Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB2187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
01/930 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Postwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

01/930 WAO

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. INLEIDING

Mr. A. Gerritsen-Bosselaar, advocaat te Utrecht, heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 15 december 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.

Deze uitspraak is op 21 december 2000 in afschrift aan partijen toegezonden.

Het beroepschrift is op 2 februari 2001 ter griffie ontvangen.

II. MOTIVERING

Volgens artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De aangevallen uitspraak is op 21 december 2000 aan partijen verzonden. De laatste dag van de beroepstermijn is derhalve 1 februari 2001. Nu het beroepschrift op 2 februari 2001, en derhalve binnen een week na afloop van die termijn is ontvangen, zou het hoger beroep tijdig zijn ingesteld indien het beroepschrift uiterlijk op 1 februari 2001 ter post zou zijn bezorgd.

Op de enveloppe waarin het beroepschrift zich bevond staat geen datumstempel van de PTT en evenmin een sorterings-streepjescode, zodat niet is vast te stellen of de enveloppe via de posterijen is verzonden. Op de enveloppe staat wel een stempel Arrondissementale Stafdiensten Bode,-/Postkamer met de datum 2 februari 2001.

In verband met de beoordeling van de tijdigheid van het beroepschrift is bij schrijven van 19 maart 2001 aan de gemachtigde van appellant verzocht om aan te geven op welke datum en op welke wijze het beroepschrift is verzonden. Daarbij is gemachtigde van appellant verzocht om, indien het beroepschrift op 2 februari 2001 is afgegeven aan de balie van het Arrondissementsgebouw, aan te geven om welke reden de beroepstermijn is overschreden.

De gemachtigde van appellant heeft daarop bij schrijven van 26 maart 2001 medegedeeld dat het beroepschrift op 1 februari 2001 is verzonden per [X.] post. Blijkens een bijgevoegd schrijven van 22 maart 2001 van [C.], van [X.bv], wordt bevestigd dat het beroepschrift op 1 februari 2001 bij de gemachtigde van appellant is opgehaald en dat het beroepschrift in de nacht van 1 op 2 februari 2001 op of omstreeks 1.45 uur in de normale brievenbus op het Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht is gedeponeerd.

Op grond van bovenvermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de Raad overweegt daartoe het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder in diverse uitspraken heeft overwogen dient in het licht van de parlementaire geschiedenis voor de toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb worden uitgegaan van verzending door de PTT. Volgens de Postwet is de PTT voorlopig nog de enige concessiehouder. De Raad is derhalve van oordeel dat verzending per koeriersdienst voor de toepassing van dit artikellid niet op één lijn kan worden gesteld met verzending per post. Nu het beroepschrift niet per post is verzonden, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend, nu het niet voor het einde van de termijn is ontvangen, doch eerst op de dag na afloop van de termijn.

Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr J. Janssen in tegenwoordigheid van R.B.E. van Niwmegen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2001.

(get.) J. Janssen.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.

De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

RvN/AB