Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB1087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
98/8532 + 98/8533 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

98/8532 + 98/8533 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 14 februari 1997 (besluit 1) heeft gedaagde appellants uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 maart 1997 ingetrokken op de grond dat met ingang van laatstgenoemde datum de mate van appellants arbeidsonge-schiktheid moet worden gesteld op minder dan 25 respectievelijk 15%.

Bij besluit van eveneens 14 februari 1997 (besluit 2) heeft gedaagde beslist op appellants voormelde uitkeringen over de periode van 3 juli 1995 tot 28 augustus 1995 een sanctie toe te passen van 10% op de grond dat appellant zijn mededelingsplicht niet is nagekomen.

De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft bij uitspraak van 5 november 1998 de tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. P.F.A.B. Vos, advocaat te Amsterdam, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden van het hoger beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift, met bijlagen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 juni 1999 heeft gedaagde een stuk in het geding gebracht.

Bij schrijven van 23 november 2000 heeft appellant een stuk overgelegd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 december 2000, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. P.F.A.B. Vos en waar gedaagde, daartoe ambtshalve als partij opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E. van Hilten, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

De in dit geding aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de AAW en de WAO en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Met de betrekking tot de omvang van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad dat blijkens zijn inleidend beroepschrift appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de gehele aangevallen uitspraak. De Raad is dan ook van oordeel dat appellants hoger beroep betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van zowel besluit 1 als besluit 2.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden waarvan de rechtbank blijkens rubriek 3 van de aangevallen uitspraak is uitgegaan en waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.

Met betrekking tot besluit 1

Besluit 1 berust op gedaagdes standpunt dat appellant op 15 maart 1997 zowel in staat was tot het verrichten van het eigen werk van afwasser/medewerker algemene dienst als tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid.

Appellant heeft tegen besluit 1 bezwaren van medische aard. Hij acht zich niet in staat loonvormende werkzaamheden te verrichten wegens psychische klachten.

Naar aanleiding van hetgeen appellant daaromtrent heeft aangevoerd heeft de rechtbank de zenuwarts R.G. van ’t Hof als deskundige benoemd teneinde haar van verslag en advies te dienen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot besluit 1 het volgende overwogen:

" De deskundige heeft blijkens zijn rapport de diagnose “simulatie bij trekken van karakterneurose en neurasthene klachten” gesteld. Tevens blijkt uit de rapportage van de deskundige dat hij zich met het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon kan verenigen en heeft hij geconcludeerd dat eiser in staat moet worden geacht met ingang van 15 maart 1997 zowel zijn eigen werk als afwasser/ medewerker algemene dienst als de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten.

Bij brief van 15 juni 1998 heeft eiser als reactie op het door de deskundige uitgebrachte rapport gegeven dat de beoordeling door de deskundige getuigt van weinig objectiviteit en zorgvuldigheid. Tevens heeft hij verzocht om een beoordeling door een andere psychiater.

De rechtbank heeft in de stukken echter geen aanknopingspunten gevonden om de juistheid en de objectiviteit van de beoordeling van de deskundige in twijfel te trekken. Hiertoe heeft zij overwogen dat de deskundige, alvorens zich omtrent eisers medische toestand en de geschiktheid voor het verrichten van arbeid ten tijde hier in geding uit te laten, desgevraagd een inschatting heeft gemaakt van de noodzaak om eiser zelf te onderzoeken om tot een gefundeerde medische diagnose te kunnen komen. Blijkens het rapport van de deskundige was naar zijn mening voldoende materiaal beschikbaar om tot een gefundeerd oordeel te komen omtrent de toestand en de diagnose van eiser en was een onderzoek van eiser door hemzelf noch noodzakelijk noch gewenst. De deskundige kon onder meer beschikken over de rapportage van de psychiater Hoek.

Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat - op eisers verzoek - een deskundige is benoemd die ervaring heeft in het beoordelen van personen met culturele verschillen. Dat de deskundige een uitgesproken oordeel heeft over de kwaliteit van de rapporten van de Marokkaanse artsen betekent niet dat zijn oordeel over eiser als onvoldoende objectief is te beschouwen.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor nog een onderzoek door een andere psychiater.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de beschikbare medische gegevens niet worden staande gehouden dat verweerder, in navolging van de verzekeringsarts, van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.

