Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2000
Datum publicatie
11-10-2002
Zaaknummer
98/1725 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2000-12-27
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 50, geldigheid: 2000-12-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/41

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

98/1725 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij brief van 20 februari 1997 heeft gedaagde het volgende ter kennis van appellant gebracht:

"U heeft ons op maandag 10 februari 1997 bezocht met de mededeling dat u van ons verwacht dat de aan u uit te betalen uitkering direct uitgekeerd dient te worden. Wij verwezen u derhalve naar de brief d.d. 4 december 1996 waarin wij u duidelijk hebben gemaakt dat wij maandelijks tussen de 10e en de 15e de uitbetaling op uw rekening verrichten. Indien blijkt dat na de 15e van elke maand geen betaling is gestort kan u met ons in contact treden. Uit dit gesprek bleek tevens dat communicatie met u buitengewoon moeizaam is. Na overleg met de afdeling beveiliging van ons kantoor is het volgende besloten:

Wij verzoeken u om niet meer spontaan ons gebouw te bezoeken of te bellen. Dit betekent dat u slechts toegelaten wordt indien u hiertoe schriftelijk door ons wordt uitgenodigd. (...) Indien u ons gebouw op eigen initiatief wilt bezoeken dient u vooraf telefonisch een afspraak te maken. "

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 17 februari 1998 het beroep van appellant ter zake van dat schrijven niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij hoger beroepschrift, met bijlagen, en bij aanvullende beroepschriften, eveneens met bijlagen, aangevoerde gronden.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden waarop appellant in een schrijven van 13 augustus 1998, met bijlagen, heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 oktober 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M. Elfferich, werkzaam bij Gak Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vanwege gedaagde zijn aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering ingevolge de AAW komt niet tot uitbetaling. Tot november 1996 werd appellants uitkering ingevolge de WAO per kas contant betaalbaar gesteld via het kantoor Amsterdam-Sloterdijk van gedaagdes administrateur, het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (Gak). In die maand heeft op dat kantoor een gewapende roofoverval plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is de kas van het kantoor van het Gak te Amsterdam-Sloterdijk opgeheven en worden de uitkeringen via de giro aan de gerechtigden betaald tussen de 10de en de 15de van de desbetreffende maand. Alvorens de kas op te heffen heeft het Gak bij algemene brief de gerechtigden verzocht hun gironummer mede te delen. Appellant heeft aan dit verzoek gevolg gegeven en zijn gironummer aan het Gak ter kennis gebracht. Met ingang van de maand januari 1997 is appellants uitkering ingevolge de WAO over een bepaalde maand betaalbaar gesteld tussen de 10de en de 15de van de desbetreffende maand door storting van het bedrag aan uitkering op zijn girorekening.

Appellant wenst evenwel de betaling contant over een bepaalde maand te ontvangen op de eerste dag van de volgende maand. Hij heeft de wens daartoe verschillende keren - onder andere op, volgens gedaagde 10, volgens appellant 11 februari 1997 - in persoon aan het Gak kenbaar gemaakt.

Appellants laatstbedoelde verzoek aan het kantoor van het Gak te Amsterdam-Sloterdijk is voor gedaagde aanleiding geweest appellant de brief van 20 februari 1997 te zenden.

Met betrekking tot appellants beroep ter zake van dit schrijven heeft de rechtbank het volgende overwogen.

"De rechtbank is (...) van oordeel dat bedoelde brief niet als een besluit als bedoeld in (lees:) de artikelen 1:3 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Een besluit in evenbedoelde zin is immers een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In het onderhavige geval ontleent het bestuursorgaan de bevoegdheid om eiser te verzoeken niet spontaan het gebouw van Gak Nederland B.V. te bezoeken en te bellen niet aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Derhalve is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit brengt mee dat de rechtbank (afdeling bestuursrecht) niet over het geschil dat partijen verdeeld houdt, kan oordelen. Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten overvloede overweegt de rechtbank ter voorlichting aan eiser nog het volgende. Ter zitting is gebleken dat de gebeurtenissen die de aanleiding hebben gevormd tot de brief van 20 februari 1997 te maken hebben met een geschil tussen eiser en verweerder over het tijdstip van uitbetaling van de AAW/WAO-uitkering die eiser van verweerder ontvangt. Verweerder doet de uitkering uitbetalen tussen de tiende en de vijftiende van de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Eiser meent dat de uitkering per de eerste van de maand dient te worden betaald omdat per die datum ook werknemers hun salaris zouden ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank verbiedt echter geen rechtsregel verweerder om de uitkering van eiser tussen de tiende en de vijftiende van de maand te doen betalen. De omstandigheid dat werknemers die maandelijks hun salaris ontvangen veelal aan het eind van de desbetreffende maand de beschikking over hun salaris krijgen, brengt niet mee dat verweerder gehouden zou zijn eisers uitkering ook op dat tijdstip te voldoen."

