Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB1604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2001
Datum publicatie
16-05-2001
Zaaknummer
98/5665 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/5665 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 juni 1998, nr. AW 96/9060/27, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2000, waar namens appellant is verschenen mr. A.C. Kool, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker, werkzaam bij gedaagdes gemeente.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met vermelding van het navolgende.

Appellant, geboren in 1965, is in 1984 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. In mei 1992 is hij in het kader van het "Instroomproject voor allochtone bijstandsmedewerkers" met behoud van uitkering gestart met de opleiding voor bijstandsmedewerker. In december 1992 is hij op stagebasis gaan werken bij het rayonkantoor [kantoor]. Na een psychologische test met negatief testresultaat is hij van 1 april 1993 tot 1 oktober 1993 bij rayonkantoor [kantoor] werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met ingang van 1 oktober 1993 is hij aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd. Na enkele evaluaties waarbij de kwaliteit van zijn werk negatief werd beoordeeld, heeft de directeur van de sociale dienst in juli 1994 aan gedaagde verzocht appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Gedaagde heeft appellant vervolgens bij besluit van 23 juni 1995 op deze grond ontslag verleend. Na bezwaar van appellant heeft gedaagde dit besluit bij het thans in geding zijnde besluit van 2 augustus 1996 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is evenals in eerste aanleg betwist dat hij ongeschikt zou zijn voor de functie. Volgens appellant is hem nooit duidelijk gemaakt aan welke criteria zijn functievervulling moest voldoen en is er geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van appellant als beginnend bijstandsmedewerker met een allochtone achtergrond. Gedaagde heeft moeten toegeven dat de begeleiding niet goed is geweest. Ook overigens waren de omstandigheden voor hem zo slecht dat hij zich in december 1993 ziek heeft moeten melden en na herstel heeft hij geen kans meer gekregen om zijn functioneren te verbeteren, aldus appellant. Appellant is van mening dat hij gezien zijn geringe ervaring en bijzondere achtergrond naar behoren heeft gefunctioneerd. In ieder geval heeft hij naar zijn mening onvoldoende mogelijkheid gehad om zijn vermeende disfunctioneren te verbeteren.

De Raad overweegt het volgende.

Vooropgesteld zij dat het het hier gaat om een ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd op de grond dat appellant ongeschikt en/of onbekwaam is voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 1122, aanhef en sub c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam.

In mei 1992 is de Gemeentelijke Sociale Dienst het "Instroomproject voor allochtone bijstandsmedewerkers" gestart met als doelstelling meer allochtone medewerkers uit mediterrane landen als bijstandsmedewerker aan zich te binden omdat de vertegenwoordiging van deze allochtone groepering binnen de geledingen van de Sociale Dienst ver achter bleef bij het aandeel dat deze groep heeft in het totaal van de Amsterdamse bevolking. Deze groep allochtone Amsterdammers voldeed niet in alle gevallen aan de functie-eisen voor bijstandsmedewerker. Om deze groep toch een zo groot mogelijke kans op instroom bij de Sociale Dienst te bieden is een speciaal inwerkprogramma opgesteld. Ook appellant heeft aan dit programma deelgenomen.

Naar uit de brief van 11 juli 1994 -het verzoek van de directeur van de sociale dienst aan gedaagde om appellant te ontslaan- blijkt, zijn de (normale) functie-eisen voor een bijstandsmedewerker:

-diploma middelbare beroepsopleiding, relevant voor het vakgebied,

-bij voorkeur ervaring in de toepassing van sociale wetgeving

-het rapporteren en het uitvoeren van contactuele taken;

-beschikken over redactionele vaardigheden;

-goede mondelinge uitdrukkingsvaardigheid;

-een grote mate van inventiviteit en zelfstandigheid.

Uit dezelfde brief blijkt voorts dat appellant, (die (pas) sedert 1984 in Nederland woont) een middelbare schoolopleiding heeft gevolgd in Marokko die vergelijkbaar is met havo, dat hij één jaar in Nederland het vwo heeft bezocht en dat hij staat ingeschreven voor het eerste jaar hbo-maatschappelijke dienstverlening.

Uit deze gegevens, gevoegd bij het psychologisch onderzoek van februari 1993, leidt de Raad af dat gedaagde wist dat appellant ten tijde van de aanvang van zijn dienstverband bij lange na niet aan de functie-eisen voldeed.