Met inachtneming van die beperkingen moet eiser, ook naar het oordeel van de rechtbank, ingaande 15 maart 1997 in staat worden geacht tot het verrichten van zijn eigen werk en het vervullen van de geduide functies.

Nu eiser geschikt is bevonden voor zijn eigen werk, behoeft de arbeidskundige kant van de op grond van de geselecteerde functies uitgevoerde schatting geen bespreking meer."

In hoger beroep heeft appellant onder herhaling van zijn in eerste aanleg aangevoerde stellingen en onder overlegging van een aantal medische verklaringen betoogd dat de bij hem bestaande psychische beperkingen door gedaagdes verzekeringsarts zijn onderschat. Voorts heeft hij betoogd dat, aangezien de deskundige Van ’t Hof hem niet daadwerkelijk heeft onderzocht doch slechts is afgegaan op de voorhanden medische stukken, de rechtbank niet haar oordeel mede had mogen doen steunen op het rapport van die deskundige.

De Raad overweegt daaromtrent dat naar zijn oordeel het door de desbetreffende verzekeringsarts verrichte onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. De conclusie van deze verzekeringsarts is dat er ten aanzien van appellant geen sprake is van door ziekte of gebreken veroorzaakte en te objectiveren beperking van de belastbaarheid. In het bijzonder doet zich bij appellant geen psychopathologie voor. De Raad heeft geen aanleiding gevonden aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Hij neemt hierbij in aanmerking dat de bedoelde verzekeringsarts alvorens hij tot die conclusie is gekomen zich heeft voorzien van de expertise van de psychiater Bevan Hoek, die appellant zelf heeft onderzocht en zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport d.d. 29 oktober 1996. Appellant vertoont volgens deze psychiater simulerend gedrag dat volledig bewust is en bedoeld is om een uitkering te houden.

De Raad kan aan hetgeen appellant omtrent het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Van ’t Hof heeft gesteld niet die betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wenst te zien nu het oordeel van die deskundige de bevestiging inhoudt van hetgeen de bedoelde verzekeringsarts en de psychiater Bevan Hoek reeds bij appellant hebben vastgesteld.

De in hoger beroep door appellant overgelegde verklaring van dr. J.E. El Amari, neuropsychiater te Fès, d.d. 17 februari 1999 en dr. Sabbar Mohamed te Tanger d.d. 26 februari 1999 hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad overweegt hiertoe dat niet blijkt dat deze artsen appellants gezondheidstoestand op de datum hier in geding, 15 maart 1995, in ogenschouw hebben genomen. Ook de op 23 november 2000 door appellant overgelegde verklaring d.d. 26 augustus 2000 van A.C. Blom, psychiater te Nijmegen, heeft geen betrekking op appellants gezondheidstoestand op de datum hier in geding. Daarbij komt dat uit deze verklaring de opvatting van die psychiater blijkt dat, op het moment dat de in dat rapport beschreven functiestoornis bij appellant aanwezig is voor appellant geen arbeid mogelijk is, maar dat in een redelijk aantal van de gevallen degene die aan een dergelijke stoornis lijdt de prikkkels kunnen worden vermeden die aanleiding geven tot die stoornis. Ook in dit rapport vindt de Raad derhalve geen aanwijzing voor de juistheid van appellants stelling dat hij op grond van zijn psychische klachten tot geen enkele arbeid in staat geacht kon worden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank besluit 1 terecht in stand heeft gelaten.

Met betrekking tot besluit 2

Besluit 2 berust op gedaagdes standpunt dat appellant in strijd met de op hem ingevolge de artikelen 78 van de AAW en 80 van de WAO rustende mededelingsverplichting gedaagde niet onverwijld ervan in kennis heeft gesteld dat hij in oktober 1992 in de gemeenteraad van zijn woonplaats te Marokko is gekozen en de aan dat raadslidmaatschap verbonden werkzaamheden is gaan verrichten.

In eerste aanleg heeft appellant als beroepsgrond naar voren gebracht dat het gegeven dat hij het desbetreffende raadslidmaatschap is gaan bekleden, geen feiten en omstandigheden betreffen waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk was dat zij van invloed konden zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

Ter zitting van de Raad heeft appellant daarenboven betwist dat hij tot gemeenteraadslid is gekozen.

