Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2001:AA9927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
00/5711 WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter beschikking stellen als bedoeld in art. 37a Sr naar voorlopig oordeel niet vergelijkbaar met een gedwongen plaatsing op grond van art. 37.1 Sr of een opame op grond van Wet Bopz.

De president stelt voorop dat niet in geschil is dat verzoeker, gelet op het bepaalde in art. 1, aanhef en onder k van de WAO, op 1 mei 2000 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat gedaagde, gelet op het bepaalde in art. 43 van de WAO en het overgangsrecht bij de Wsg, gehouden was de WAO-uitkering van verzoeker ingaande 1 juni 2000 in te trekken.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat een ter beschikking stelling als bedoeld in art. 37a Sr vergelijkbaar is met een gedwongen plaatsing op grond van art. 37, eerste lid, Sr of een opname op grond van de Wet Bopz, welke maatregelen op grond van art. 1 van de WAO, anders dan een tbs, niet als het rechtens ontnemen van de vrijheid worden aangemerkt, merkt de president allereerst op dat naar voorlopig oordeel niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Deze drie vormen van gedwongen plaatsingen vertonen weliswaar diverse raakvlakken, doch verschillen onderling aanzienlijk met name ten aanzien van de gronden waarop tot plaatsing kan worden besloten en ten aanzien van het rechtsregime tijdens de plaatsing. Nu geen sprake is van gelijke gevallen komt de president niet toe aan de vraag of de verschillende behandeling van deze vormen van gedwongen plaatsingen in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

Daarbij merkt de president, strikt genomen ten overvloede, nog op dat het hier de toepassing van een bepaling van een wet in formele zin betreft, en dat de Raad zich in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat art. 120 Grondwet (mede) een verbod inhoudt om de wet (in formele zin) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest).

Van "niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in het onderhavige geval ook niet gebleken. Uit de wetsgeschiedenis van de Wsg blijkt immers dat de wetgever, mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State, expliciet aandacht heeft geschonken aan het onderscheid tussen de hiervoor genoemde drie groepen en -zij het summier- gemotiveerd daarbij is gebleven.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het verlof dat hij geniet gelijkgesteld moet worden met proefverlof als bedoeld in art. 51 Bvt, merkt de president op dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen het verlof als bedoeld in art. 50 Bvt, dat verzoeker geniet, en het proefverlof. Uit art. 53 van het Rvt volgt immers dat verlof als bedoeld in art. 50 Bvt onderscheiden wordt in verschillende vormen, beginnend met begeleid verlof en eindigend met onbegeleid verlof met meer dan twee overnachtingen. Nadat deze verschillende vormen van verlof zijn doorlopen kan proefverlof verleend worden dat geheel buiten de inrichting wordt doorgebracht. Voorts volgt uit het bepaalde in de artt. 41 en 79 Rvt dat tijdens het verlof bedoeld in art. 50 Bvt een zak- of kleedgeld wordt verstrekt aan verpleegden zonder inkomen, terwijl de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens proefverlof niet ten laste van de Staat komen.

Ter zitting is gebleken dat verzoeker op 1 juni 2000 onbegeleid verlof zonder overnachting genoot. Dit betreft dus een van de vormen van verlof als bedoeld in art. 50 Bvt. Voor een gelijkstelling van dit verlof met een proefverlof ziet de president, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding. Tevens is de president van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde verschillen tussen de beide vormen van verlof niet gezegd kan worden dat sprake is van gelijke gevallen. Dit laatste geldt evenzeer voor het door verzoeker genoemde penitentiair programma, nu dat programma slechts kan worden gevolgd door personen aan wie een vrijheidsstraf is opgelegd en de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens dit programma niet ten laste van de Staat komen (...).

Volgt afwijzing verzoek.

Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

mr. T.L. de Vries

Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) XV

WAO 43.5, 47b

Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) 50, 51

Reglement verpleging ter beschikking gestelden (Rvt) 53

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden 50
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden 51
Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 47b
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 1k
Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden XV
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5711 WAO-VV

U I T S P R A A K

VAN

DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake een verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. INLEIDING

Bij besluit van 6 september 2000 heeft gedaagde het bezwaar van verzoeker tegen gedaagdes besluit van 29 mei 2000, waarbij de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 1 juni 2000 is ingetrokken, ongegrond verklaard.

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 26 oktober 2000 het tegen het besluit van 6 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens verzoeker heeft mr S.A. Roodhof, advocaat te Leeuwarden, op bij beroepschrift -met bijlagen- aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Tevens heeft mr Roodhof bij brief van 13 november 2000 verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is, tesamen met een soortgelijk verzoek, behandeld ter zitting, gehouden op 20 december 2000, waar voor verzoeker is verschenen mr B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Daarbij kan de president tevens in de afweging betrekken in hoeverre er naar zijn oordeel een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat omtrent de vraag of de aangevallen uitspraak dan wel het bestreden besluit in het bodemgeschil al of niet in stand zullen blijven.

