Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AB0474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2001
Datum publicatie
21-11-2005
Zaaknummer
99/4682 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Advocatenwet 1, geldigheid: 2001-02-22
Ambtenarenwet 1, geldigheid: 2001-02-22
Ambtenarenwet 125, geldigheid: 2001-02-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/156
AB 2001, 203
Gst. 2002-7174, 3
TAR 2002/77
Module Vastgoed en wonen 2001/316

Uitspraak

99/4682 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 3 augustus 1999, nr. 97/1069 AW 06, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C. Bender, advocaat te Arnhem. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te ’s-Hertogenbosch, en G. van Lenthe, werkzaam bij de gemeente [B.].

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Eiser is ingaande 1 april 1968 in dienst getreden van de gemeente [B.] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 januari 1969 omgezet in een aanstelling als ambtenaar in vaste dienst en wel in de functie van buffetbediende bij het [X.] (hierna ook: [X.]) aldaar. Ten behoeve van de instandhouding van [X.] is op 31 december 1969 een naamloze vennootschap in het leven geroepen onder de naam N.V. [X.] (hierna: de N.V.), waarvan de aandelen grotendeels in handen zijn van de gemeente [B.].

Aanvankelijk verhuurde de N.V. [X.] aan deze gemeente en hield deze laatste zich bezig met de exploitatie, doch vanaf 4 september 1991 heeft de N.V. ook de exploitatie op zich genomen. Inmiddels was eiser in 1983 bevorderd tot chef horeca. Vervolgens is hij ingaande 1 november 1989 tezamen met een aantal andere medewerkers in vaste dienst gedetacheerd bij genoemde N.V., terwijl het tijdelijke personeel bij haar in dienst is getreden.

In de nacht van 4 op 5 november 1995 heeft eiser na afloop van een feestavond een van de bezoekers van het feest lichamelijk letsel toegebracht. Naar de toedracht van dit gebeuren is door de directeur van [X.] een onderzoek ingesteld. Hangende dit onderzoek is het vermoeden gerezen dat eisers lezing van het gebeurde niet strookte met de werkelijkheid en voorts dat hij eigendommen van [X.] voor eigen gebruik had aangewend. In het kader van dit nadere onderzoek zijn diverse medewerkers van [X.] gehoord en vervolgens ook eiser, aanvankelijk alleen op 15 mei 1996 en nadien in het bijzijn van zijn toenmalige raadsman. Naar aanleiding daarvan is een aantal andere medewerkers (nogmaals) gehoord. Bij brief van 4 oktober 1996 is eiser door verweerder in kennis gesteld van het voornemen hem bij wijze van disciplinaire maatregel ontslag te verlenen. In verband daarmee heeft eiser gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zich te verantwoorden. Bij besluit van 14 november 1996 is eiser met toepassing van artikel 8:12 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling ingaande 19 november 1996 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt dat bij het thans bestreden besluit - in afwijking van het advies van de door verweerder geraadpleegde regionale bezwarencommissie personele aangelegenheden (hierna: de commissie) - ongegrond is verklaard."

De rechtbank heeft allereerst in de aangevallen uitspraak ambtshalve aan de orde gesteld de vraag of appellant, gegeven het feit dat hij reeds vanaf 1 november 1989 bij een naamloze vennootschap was gedetacheerd, tot aan zijn ontslag nog werkzaam was in openbare dienst en derhalve ambtenaar was in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. De rechtbank is er bij de beantwoording van die vraag vanuit gegaan dat langdurige detachering bij een niet tot de openbare dienst behorende instelling verlies van ambtenaarschap met zich kan brengen en heeft om die reden in het bijzonder bezien of de N.V. [X.] behoort tot de openbare dienst als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. Gezien de overwegende overheidsinvloed die met name de gemeente [B.], zowel statutair als feitelijk, heeft in genoemde N.V. heeft de rechtbank voormelde vraag positief beantwoord en geoordeeld dat gedaagde appellant terecht in diens bezwaar tegen het ontslagbesluit heeft ontvangen.

De Raad acht de beschouwingen die de rechtbank aan de status van de N.V. [X.] heeft gewijd op zichzelf niet onjuist, maar hij is van oordeel dat aan het antwoord op de vraag of die N.V. geacht kan worden tot de openbare dienst te behoren in het voorliggende geval op zichzelf geen beslissende betekenis toekomt. Hij overweegt daartoe dat hij, anders dan in eerdere uitspraken, bijvoorbeeld CRvB 11 maart 1999, AB 1999, 386, is gesteld, vanwege het gesloten stelsel van ontslaggronden dat ten aanzien van ambtenaren tot uitdrukking is gebracht in artikel 125 van de Ambtenarenwet en de daarop gebaseerde regelgeving en de aan dat stelsel in samenhang met het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet te ontlenen rechtszekerheid met betrekking tot de toegang tot de (bestuurs)rechter, nader van oordeel is dat ambtenaarschap dat door aanstelling als zodanig is ontstaan niet langs andere weg verloren kan gaan dan door ontslagverlening op een van de daartoe in de wet- en regelgeving vastgelegde grondslagen. Detachering van een ambtenaar behoort daartoe niet, zodat het ambtenaarschap behouden blijft ondanks de bezwaren die aan langdurige feitelijke tewerkstelling buiten de overheidsdienst verbonden kunnen zijn.

