (Trb. 80), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsmede artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter toelichting hierop is van haar kant aangevoerd dat de vraag of premiedifferentiatie plaatsvindt en zo ja, in welke mate, in de praktijk blijkt af te hangen van een groot aantal omstandigheden, die niet kunnen worden gerechtvaardigd vanuit het doel dat met deze regelgeving wordt beoogd. In haar visie is er sprake van een willekeurige bejegening van werkgevers. Daarbij heeft zij gewezen op tal van mogelijke situaties, waarin een werkgever verkeert dan wel kan komen te verkeren.

De Raad volgt appellante hierin niet en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst merkt hij op dat toetsing aan artikel 3:4 van de Awb niet aan de orde kan zijn, nu dit artikel uitsluitend ziet op besluiten in de zin van deze wet en niet op een wetswijziging als hier aan de orde. Wel kan aan de orde zijn een mogelijke schending van de door appellante genoemde verdragsbepalingen. Naar het oordeel van de Raad is hiervan evenwel geen sprake. Dat de wijze waarop wettelijke regelingen zich in de praktijk doen gevoelen, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval, betekent nog geenszins dat er sprake is van strijd met het in deze bepalingen neergelegde gelijkheidsbeginsel. De grief dat er sprake is van schending van dit beginsel, zou in dit geval slechts kans van slagen kunnen hebben als moet worden aangenomen dat het onderscheid tussen eigen risicodragende werkgevers en niet eigen risicodragende werkgevers - het is alleen dit onderscheid dat de wetgever heeft gemaakt - meebrengt dat gelijke gevallen niet gelijk worden behandeld. Reeds op grond van de in de wet voorziene mogelijkheid van het maken van een keuze door een werkgever om al dan niet zelf gedurende een periode van vijf jaar het risico van betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering te dragen, moet worden vastgesteld dat geen sprake kan zijn van een ongelijke bejegening. Dit betekent voorts dat de stelling van appellante dat de wet Pemba onder omstandigheden niet beantwoordt aan het daarmee beoogde doel, geen bespreking behoeft.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van deze zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. De Raad merkt in dit verband met het oog op het Besluit proceskosten bestuursrecht op dat gelet op de complexiteit en het principiële karakter van het onderhavige geding een waardering als "zeer zwaar" gerechtvaardigd is. De proceskosten worden derhalve begroot op f 2.840,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Zwolle;

Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.840,-;

Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad f 675,- aan appellante dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2001.

(get.) H. Bolt.

(get.) P.E. Broekman.

MH