Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB1302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/557 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2001-02-28
Beroepswet 22, geldigheid: 2001-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/557 WAO

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[opposante], wonende te [woonplaats], opposante

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens opposante is mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 21 december 1999 tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij uitspraak van 4 augustus 2000, welke op 4 augustus 2000 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Namens opposante is mr. A.H. Westendorp bij faxbericht van 1 september 2000 van die uitspraak in verzet gekomen.

Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2001, waar voor opposante is verschenen haar gemachtigde, voornoemd, terwijl namens geopposeerde met voorafgaand bericht niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a, van de Beroepswet is de indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd van f 170,-. Mr. Westendorp is op de verschuldigdheid daarvan door de griffier gewezen bij brieven van 1 mei 2000 en 29 mei 2000. Bij laatstgenoemde brief, aangetekend verzonden, is mr. Westendorp medegedeeld dat het verschuldigde recht binnen vier weken na dagtekening van de brief dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas dient te zijn gestort en dat bij overschrijding van de genoemde termijn ermee rekening moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De aan mr. Westendorp gestelde termijn voor het betalen van het griffierecht eindigde op 26 juni 2000. Het griffierecht is op 27 juni 2000, derhalve na afloop van de hiervoor gestelde termijn, op de rekening van de Raad bijgeschreven.

Mr. Westendorp is van mening dat het griffierecht wel tijdig is voldaan. Daartoe heeft hij in het verzetschrift aangevoerd dat de betaling van het griffierecht kon geschieden tot uiterlijk 27 juni 2000. Hij heeft het griffierecht op 24 juni 2000 bij een Rabobank op het rekeningnummer 19.23.25.914 van de Raad gestort, ten bewijze waarvan een kopie van het stortingsbewijs bij het verzetschrift is gevoegd. Voor zover de bank het bedrag op 26 juni 2000 niet had bijgeschreven op de rekening van de Raad was het bedrag in de administratie hoe dan ook opgenomen als een tegoed van de Raad, de Raad kon op dat moment beschikken over het bedrag.

Ingevolge artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet komt beslissende betekenis toe aan de datum waarop het griffierecht op de rekening van de Raad is bijgeschreven dan wel ter griffie is gestort. De - onjuiste - veronderstelling van mr. Westendorp dat storting per kas bij de bank leidt tot een directe bijschrijving op de desbetreffende rekening kan niet leiden tot de conclusie dat in dit geval geen sprake is van termijnoverschrijding.

De Raad is dan ook van oordeel dat in zijn uitspraak, waartegen het verzet is gericht, terecht is vastgesteld dat het griffierecht niet tijdig is voldaan.

De Raad is voorts niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest.

Ter zitting heeft mr. Westendorp weliswaar aangevoerd dat uit de brief van 29 mei 2000 niet blijkt dat het griffierecht bij de kas van de Raad moet worden voldaan, de kas zou immers ook de kas van de bank kunnen zijn. Echter met kas wordt bedoeld de kas van de Raad, dit volgt in de eerste plaats uit de op zich duidelijke tekst van artikel 22, vierde lid, eerste volzin, van de Beroepswet en blijkt ook uit de brief van 1 mei 2000.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.