Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB1681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2092 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 7, geldigheid: 2001-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/112

Uitspraak

99/2092 AKW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A], wonende te [B], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 16 januari 1997 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat zij over het vierde kwartaal van 1996 geen recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen [C], geboren [in], en [D], geboren [in] 1985.

Bij besluit van 5 juni 1997 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van

16 januari 1997 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 4 maart 1999 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. F.L. Teerling, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp

te 's-Hertogenbosch, op daartoe in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 juli 2000 heeft gedaagde desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt, waarop appellante bij brief van 20 december 2000 heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 januari 2001. Namens appellante zijn daar verschenen haar echtgenoot en mr. P.F.L.M. Verhey, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te 's-Hertogenbosch, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Appellante heeft gedaagde bij brief van 20 augustus 1996 medegedeeld dat de kinderen [C] en [D] met ingang van 10 juli 1996 op een kostschool in Marokko verblijven. Volgens opgave d.d. 27 oktober 1996 van appellante werden de kinderen verzorgd door [E] en droegen zowel appellante als [E] f 400,-- per maand bij in het onderhoud van de kinderen. Met betrekking tot het vierde kwartaal van 1996 heeft appellante op 29 oktober 1996 f 1.017,50 overgemaakt aan [F] en op 13 november 1996 f 880,-- aan [F], die de bedragen, naar de echtgenoot van appellante op 6 januari 1997 heeft verklaard, zouden hebben overhandigd aan [E]. Bij brief van 14 januari 1997 heeft appellante doorgegeven dat vanaf dat moment [F] de verzorger van de kinderen was. Gedaagde heeft daarna het besluit van 17 januari 1997 afgegeven. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellante een verklaring van de school van de kinderen overgelegd, waarin de ontvangst van 10.000 dirham aan schoolgeld wordt bevestigd. Tevens is duidelijk geworden dat appellante in september 1996 kreeg te horen dat [E] niet langer als verzorger kon optreden, waarna uiteindelijk [F] bereid werd gevonden als verzorger op te treden. In de tussentijd is een betaling overgemaakt aan een neef, [F], die dat heeft overhandigd aan [F]. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit van 17 januari 1997 gehandhaafd, en daartoe overwogen dat appellante niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat de in oktober en november 1996 overgemaakte gelden ten goede zijn gekomen aan de kinderen, nu die bedragen niet zijn overgemaakt aan de verzorger van de kinderen of de school. Van het overgemaakte schoolgeld zou een bedrag ad

f 1.275,-- in aanmerking kunnen worden genomen als bijdrage in het onderhoud van de kinderen, maar dat bedrag is te laag om voor kinderbijslag in aanmerking te kunnen komen, waarbij gedaagde ook heeft opgemerkt dat onduidelijk is wanneer en door wie dat bedrag is betaald.

De rechtbank heeft gedaagdes standpunt onderschreven.

Appellante is van mening dat zij in voldoende mate heeft aangetoond dat zij aan de onderhoudseis heeft voldaan door bedragen over te maken aan de tijdelijke verzorgers van de kinderen. Door het plotselinge wegvallen van [E] moest zij een andere vaste verzorger vinden, wat niet direct lukte. Volgens appellante is voldoende aannemelijk gemaakt dat de betalingen ten goede zijn gekomen van de kinderen.

De Raad overweegt als volgt.

De kinderen [C] en [D] waren ten tijde hier van belang jonger dan 16 jaar en behoorden door of in verband met het volgen van onderwijs niet tot het huishouden van appellante. Dit heeft tot gevolg dat het bepaalde in artikel 6 van het op artikel 7, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) berustende Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag, Stb. 1995, 451 (KB 451) van toepassing is, zodat appellante, wil zij recht kunnen hebben op kinderbijslag, ten tijde hier van belang een bijdrage in het onderhoud van de kinderen diende te leveren van minimaal f 740,-- per kind per kwartaal, terwijl voorts het inkomen van de kinderen minder dan f 3.193,-- per kind per kwartaal diende te bedragen.

Met betrekking tot het antwoord op de vraag of appellante aan de genoemde onderhoudseis heeft voldaan, overweegt de Raad dat uit zijn vaste jurisprudentie, onder meer gepubliceerd in RSV 1992/16, volgt dat de aanvrager van kinderbijslag desgevraagd op eenvoudig controleerbare wijze dient aan te tonen, dan wel aannemelijk dient te maken dat de vereiste onderhoudsbijdrage is geleverd. De meest voor de hand liggende methode daarbij is overmaking van de gelden per bank, giro of internationale postwissel aan de verzorger van het kind. Hiervan kan onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken, maar ook dan dient, desgevraagd, te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de vereiste bijdrage is geleverd.

Van deze aan de betalingen te stellen voorwaarden heeft gedaagde appellante bij brieven van 26 augustus 1996 in kennis gesteld. Voorts heeft appellante op 27 oktober 1996, op welk moment zij, naar achteraf is gebleken, al wist dat deze opgave niet meer juist was, opgegeven dat [E] de verzorger van de kinderen was. Eerst bij brief van 14 januari 1997 heeft appellante medegedeeld dat [F] vanaf dat moment de verzorger was. Gelet hierop kan niet anders worden geconcludeerd dan dat in het vierde kwartaal van 1996 geen controleerbare betalingen door appellante zijn verricht aan degene die volgens opgave optrad als verzorger van de kinderen. Dit betekent dat niet is voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarden die gesteld moeten worden aan de betalingen. Van bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken, is de Raad niet gebleken. Het had op de weg van appellante gelegen, nadat zij had vernomen dat [E] niet langer als verzorger van de kinderen kon optreden, met gedaagde contact op te nemen, teneinde zich te laten voorlichten omtrent de mogelijkheden om in haar omstandigheden op voor de toepassing van de AKW te accepteren wijze bijdragen in het onderhoud van de kinderen te leveren.

Het voorgaande betekent dat gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellante kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 1996 voor haar kinderen [C] en [D]. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenvergoeding.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en

mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

RL