Met betrekking tot het aan appellant per 19 november 1996 verleende disciplinair ontslag overweegt de Raad het volgende

In de nacht van 4 op 5 november 1996 heeft zich nabij de ingang van [X.] een incident voorgedaan waarbij appellant betrokken was. Uit het onderzoek naar de toedracht van dat incident zijn gedaagde gegevens bekend geworden welke hem ertoe hebben geleid appellant het voornemen kenbaar te maken hem disciplinair ontslag te verlenen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de aan appellant gemaakte verwijten aldus samengevat, dat:"

hij in de nacht van 4 op 5 november 1995 in de uitoefening van zijn dienst nabij de ingang van [X.] een bezoeker van de feestavond met een stok/knuppel heeft geslagen en daardoor zodanig aan zijn hoofd heeft verwond dat hij zich daarvoor in het ziekenhuis heeft moeten laten behandelen;

hij een van zijn ondergeschikten heeft verboden om voor de betreffende bezoeker en ambulance te bellen;

hij in het kader van een naar dit gebeuren door de directeur van [X.] ingesteld onderzoek een ondertekende verklaring heeft afgelegd dat hij de betreffende bezoeker met de zijkant van zijn hand had geslagen en daarbij aanvankelijk is gebleven;

hij dit onderzoek voorts bewust heeft belemmerd in die zin dat hij de stok/knuppel - door hemzelf in de struiken gegooid en daar nadien door een van de drie medewerkers, die hij had gemaand om deze te gaan zoeken, weer aangetroffen en door deze aan hem overhandigd - vervolgens heeft doen verdwijnen;

genoemd incident niet op zichzelf staat doch dat er sprake is van doorgaand gedrag, in die zin dat eiser in het verleden ook een tweetal medewerkers van [X.] lichamelijk letsel heeft toegebracht;

hij op diverse tijdstippen in 1995 en 1996 zonder toestemming van de recht hebbende eigendommen van [X.] - te weten: TL-buizen, lampen en toiletpapier, oude bloembakken en planten uit bloembakken alsmede een aantal kratten frisdrank - en van een collega (een gebakschaal) heeft meegenomen, zulks waar het de oude bloembakken betreft met hulp van een ondergeschikte.".

De rechtbank heeft voorts, terecht, vermeld dat deze feiten door gedaagde ook aan het ontslagbesluit ten grondslag zijn gelegd en dat daaraan bij het bestreden besluit nog is toegevoegd: het aan ondergeschikten opdragen om onjuiste verklaringen af te leggen over het "stokincident" in november 1995.

Bij het bestreden besluit is het aan appellant verleende disciplinair ontslag gehandhaafd, waarbij gedaagde is afgeweken van het advies van de bezwarencommissie die de opgelegde straf onevenredig achtte aan de ernst van het, ook door die commissie onderkende, plichtsverzuim.

De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Ook voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat appellant zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Dat appellant zich bij gelegenheid van het "stokincident" louter uit zelfverdediging heeft verweerd tegen een opdringende meute dronken feestgangers, zoals zijnerzijds ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, strookt niet met de diverse verklaringen van aanwezigen die in het dossier voorhanden zijn, ook niet met de verklaring van mevrouw [C.] die door appellant in de procedure is ingebracht en evenmin met de verklaring die door appellant zelf is afgelegd nadat hij zijn aanvankelijke ontkenning had laten varen. Uit al die verklaringen komt duidelijk naar voren dat appellant de gelegenheid heeft gehad en benut om, voordat hij zich naar buiten begaf, een stok te pakken en die in of onder zijn kleding te verbergen en dat hij vervolgens buiten het gebouw en pas nadat de betreffende persoon na een struikelpartij was opgekrabbeld ook daadwerkelijk van de stok gebruik heeft gemaakt. Overigens merkt de Raad op dat in het geheel van het aan appellant verweten plichtsverzuim met name ook gewichtige betekenis toekomt aan hetgeen zich na het eigenlijke "stokincident" heeft voorgedaan. De Raad doelt hierbij op het feit dat appellant een drietal medewerkers opdracht heeft gegeven om de door hem weggegooide stok te gaan zoeken, tenminste een van hen heeft verboden om een ambulance te bellen, hen ertoe heeft aangezet om over het incident onjuiste verklaringen af te leggen en zelf aanvankelijk, zowel schriftelijk als op uitdrukkelijke vragen dienaangaande mondeling, heeft ontkend bij het incident van een hulpmiddel als een stok of knuppel te hebben gebruik gemaakt. De Raad onderschrijft in dit verband het oordeel van de rechtbank die hieraan bij de beantwoording van de vraag naar de evenredigheid tussen het gepleegde plichtsverzuim en de opgelegde disciplinaire straf belangrijke betekenis heeft gehecht tegen de achtergrond van de leidinggevende positie van appellant.

Appellants raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hetgeen appellant naast het "stokincident" wordt verweten buiten beschouwing hoort te blijven nu de nadruk in de loop van de procedure geheel en al op dat incident is komen te liggen.

Naar het oordeel van de Raad miskent appellants raadsman alsdus dat ook andere elementen, hier samen te vatten als eerdere incidenten waarbij appellant zich in zijn leidinggevende functie handtastelijk heeft betoond en vrijmoedigheid in het omgaan met aan de dienst toebehorende spullen, zowel in het bestreden besluit als in de aangevallen uitspraak, zij het summier, zijn belicht. De Raad ziet aan deze andere elementen vooral betekenis toekomen in relatie tot de van de zijde van appellant aangedragen stelling dat hij kan bogen op een langdurige vlekkeloze staat van dienst en dat daarmee bij de afweging van belangen en toepassing van het evenredigheidsbeginsel onvoldoende rekening is gehouden. Hij is van oordeel dat appellants stelling tegen de achtergrond van evenbedoelde elementen, welke voor de Raad genoegzaam aannemelijk zijn geworden, duidelijk nuancering behoeft. De Raad ziet dan ook geen grond om met betrekking tot de aan appellant opgelegde disciplinaire straf tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank is gegeven.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet hij geen grond.

Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2001.

(get.) W. van den Brink.

(get.) S.P. Madunic.

HD

21.02