Vervolgens heeft de rechtbank appellants beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank en op de grond die zij daartoe heeft gebezigd is de Raad van oordeel dat de in de brief vervatte mededeling van gedaagde dat appellant slechts tot het gebouw van het Gak wordt toegelaten indien hij daartoe schriftelijk door gedaagde is uitgenodigd en dat appellant, indien hij op eigen initiatief het gebouw van gedaagdes administrateur wil bezoeken vooraf telefonisch een afspraak moet maken geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb inhoudt.

Gelet op artikel 8:1 van de Awb, had de rechtbank appellant te dien aanzien echter niet niet-ontvankelijk mogen verklaren doch zij had zich in zoverre onbevoegd moeten verklaren.

Voorts bevat het schrijven van gedaagde d.d. 20 februari 1997, gelet ook op hetgeen desgevraagd van de zijde van partijen ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, de schriftelijke beslissing inhoudende de weigering van gedaagde appellants uitkering over een bepaalde maand op een andere wijze te betalen dan via zijn girorekening op een tijdstip gelegen tussen de 10de en de 15de van de desbetreffende maand.

De Raad is van oordeel dat deze weigering een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt. In dit verband wijst de Raad erop dat artikel 50, eerste lid, van de WAO het voorschrift bevat dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering door bedrijfsvereniging betaalbaar wordt gesteld en dat de betaling als regel geschiedt in termijnen van niet langer dan een maand. Voorts houdt een beslissing als de onderhavige welke betrekking heeft op de wijze van betalen en het tijdstip van betaling van een lopende uitkering zozeer verband met de (verwezenlijking van de) in de WAO geregelde aanspraak van een verzekerde op uitkering dat aan die beslissing het besluitkarakter niet kan worden ontzegd.

Uit appellants bij de rechtbank ingediende beroepschrift en hetgeen hij in hoger beroep naar voren heeft gebracht moet de Raad voorts afleiden dat appellant zich eveneens tegen het juist vermelde besluit heeft gekeerd. De rechtbank heeft evenwel daarop ten principale geen beslissing gegeven, zodat zij de betekenis van de artikelen 1:3, eerste lid, en 8:1, eerste lid, van de Awb heeft miskend. Dat de rechtbank te dien aanzien in een overweging ten overvloede ter voorlichting van appellant haar oordeel heeft gegeven omtrent de rechtmatigheid van de door appellant betwiste handelwijze van gedaagde doet daaraan niet af.

Gezien het zojuist overwogene komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de juist vermelde handelwijze van gedaagde zal de Raad de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar zal hij een eindbeslissing geven.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van gedaagdes besluit inhoudend de weigering appellants uitkering over een bepaalde maand op een andere wijze te betalen dan via zijn girorekening op een tijdstip gelegen tussen de 10de en de 15de van de desbetreffende maand overweegt de Raad dat niet gebleken is van omstandigheden die nopen tot het oordeel dat gedaagde in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen dan wel dat gedaagde dusdoende anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven regel of een algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat het desbetreffende besluit van gedaagde in rechte stand houdt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de rechtbank onbevoegd ter zake van gedaagdes in zijn schrijven van 20 februari 1997 vervatte mededeling dat appellant slechts tot het gebouw van het Gak wordt toegelaten indien hij daartoe schriftelijk door gedaagde is uitgenodigd en dat appellant, indien hij op eigen initiatief het gebouw van gedaagde administrateur wil bezoeken vooraf telefonisch een afspraak moet maken;

Verklaart het beroep van appellant ongegrond tegen het in het schrijven van 20 februari 1997 vervatte besluit inhoudende de weigering appellants uitkering over een bepaalde maand op een andere wijze te betalen dan via zijn girorekening op een tijdstip gelegen tussen de 10de en de 15de van de desbetreffende maand.

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van f 215,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2000.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) B. Fijnheer.

AB