Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB2442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
99/1116 WW en 99/1121 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1116 WW

99/1121 WW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant.], wonende te [woonplaats.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 29 december 1998 tussen partijen gegeven uitspraken, geregistreerd onder de nummers 97/2 WW en 97/12805 WW.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 december 2000, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C.E.B. Haazen, werkzaam bij Gak Nederland bv.

II. MOTIVERING

Bij de aangevallen uitspraak onder nummer 97/2 WW heeft de rechtbank het beroep tegen gedaagdes besluit van 19 november 1996, waarbij een sanctie was toegepast wegens het te laat inleveren van werkbriefjes, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Blijkens de overwegingen is appellant daarbij in het gelijk gesteld in die zin dat gedaagde weliswaar bevoegd werd geacht een sanctie toe te passen, maar van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik meer kon maken.

Bij de aangevallen uitspraak onder nummer 97/12805 WW heeft de rechtbank het beroep tegen gedaagdes besluit van 17 november 1997 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover betreffende de ingangsdatum 23 juni 1997 van de daarbij opgelegde maatregel, met bepaling dat die maatregel ingaat op 30 juni 1997.

Beide zaken zijn ter zitting van de rechtbank van 8 oktober 1998 -kennelijk niet-gevoegd- behandeld en appellant, die zonder rechtsbijstand procedeert, is daar in persoon verschenen. Blijkens het proces-verbaal in de zaak met reg.nr. 97/12805 WW heeft appellant aldaar een specificatie van zijn verletkosten overgelegd. Dat stuk bevat een opgave van verletkosten voor het bijwonen van de zitting ten bedrage van f 200,-- en vermeldt beide nummers van de rechtbank. Uit het proces-verbaal in de zaak met reg.nr. 97/2 WW blijkt niet dat het onderwerp proceskosten aan de orde is geweest. Het moet er in elk geval voor worden gehouden dat appellant, conform de bijlage bij de kennisgeving van behandeling van zijn zaken, 'uiterlijk ter zitting' een verzoek tot vergoeding van verletkosten heeft ingediend.

In beide uitspraken heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten.

Het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak met reg.nr. 97/2 WW is uitsluitend gericht tegen het feit dat daarbij is nagelaten gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant bestaande in genoemde verletkosten. Het hoger beroep tegen de uitspraak met reg.nr. 97/12805 WW richt zich zowel tegen het oordeel omtrent de opgelegde maatregel wegens het verrichten van onvoldoende sollicitatie-activiteiten als tegen het achterwege zijn gelaten van een veroordeling in dezelfde verletkosten, met dien verstande dat totaal slechts eenmaal aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van die kosten.

Omtrent de proceskosten overweegt de Raad het volgende. In beide zaken zijn de bestreden besluiten vernietigd; in de eerste zaak is appellant materieel geheel en in de tweede zaak ten dele in het gelijk gesteld. Er was derhalve reden om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij verletkosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Voor de afwijzing daarvan heeft de rechtbank geen, althans geen relevante, motivering gegeven.

Gelet op de aard van appellants verzoek had volstaan kunnen worden met beoordeling van die kosten in één van beide zaken. Daarbij lag toedeling aan de zaak met reg.nr. 97/2 WW het meest voor de hand, omdat appellant daar geheel in het gelijk is gesteld. De omstandigheid dat appellant mogelijk eerst voor de sluiting van de -aansluitende- behandeling van de tweede zaak om vergoeding van kosten heeft gevraagd, acht de Raad in de hiervoor aangegeven omstandigheden niet van belang.

De aangevallen uitspraak met reg.nr. 97/2 WW komt derhalve -voor zover aangevochten- voor vernietiging in aanmerking. Met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de in eerste aanleg door appellant gemaakte proceskosten.

Omtrent de omvang van de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Appellant, die op basis van een uitzendovereenkomst in afwisselend late en nachtdienst werkt voor de [instelling], claimt als verletkosten het loon dat hij derft omdat hij de gehele nachtdienst (van 22.30 tot 6.30 uur) heeft moeten vrijnemen met het oog op het bijwonen van de zitting van de rechtbank de volgende morgen om 11.15 uur. Gedaagde heeft de vraag opgeworpen of appellant niet van dienst heeft kunnen ruilen of anderszins bij de roosterindeling met de rechtbankzitting heeft rekening kunnen houden.

