Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB2186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
00/4226 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88c
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4226 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[BV X]., gevestigd te [B.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 20 mei 1999 heeft gedaagde aan [A.], die voorheen werkzaam was bij appellante, met ingang van 8 maart 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante heeft bij brief van 31 mei 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 31 mei 2000 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is D.A. van Wijngaarden, als arts-gemachtigde van appellante, bij beroepschrift van 21 juli 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft aan [A.] voornoemd (hierna: betrokkene) medegedeeld dat hij, gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als partij aan het geding in hoger beroep kan deelnemen. Voorts is hem verzocht om aan te geven of hij al dan niet toestemming verleent voor toezending van stukken die medische gegevens bevatten aan zijn (voormalige) werkgever. Hierop is geen reactie ontvangen.

De Raad heeft aan partijen medegedeeld dat, nu betrokkene geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan de werkgever ter kennisname te brengen, de artikelen 88c en 88d van de WAO van toepassing zijn.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2001, waar voor appellante is verschenen D.A. van Wijngaarden voornoemd en waar namens gedaagde is verschenen drs. M.P.W.M. Wiertz, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Namens appellante is aangevoerd dat aan betrokkene ten onrechte met ingang van 8 maart 1999 een WAO-uitkering is toegekend. Er zou niet aan de voor de toekenning van die uitkering vereiste wachttijd zijn voldaan omdat de op 9 maart 1998 bij betrokkene ingetreden arbeidsongeschiktheid niet onafgebroken 52 weken heeft voortgeduurd.

De Raad oordeelt als volgt.

De bedrijfsarts, die in dit geding als arts-gemachtigde optreedt, heeft betrokkene vanaf 9 mei 1998 arbeidsgeschikt geacht, nadat deze geweigerd had om op het spreekuur te verschijnen. Betrokkene heeft zijn werk niet hervat, noch op enigerlei wijze iets van zich laten horen.

Op verzoek van appellante is de arbeidsovereenkomst met betrokkene met ingang van 15 juli 1998 door de Kantonrechter ontbonden.

Betrokkene heeft op 23 juli 1998 bij gedaagde een uitkering krachtens de Werkloosheidswet aangevraagd en daarbij aangegeven niet in staat te zijn om te werken. Hij is op 24 november 1998 en 4 mei 1999 gezien door de verzekeringsarts. Het door de verzekeringsarts ingestelde onderzoek heeft geleid tot de toekenning van een WAO-uitkering met ingang van 8 maart 1999.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 mei 1999 aangegeven dat betrokkene geen duurzame benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van loonvormende arbeid heeft, omdat er sedert begin 1998 sprake is van langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.

Naar het oordeel van de Raad is er in het onderhavige geval geen sprake van een onzorgvuldige besluitvorming. Het rapport van de verzekeringsarts van 4 mei 1999, in samenhang met de gegevens op de medische kaart, bieden voldoende steun voor de aanname dat betrokkene sinds zijn ziekmelding per 9 maart 1998 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest.

Hetgeen appellantes gemachtigde daar tegenover heeft gesteld biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de periode van arbeidsongeschiktheid gedurende enige tijd onderbroken is geweest door een periode van arbeidsgeschiktheid.

Het door appellantes gemachtigde ingenomen standpunt dat betrokkene op 9 mei 1998 hersteld was heeft hij niet gebaseerd op medische onderzoeksgegevens. Het is ook niet waarschijnlijk te achten dat betrokkene op 9 mei 1998 hersteld was, nu appellantes gemachtigde in zijn functie van bedrijfsarts zelf op 29 april 1998 nog had aangegeven dat betrokkene zijn werk eerst over 2 à 3 maanden volledig zou kunnen hervatten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) J.D. Streefkerk

BZB