Voor zover toetsing meebrengt dat het geschil in de bodem-procedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Overwogen wordt als volgt.

Verzoeker, die al geruime tijd in de Dr S. van Mesdag-kliniek te Groningen verblijft in het kader van een ter beschikking stelling (tbs) als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), heeft vanaf 8 juli 1981 een uitkering ingevolge de WAO ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op deze uitkering werd laatstelijk een eigen bijdrage op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingehouden.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 29 mei 2000 heeft gedaagde deze uitkering ingaande 1 juni 2000 inge-trokken, op grond van het bepaalde in de Wet sociale zeker-heidsrechten gedetineerden van 22 december 1999, Stb. 595 (Wsg), omdat verzoeker gedetineerd is en zijn detentie langer duurt dan één maand.

De president van de rechtbank heeft het beroep van ver-zoeker ongegrond verklaard, overwegende dat gedaagde terecht heeft geoordeeld dat uit het bepaalde in artikel 43, vijfde lid, van de WAO in samenhang met artikel XV van de Wsg volgt dat verzoeker ingaande 1 juni 2000 geen recht heeft op een WAO-uitkering en dat de situatie waarin verzoeker verkeert niet is genoemd in artikel 47b, vierde lid van de WAO. Voorts is overwogen dat er evenmin aanleiding bestaat om de in laatstgenoemd artikel genoemde situaties analoog toe te passen, nu de daar genoemde afwijkingen van artikel 43, vijfde lid, van de WAO limitatief zijn en verzoeker niet verkeert in een situatie waarin de Staat zijn kosten van levensonderhoud niet meer draagt.

Bij verzoekschrift van 13 november 2000 heeft verzoeker de president verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat gedaagde aan verzoeker een voorlopige uitkering verstrekt. Ter onderbouwing van het verzoek is betoogd dat verzoeker sedert 1 juni 2000 in een financiële noodsituatie verkeert, aangezien hij slechts een zak- en kleedgeld van circa f 400,- per maand ontvangt, terwijl hij in het kader van zijn resocialisatie-traject veel meer kosten moet maken. Voorts heeft verzoeker erop gewezen dat hij één dag per week buiten de kliniek verblijft in verband met studie en dat hij verder veel bij zijn partner en kinderen mag verblijven, zodat de feitelijke situatie waarin hij ver-keert niet veel afwijkt van het proefverlof. Ter zitting is verder nog aangevoerd dat de situatie van verzoeker niet wezenlijk verschilt van gedwongen plaatsingen als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en in artikel 37, eerste lid, Sr, in welke gevallen de WAO-uitkering niet wordt ingetrokken, zodat sprake is van een schending van het gelijkheids-beginsel. Ten slotte is ter zitting namens verzoeker mede-gedeeld dat aan het verzoek om een voorlopige voorziening niet een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentale vrijheden ten grondslag ligt, aan-gezien dat argument zich meer leent voor een behandeling in de bodemprocedure.

Op 1 mei 2000 is de Wsg in werking getreden, strekkende tot wijziging van onder meer de WAO, in verband met het uitsluiten van het recht op een sociale verzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming binnen een justitiële inrichting. Ingevolge deze wet is, onder meer, aan artikel 43 van de WAO een vijfde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de WAO-uitkering wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op die uitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder k, van de WAO zijn slechts plaatsingen op grond van de Wet Bopz en artikel 37, eerste lid, Sr, uitgezonderd van het begrip "rechtens zijn vrijheid is ontnomen".

Voorts is sindsdien in artikel 47b van de WAO bepaald dat de persoon wiens WAO-uitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, WAO is ingetrokken, vanaf de dag waarop hij in vrijheid wordt gesteld weer recht heeft op WAO-uitkering indien hij dan nog arbeidsongeschikt is. Zulks geldt, op grond van het vierde lid van dit artikel, evenzeer voor nader aan te wijzen categorieën personen waarbij de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. Als zodanige categorieën zijn in het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid van 28 januari 2000 (Stb. 53), aangewezen, degenen die:

1. deelnemen aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

2. proefverlof genieten als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt), Stb. 1997, 280.

