Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZF4246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
98/6726 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:63
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 41 met annotatie van H.E. Bröring
RSV 2001, 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/6726 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A], wonende te [B], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is mr M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te Den Haag, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 31 juli 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is bij brief van 13 september 2000 nog een stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 september 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr F. Bosma-Boot, advocaat te Den Haag, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.J.F. Bollen, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op 14 mei 1988 in dienst getreden bij de Algemene Stichting Bejaardenzorg te [B] in de functie van gediplomeerd instellingskok bij het verzorgingscentrum [X]. Nadat appellant door zijn werkgever met ingang van 5 september 1996 op non-actief was gesteld, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 3 december 1996 de arbeidsovereenkomst wegens verandering van omstandigheden per 15 december 1996 ontbonden, met veroordeling van de werkgever tot betaling van een bedrag ter hoogte van een maandsalaris.

Bij besluit van 23 januari 1997 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 16 december 1996 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend onder toepassing van een maatregel in de vorm van een korting van 35% gedurende 26 weken op de grond dat appellant geacht wordt verwijtbaar werkloos te zijn. Hierbij is overwogen dat appellant is ontslagen vanwege het feit dat hij niet meer goed functioneerde en dat hij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zijn gedrag ontslag tot gevolg zou kunnen hebben. Bij de bepaling van de zwaarte van de opgelegde maatregel is rekening gehouden met de omstandigheid dat appellant bij de aanvang van zijn dienstverband enige tijd wel goed heeft gefunctioneerd en met het feit dat de werkwijze in de keuken tijdens zijn dienstverband is gewijzigd.

Bij besluit op bezwaar van 3 juli 1997 heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd.

Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe -samengevat- overwogen dat blijkens verslagen van functioneringsgesprekken appellants werkgever (in de persoon van de chefkok [C]) vanaf november 1995 heeft getracht het functioneren van appellant te wijzigen en dat niet onderbouwd is aangetoond dat deze verslagen geen goed beeld geven van appellants functioneren. Ofschoon, aldus de rechtbank, niet onaannemelijk is dat na november 1995 als gevolg van een nieuwe leiding en nieuwe technische voorzieningen de omstandigheden waaronder appellant zijn werkzaamheden verrichtte wijzigden, mag van een werknemer als een gediplomeerd kok worden verwacht dat hij met die veranderde omstandigheden weet om te gaan. De rechtbank is van oordeel dat appellant bij de uitvoering van concrete opdrachten verscheidene keren ernstig in gebreke is gebleven. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat gedaagde op goede grond heeft aangenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

Met betrekking tot de opgelegde maatregel is de rechtbank ten slotte van opvatting dat niet gezegd kan worden dat deze niet in overeenstemming is met de ernst van de overtreding en evenmin is gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen.

Naar zijn oordeel is er geen sprake van verwijtbare werkloosheid. Hij heeft in dit verband gesteld dat hij zich ten volle heeft ingespannen zich aan te passen aan de gewijzigde functie-eisen. Er kan niet worden gezegd dat het wel in zijn vermogen lag zijn wijze van optreden meer in overeenstemming te brengen met hetgeen de nieuwe leidinggevende van hem verwachtte. Naar zijn mening is er in de gegeven omstandigheden eerder sprake van "niet kunnen" dan van "niet willen". De kritiek op het niet functioneren van appellant trad eerst op vanaf november 1995 toen [C] de leiding over de keuken overnam. De begeleiding van deze chef liet, aldus appellant, veel te wensen over.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat in het bijzonder de gedragingen zoals die zich hebben voorgedaan na 1 augustus 1996 voor appellants werkgever de aanleiding hebben gevormd tot het starten van een ontslagprocedure. Gelet op de artikelen XVI en XVII van de Wet boeten, maatregelen terug- en invordering sociale zekerheid, in werking getreden op 1 augustus 1996, behoren dan ook de bepalingen van de WW te worden toegepast zoals die met ingang van die datum luiden.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Van verwijtbare werkloosheid is volgens het tweede lid, onder a, van dit artikel sprake indien de werknemer zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Appellant werkte vanaf 1998 als kok in de keuken van het [X]. Naast appellant werkten daar toen als kok [D] als chefkok en [C] (hierna: [C]). De laatstgenoemde was reeds voor 1988 in de betreffende instelling als kok werkzaam. In november 1995 is de toenmalige chefkok met vervroegd pensioen gegaan. [C] is hem toen in deze functie opgevolgd.

Vanaf het moment dat [C] als chef was benoemd, zijn met appellant functioneringsgesprekken gehouden. Het eerste verslag van een dergelijk gesprek dateert van 29 november 1995. Naar door appellant ter zitting van de Raad is verklaard, heeft zijn vroegere chef niet of nauwelijks functioneringsgesprekken met hem gehouden.

Uit de tot de gedingstukken behorende verslagen van de door [C] met appellant gehouden functioneringsgesprekken blijkt dat [C] van meet af aan de opvatting was toegedaan dat appellant niet over de nodige vakkundigheid beschikt om als zelfstandig werkend kok werkzaam te kunnen zijn.