Met betrekking tot dit laatste, eerst in een zeer laat stadium van de procedure aangevoerde, argument overweegt de Raad dat de daarin vervatte en overigens niet onderbouwde stelling volstrekt ongeloofwaardig is. De Raad verwijst in dit verband naar de zich onder de gedingstukken bevindende correspondentie tussen de Nederlandse ambassade te Rabat en het Ministerie van Binnenlandse zaken van Marokko waaruit de desbetreffende verkiezing alsmede de duur van de ambtsperiode van appellant ondubbelzinnig blijkt.

De vraag of appellant in strijd heeft gehandeld met de artikelen 78 van de AAW en 80 van de WAO door het in oktober 1992 ingegane raadslidmaatschap niet onverwijld te melden heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt beantwoord:

" Naar het oordeel van de rechtbank heeft de op eiser rustende mededelingsplicht zeker ook betrekking op zijn verkiezing tot gemeenteraadslid. Ook al zou eiser feitelijk geen of weinig activiteiten in die functie hebben verricht, het bekleden van een dergelijke openbare functie is van zodanige betekenis dat hiervan melding dient te worden gemaakt aan de uitkeringsinstantie. Gelet op de conclusie van de deskundige Van ’t Hof dat bij eiser geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, is de rechtbank van oordeel dat eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn activiteiten als gemeenteraadslid van invloed konden zijn op de hoogte of de voortzetting van zijn uitkering.

Gelet hierop kan de rechtbank zich met het door verweerder ingenomen standpunt dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht verenigen."

De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Dit betekent dat ook de Raad van oordeel is dat appellant de op hem ingevolge de artikelen 78 van de AAW en 80 van de WAO rustende mededelingsverplichting niet is nagekomen.

Met betrekking tot de sanctie van 10% die gedaagde op appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO over de periode van 3 juli 1995 tot 28 augustus 1995 heeft toegepast overweegt de Raad het volgende.

Gedaagde heeft de sanctie opgelegd onder toepassing van en in overeenstemming met artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van het Sanctiebeleid AAW/WAO BV Horeca, welk beleid gebaseerd is op gedaagdes bevoegdheid neergelegd in de artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de AAW en 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO. Ingevolge de laatstgenoemde bepalingen is gedaagde bevoegd bij het niet nakomen van de vermelde mededelingsverplichting de uitkering geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten. Het vermelde sanctiebeleid is met ingang van 1 januari 1995 in werking getreden.

De Raad overweegt dienaangaande dat, aangezien appellant onverwijld mededeling moest doen van het feit dat hij in oktober 1992 tot gemeenteraadslid was gekozen en van de daarmee verbonden werkzaamheden hetgeen, op grond van de artikelen 78 van de AAW en 80 van de WAO van hem een eenmalige onverwijld te verrichten handeling vergde, en mede in aanmerking genomen dat onder onverwijld in ieder geval niet valt te verstaan een periode die de tijdspanne omvat gelegen tussen de datum met ingang waarvan appellant tot gemeenteraadslid gekozen was tot een datum waarop het genoemde sanctiebeleid in werking was getreden, dit beleid nog niet van toepassing was. Voorts bepaalt artikel 7 van de genoemde beleidsregels dat het sanctiebeleid niet van toepassing is op een verplichting als de onderhavige indien deze niet is nagekomen voor de datum van de inwerkingtreding van dat beleid. Doordat de desbetreffende sanctie toch in besluit 2 is opgelegd onder toepassing van dat beleid, berust dat besluit op een ondeugdelijke grondslag. Dat besluit komt dan ook wegens schending van het toenmalige artikel 4:16 (thans 3:46) van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad merkt nog op dat het gedaagde vrijstaat terzake van het niet nakomen van de desbetreffende verplichting een nieuw sanctiebesluit te nemen. In verband met de appellant toekomende rechtszekerheid zal gedaagde alsdan geen zwaardere sanctie mogen treffen dan in besluit 2 is getroffen.

Gezien het vorenoverwogene zal gedaagde worden verwezen in de proceskosten van gedaagde in eerste aanleg en hoger beroep welke worden begroot op f 2.820,- voor verleende rechtsbijstand.

Voorts zal worden bepaald dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover appellants beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard;

Verklaart appellants inleidend beroep tegen besluit 2 alsnog gegrond ;

Vernietigt besluit 2;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 1.420,- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van f 1.420,-;

Bepaalt dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

AB + Q