Krachtens het bepaalde in artikel 50 Bvt kan aan de betrok-kene, als het verantwoord is hem tijdelijk de inrichting te doen verlaten, verlof verleend worden zich al dan niet onder toezicht buiten de inrichting te begeven. In artikel 53 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden (Rvt) Stb. 1997, 217, is nader bepaald dat dit verlof in de navolgende vormen wordt onderscheiden:

a. begeleid verlof;

b. semi-begeleid verlof;

c. groepsverlof;

d. onbegeleid verlof zonder overnachting;

e. onbegeleid verlof met een of twee onvernachtingen;

f. onbegeleid verlof met meer dan twee overnachtingen.

In artikel 51 Bvt is ten slotte bepaald dat indien de gevaarlijkheid van de betrokkene dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is hem bij wijze van proef in de maatschappij te doen terugkeren proefverlof verleend kan worden.

De president stelt voorop dat niet in geschil is dat verzoeker, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder k van de WAO, op 1 mei 2000 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat gedaagde, gelet op het bepaalde in artikel 43 van de WAO en het overgangsrecht bij de Wsg, gehouden was de WAO-uitkering van verzoeker ingaande 1 juni 2000 in te trekken.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat een ter beschikking stelling als bedoeld in artikel 37a Sr vergelijkbaar is met een gedwongen plaatsing op grond van artikel 37, eerste lid, Sr of een opname op grond van de Wet Bopz, welke maatregelen op grond van artikel 1 van de WAO, anders dan een tbs, niet als het rechtens ontnemen van de vrijheid worden aangemerkt, merkt de president allereerst op dat naar voorlopig oordeel niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Deze drie vormen van gedwongen plaatsingen vertonen weliswaar diverse raakvlakken, doch verschillen onderling aanzienlijk met name ten aanzien van de gronden waarop tot plaatsing kan worden besloten en ten aanzien van het rechtsregime tijdens de plaatsing. Nu geen sprake is van gelijke gevallen komt de president niet toe aan de vraag of de verschillende behandeling van deze vormen van gedwongen plaatsingen in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

Daarbij merkt de president, strikt genomen ten overvloede, nog op dat het hier de toepassing van een bepaling van een wet in formele zin betreft, en dat de Raad zich in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120 Grondwet (mede) een verbod inhoudt om de wet (in formele zin) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Van "niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in het onderhavige geval ook niet gebleken. Uit de wetsgeschiedenis van de Wsg blijkt immers dat de wetgever, mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State, expliciet aandacht heeft geschonken aan het onderscheid tussen de hiervoor genoemde drie groepen en -zij het summier- gemotiveerd daarbij is gebleven.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het verlof dat hij geniet gelijkgesteld moet worden met proefverlof als bedoeld in artikel 51 Bvt, merkt de president op dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen het verlof als bedoeld in artikel 50 Bvt, dat verzoeker geniet, en het proefverlof. Uit artikel 53 van het Rvt volgt immers dat verlof als bedoeld in artikel 50 Bvt onderscheiden wordt in verschillende vormen, beginnend met begeleid verlof en eindigend met onbegeleid verlof met meer dan twee over-nachtingen. Nadat deze verschillende vormen van verlof zijn doorlopen kan proefverlof verleend worden dat geheel buiten de inrichting wordt doorgebracht. Voorts volgt uit het bepaalde in de artikelen 41 en 79 Rvt dat tijdens het verlof bedoeld in artikel 50 Bvt een zak- of kleedgeld wordt verstrekt aan verpleegden zonder inkomen, terwijl de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens proefverlof niet ten laste van de Staat komen. Ter zitting is gebleken dat verzoeker op 1 juni 2000 onbegeleid verlof zonder overnachting genoot. Dit betreft dus een van de vormen van verlof als bedoeld in artikel 50 Bvt. Voor een gelijkstelling van dit verlof met een proefverlof ziet de president, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding. Tevens is de president van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde verschillen tussen de beide vormen van verlof niet gezegd kan worden dat sprake is van gelijke gevallen.

Dit laatste geldt evenzeer voor het door verzoeker genoemde penitentiair programma, nu dat programma slechts kan worden gevolgd door personen aan wie een vrijheidsstraf is opge-legd en de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens dit programma niet ten laste van de Staat komen.

Uit het vorenstaande volgt dat op grond van de namens verzoeker aangevoerde argumenten niet gezegd kan worden dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet stand zal kunnen blijven. De president is derhalve van oordeel dat er geen grond bestaat voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Daarbij merkt de president nog op dat ook niet is gebleken van een financiële noodsituatie voor verzoeker, nu hij sedert 1 juni 2000 een zak- en kleedgeld ontvangt dat ongeveer f 100,- per maand lager is dan hetgeen hij voor die datum, na inhouding van de eigen bijdrage AWBZ en andere verplichtingen, maandelijks ontving aan WAO-uitkering.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De president van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr M.B.M. Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2001.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

IS

+Q