Appellant is door [C] voorgehouden dat hij tekortschiet ter zake van het goed inplannen van de te verrichten werkzaamheden waardoor bepaalde werkzaamheden naar een later tijdstip opschuiven en produkten worden "afgeraffeld" die op hun beurt onverantwoord worden gepresenteerd. Ook heeft [C] appellant meegedeeld dat hij geen energie meer in appellant wil steken "daar dit verloren tijd is".

Naar aanleiding van het gestelde in het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit van 23 januari 1997 heeft gedaagde aan de Algemene Stichting Bejaardenzorg nog een aantal vragen gesteld. Deze vragen zijn vervolgens door [C] beantwoord. Op de vraag hoe appellant functioneerde onder zijn vroegere chef [D] is geantwoord dat appellant ook toen reeds regelmatig is gecorrigeerd en dat een veel voorkomende klacht was dat hij de kookwerkzaamheden niet op elkaar kon afstemmen.

Voorts is aangegeven dat appellant niet beschikt over voldoende vakkennis en werktempo en dat het functioneren onder [C] slechter is geworden. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard dat het op de juiste wijze plannen van de kookwerkzaamheden voor hem wel eens een struikelblok vormde en dat hij ten tijde dat [C] de leiding overnam door problemen rond zijn echtscheiding "niet steeds goed bij de les was".

Van [D] heeft appellant, naar hij heeft verklaard, geen noemenswaardige opmerkingen over zijn functioneren gehoord. Inmiddels werkt hij bij een andere instelling als kok en hier functioneert hij naar zijn zeggen naar tevredenheid.

Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende gedingstukken komt het beeld naar voren dat appellant ten tijde hier in geding niet bleek te voldoen aan door zijn (nieuwe) chef gestelde eisen.

Doch deze conclusie als zodanig vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond voor het oordeel van gedaagde dat appellant zich in het kader van de toepassing van de WW verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag, namelijk het in de ogen van de nieuwe chef beschikken over onvoldoende capaciteiten voor de functie van kok, tot de beëindiging van zijn dienstbetrekking zou kunnen leiden.

Indien sprake is van een wisseling van chef, zoals in het geval van appellant, moet er door de betrokken werknemer onder meer rekening mee worden gehouden dat de nieuwe leidinggevende aan de eerder gehanteerde manier van werken een andere invulling geeft. Een werknemer dient in het algemeen gevolg te geven aan eisen die door of namens zijn werkgever zijn gesteld. Hierbij dient het te gaan om redelijke eisen waarbij onder meer van belang is dat de betrokken werknemer in staat moet worden geacht hieraan te voldoen. Naar het oordeel van de Raad bieden de voorhanden gegevens onvoldoende grondslag voor de stelling dat dit laatste in de situatie van appellant het geval is geweest.

Gedaagde heeft in het bestreden besluit nog overwogen dat appellants werkgever hem alle kans heeft geboden zijn functioneren door middel van begeleiding te verbeteren maar dat appellant deze kans niet heeft aangegrepen hetgeen hem volgens gedaagde te verwijten valt.

In de verschillende, tot de gedingstukken behorende verslagen van de met appellant gehouden functioneringsgesprekken is te lezen dat appellant begeleiding is aangeboden. Gelet echter op het feit dat [C] uitdrukkelijk heeft verklaard dat appellant naar zijn mening de nodige vakkundigheid mist, dat hij verdere gesprekken totaal nutteloos achtte en hij ook geen energie meer in appellant wilde steken, sluit de Raad niet uit dat, zo er al begeleiding is aangeboden, deze niet van een zodanige aard en omvang was dat appellant hiermee zijn, in de ogen van zijn chef bestaande tekortkomingen tot aanvaardbare proporties had kunnen verkleinen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag berust.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen dan ook niet in stand blijven.

De Raad overweegt voorts nog het volgende.

Appellant heeft de rechtbank verzocht twee getuigen toe te laten, welk verzoek blijkens de aangevallen uitspraak door de rechtbank is afgewezen met de motivering dat zij niet vermag in te zien dat appellant niet al in de kantongerechtprocedure dan wel in de procedure van bezwaar met een of meer getuigen zijn standpunt zou hebben kunnen adstrueren. Voorts heeft de rechtbank ter onderbouwing van haar beslissing nog overwogen dat een van de genoemde getuigen ten tijde van appellants dienstverband niet bij de Algemene Stichting Bejaardenzorg werkzaam was.

Ingevolge artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank alleen afzien van het horen van getuigen indien zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het feit dat de door appellant -tijdig- aangekondigde getuigen reeds in een of meerdere procedures verklaringen hadden kunnen afleggen, vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende reden om afwijzend op het verzoek te beslissen. Ook het enkele feit dat een van de getuigen niet tegelijk met appellant werkzaam was, kan de beslissing van de rechtbank niet dragen.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand en op f 1.420,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Derhalve moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant begroot op f 1.420,-- in beroep en op f 1.420,-- in hoger beroep;

Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht van f 215,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het oopenbaar op 8 november 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) I. de Hartog.

JdB 0611