Het gegeven dat appellant een cursus Financiële Voorzieningen (FV) heeft gevolgd van 90 dagdelen- in plaats van de voor alle nieuwe medewerkers gebruikelijke cursusomvang van 70 dagdelen- kan deze achterstand naar het oordeel van de Raad onvoldoende helen.

Bezien tegen deze achtergrond is de Raad van oordeel dat er een bijzondere inspanningsverplichting op gedaagde rust om allochtone bijstandsmedewerkers als appellant na het voltooien van hun theoretische opleiding in de praktijk goed te begeleiden en hen, zo nodig gefaseerd, te laten toegroeien naar de uiteindelijke functievervulling als bijstandsmedewerker. Daarbij acht de Raad het (bijna) onontkoombaar dat de Sociale Dienst een langer aanlooptraject dan gebruikelijk dient te hanteren alvorens aan de uiteindelijke functie-eisen wordt getoetst. Aan de betrokkenen zal dan duidelijk gemaakt moeten worden op welke momenten zij aan welke eisen moeten voldoen en bij de evaluatie van hun functioneren zal daaraan moeten worden getoetst

Wat betreft de begeleiding van appellant stelt de Raad vast dat gedaagde meermalen heeft toegegeven dat deze, mede ten gevolge van wisselingen van begeleiders van appellant, "niet optimaal" en "rommelig" is geweest. Voorts kan de Raad, mede gelet op hetgeen door de ter zitting van de rechtbank gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onweersproken is verklaard, hetgeen door appellant is gesteld omtrent de slechte werksfeer op het rayonkantoor [kantoor], alwaar appellant als bijstandsmedewerker werkzaam was, niet voor onjuist houden. Gegeven al deze omstandigheden en mede gezien de duur van de aanstelling is de Raad van oordeel dat aan appellant onvoldoende kansen zijn geboden om tot een goede functievervulling te komen.

Aan de zich onder de gedingstukken bevindende rapportages van psychologische onderzoeken van drs Lukkien kan naar het oordeel van de Raad niet die zwaarwegende betekenis worden toegekend welke gedaagde daaraan heeft gehecht aangezien niet onomstreden is of dergelijke onderzoeken voor een persoon als appellant met een beperkte kennis van de Nederlandse taal een geschikt middel zijn om het functioneren van de onderzochte op betrouwbare wijze in kaart te brengen. Overigens blijkt uit vergelijking van beide rapporten dat appellant zich op een zestal aspecten verbeterd heeft.

Tenslotte wil de Raad niet onvermeld laten, onverlet het vorenstaande, dat gedaagde alvorens te kunnen concluderen dat appellant anders dan wegens ziekten of gebreken ongeschikt was voor zijn functie als bijstandsmedewerker, in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten zien om appellant een tweede kans te geven bij een ander rayonkantoor -appellant heeft bij brief van 24 april 1995 uitdrukkelijk hierom gevraagd- of om hem anderszins, bijvoorbeeld via 'outplacement', een meer geschikte werkplek aan te bieden. De Raad wijst er daarbij op, dat gedaagde een dergelijke weg ook heeft bewandeld bij [getuige 1] en [getuige 2] voornoemd; een tweede kans op een andere locatie was binnen gedaagdes organisatie kennelijk niet ongebruikelijk. De omstandigheid dat appellant in november 1995 enkele weken via een uitzendbureau als bijstandsmedewerker werkzaam is geweest bij het rayonkantoor [ander kantoor] zonder dat is gebleken van disfunctioneren, geeft naar het oordeel van de Raad overigens aan dat een dergelijk herplaatsingstraject voor appellant zeker niet kansloos zou zijn geweest.

Al het voorgaande in aanmerking nemend kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat gedaagde op onvoldoende gronden heeft vastgesteld dat appellant ongeschikt was voor zijn functie.

Anders dan de rechtbank concludeert de Raad derhalve dat het bestreden besluit wegens het ontberen van een toereikende feitelijke grondslag niet in stand kan worden gelaten en evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Gedaagde zal zich opnieuw op de positie van appellant dienen te beraden met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van ¦ 2.840,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het primaire beroep tegen het besluit van 2 augustus 1996 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde opnieuw beslist op appellants bezwaar tegen het besluit van 23 juni 1995 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van ¦ 2840,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Verstaat dat de gemeente Amsterdam aan appellant het gestorte recht van ¦ 515,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2001.

(get.) W. van den Brink.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

11.12

Q