Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB1774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
99/139 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/137
JB 2001/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/139 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 17 december 1998, nr. 98/549 AW P01 G07, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant schriftelijk is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 maart 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten, werkzaam bij het juridisch adviesbureau Kragten & Partner te Hoogeveen. Gedaagde is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen een zijn rechtspositie betreffend primair besluit van appellant van 14 mei 1998 en aan de president van de rechtbank verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is ter zitting van de president van 4 december 1998 ingetrokken omdat inmiddels tussen partijen overeenstemming was bereikt over de wijze waarop gedaagdes ambtelijk dienstverband zou worden beëindigd. Gedaagde heeft op die zitting aan de president verzocht om appellant onder toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de proceskosten. Nadat partijen over en weer hun standpunt schriftelijk hadden toegelicht heeft de president van de rechtbank appellant bij de aangevallen uitspraak veroordeeld in de proceskosten van gedaagde ten bedrage van ƒ 3.195,- wegens verleende rechtsbijstand.

2. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Volgens appellant is hij in dat beroep ontvankelijk te achten, omdat de president de omvang van het geschil op dusdanige wijze heeft uitgebreid dat hij daarmee essentiële voorschriften en fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat het betrokken besluit slechts inhield dat gedaagde niet werd geplaatst als clusterhoofd en niet kon terugkeren naar zijn oude functie. Daarbij werd de bereidheid uitsproken, aldus appellant, om onder voorwaarden mee te werken aan externe plaatsing. Volgens appellant was een besluit in relatie tot het vinden van een externe oplossing niet aanwezig. Naar de mening van appellant heeft de president in zijn uitspraak voornoemde bereidverklaring ten onrechte als een besluit aangemerkt. Bovendien is de president er volgens appellant ten onrechte van uitgegaan dat de bereikte overeenstemming inhoudt dat appellant aan gedaagde was tegemoetgekomen.

3. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beroepswet is bepaald dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak van de president als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verbinding met artikel 8:84, vierde lid, van die wet. De thans aangevallen uitspraak is een uitspraak als hiervoor bedoeld.

4. Anders dan appellant vermag de Raad niet in te zien dat de president bij het geven van die uitspraak essentiële voorschriften dan wel fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. De Raad wijst er hierbij op dat een eventuele onjuiste afbakening door de president van het aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende geschil en het daarmee samenhangende onjuiste oordeel over de mate waarin partijen aan elkaar zijn tegemoetgekomen ter beëindiging van dit geschil op zichzelf geen grond kunnen zijn voor een doorbreking van het in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beroepswet gegeven appèlverbod. Ook overigens is uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden die een doorbreking van het appèlverbod zouden kunnen rechtvaardigen. De Raad merkt in dit verband op dat niet gebleken is dat sprake is geweest van een evidente schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Gelet hierop acht de Raad termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van ƒ 710,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van

ƒ 710,-, te betalen door de gemeente Assen;

Bepaalt dat van de gemeente Assen een griffierecht van ƒ 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en

mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2001.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.M. Hamer.

HD

08.04

Q