Op grond van artikel 8:75 van de Awb komen slechts voor vergoeding in aanmerking die kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zijn geval het vrijnemen van de gehele nachtdienst voor het bijwonen van de zitting noodzakelijk was. In aanmerking nemend dat appellant al jarenlang voor de [instelling] werkte -ook al is het op uitzendbasis-, heeft hij voorts de door gedaagde opgeworpen vragen op voor de Raad niet overtuigende wijze ontkennend beantwoord. Getoetst aan voornoemde maatstaf is de Raad van oordeel dat verletkosten wegens loonderving over een gehele nachtdienst niet maar over een gedeelte wel als redelijkerwijs gemaakte kosten kunnen worden aangemerkt. De Raad begroot die kosten op 2 x f 29,32 (het bruto uurloon) ofwel f 58,64, gelijk aan het loon dat appellant zou hebben gederfd voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, indien hij overdag zou hebben gewerkt. Daar komt bij als vergoeding van reiskosten het bedrag van f 3,20.

Nu appellant voorts terecht in hoger beroep is gekomen, acht de Raad termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Op gelijke gronden als geoordeeld omtrent de verletkosten in eerste aanleg, begroot de Raad die kosten in hoger beroep op 4 x f 31,18 bruto ofwel f 124,72 voor het bijwonen van de zitting van de Raad, vermeerderd met reiskosten ten bedrage van f 34,80.

Gelet op artikel 25 Beroepswet bepaalt de Raad tenslotte dat gedaagde het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van f 170,-aan hem dient te vergoeden.

Omtrent de maatregel Appellant is uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarnaast verricht hij regelmatig als oproepkracht via een uitzendbureau werkzaamheden bij [instelling]. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is het recht op uitkering per 2 juni 1997 herleefd. Blijkens de werkbriefjes heeft appellant in het tijdvak van 2 juni 1997 tot en met 20 juli 1997 geen concrete sollicitaties verricht. In die periode is hij als oproepkracht werkzaam geweest gedurende 8,75 uur, 5 uur, 18 uur, 8,5 uur, 13 uur, 33 en 0 uur per week. Hij stelt regelmatig via het uitzendbureau bij [instelling] naar (meer) werk te hebben geïnformeerd.

Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft gedaagde met toepassing van het Maatregelenbesluit ingaande 23 juni 1997 een korting op de uitkering toegepast van 20% gedurende 16 weken, op de grond dat appellant het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft overtreden. Dat voorschrift houdt in dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Bij het thans bestreden besluit van 17 november 1997 heeft gedaagde die maatregel gehandhaafd.

Met inachtneming van de bij de aangevallen uitspraak vastgestelde -en door gedaagde niet aangevochten- ingangsdatum 30 juni 1997 van de opgelegde maatregel, is in hoger beroep slechts in geschil of appellant in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd.

Bij de aangevallen uitspraak met reg.nr. 97/12805 WW heeft de rechtbank uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat appellant zijn in voormeld artikel neergelegde verplichting 'niet (behoorlijk) is nagekomen'. De Raad onderschrijft dat oordeel en maakt de daaraan gewijde overwegingen tot de zijne.

Appellants standpunt in hoger beroep is een herhaling van zijn standpunt in eerste aanleg, erop neerkomende dat hij meent niet gehouden te zijn concrete sollicitaties te verrichten omdat hij verwachtte binnen afzienbare tijd volledige werkweken bij [instelling] te kunnen werken. Feitelijk kan echter op grond van de gedingstukken niet anders worden geconcludeerd dan dat appellant pas in juli 1997 enige verwachting kon hebben dat hij eind september 1997 bij een nieuw te openen sorteercentrum in [plaats] kon beginnen; de opening is echter pas eind oktober/begin november 1997 gerealiseerd. Appellants standpunt komt er verder op neer dat hij meent de voorkeur te moeten geven aan potentiële uitbreiding van werkzaamheden bij de [instelling] en dat hij om die reden verder geen sollicitaties behoefde te verrichten.

De Raad kan appellants standpunt niet onderschrijven. Hij wijst er in de eerste plaats op dat appellant er van de zijde van gedaagde op is gewezen dat hij tenminste vier sollicitaties per vier-weken-periode diende te verrichten en dat hij het bestaan van die verplichting ook niet heeft ontkend. Verder kan geenszins worden uitgesloten dat, indien appellant zich niet uitsluitend richtte op de werkzaamheden bij [instelling], zijn kansen om niet langer geheel of gedeeltelijk werkloos te zijn en te blijven, anders dan hij suggereert, niet illusoir waren. Het feit dat appellant er later in is geslaagd meer uren per week voor [instelling] te kunnen gaan werken, doet aan het vorenstaande niet af.

Op grond van het hiervoor overwogene concludeert de Raad dat de aangevallen uitspraak met reg.nr. 97/12805 WW, voor zover aangevochten, kan worden bevestigd. De Raad acht in dit geding geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met reg.nr. 97/2 WW voor zover aangevochten;

Veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van appellant gevallen kosten, begroot op totaal f 221,36.

Gelast dat gedaagde het door appellant gestorte recht van f 170,-- aan appellant vergoedt;

Bevestigt de aangevallen uitspraak met reg.nr. 97/12805 voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr C.P.J. Goorden als leden in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2001.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.