Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
98/8893 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inlichtingenplicht. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Verlaging. Evenredigheidsbeginsel.

Geldlening. Ten onrechte geen rekening gehouden met belastingschulden.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 14, geldigheid: 2000-12-12
Algemene bijstandswet 65, geldigheid: 2000-12-12
Algemene bijstandswet 14, geldigheid: 2000-12-12
Algemene bijstandswet 24, geldigheid: 2000-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/31
JABW 2001, 16

Uitspraak

98/8893 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, op bij het beroepschrift aangegeven

gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 18 november 1998

tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

De gemachtigde van appellant heeft eveneens nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 oktober 2000, waar appellant in persoon is verschenen

met bijstand van mr Aarnoudse voornoemd, en waar gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft

doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder

- ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Aanvang 1995 heeft eiser na een bedrijfsbeëindiging een aanvraag om uitkering ingevolge de

Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) ingediend, welke aanvraag wegens het

verstrekken van onvoldoende inlichtingen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden

vastgesteld, is afgewezen.

Eiser is tegen deze afwijzing niet in bezwaar gekomen. Kort daarop werd eiser door de heer

C. benaderd om medevennoot te worden van de X. VOF (hierna te noemen: VOF). De VOF, waarvan

noch onderhands, noch notariëel een oprichtingsakte is opgemaakt, werd op 1 april 1995

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Deventer. Volgens afspraak op basis van een

gentleman's agreement zou eiser, die geen kapitaal, doch slechts arbeid inbracht en wiens

functie bestond uit het adviseren aan de heer C. terzake van investeringen in verschillende

bedrijven, voor 50% in de winst delen. In september 1995 is eiser tevens voor een bedrag

ad f 55.000,--, volgens eiser afkomstig uit de VOF, deelgenoot geworden in een casino.

Omdat het casino niet goed bleek te lopen, heeft eiser zich hieruit enige tijd later

teruggetrokken. Eiser zou niets hebben verdiend, doch slechts quitte hebben gespeeld.

Vervolgens heeft eiser op 1 februari 1996 als huurder voor een bedrag ad f 50.000,-- café

Y. aan de P.straat te B. overgenomen, welk bedrag eiser eveneens aan de VOF zou hebben

onttrokken. In verband met het feit dat dit café niet liep, heeft eiser het café in

oktober 1996, volgens eigen zeggen voor een bedrag ad f 6.000,-- weer van de hand gedaan.

Van deze transactie staat evenwel niets op papier. Het enige dat eiser in dit verband kan

overleggen is een bewijs van uitschrijving van de Kamer van Koophandel. Op 14 januari 1997

diende de echtgenote van eiser, mevrouw D., een aanvraag voor bijstand inzake de kosten

van levensonderhoud en woonkostentoeslag in, omdat zij door haar echtgenoot zou zijn

verlaten. Bij het intake-gesprek bleek evenwel dat er tussen beide echtelieden nog wel

contact was en dat een echtscheiding (nog) niet werd overwogen, in verband waarmee eisers

echtgenote werd medegedeeld dat zowel door haar als haar echtgenoot een bijstandsaanvrage

moest worden ingediend.

Vervolgens werd op 27 januari 1997 een gezamenlijke aanvraag om bijstand ingediend.

Omdat tijdens de aanvraagprocedure geconstateerd werd dat eiser niet alle voor het

vaststellen van het recht op bijstand benodigde informatie had overgelegd - zo bleek

eiser de beschikking te hebben gehad over een auto, die een waarde van circa

f 40.000,-- vertegenwoordigde - werd eiser hiervoor alsnog een hersteltermijn geboden.

Daar eiser naar het oordeel van verweerder wederom in gebreke bleef, heeft verweerder de

aanvraag om bijstand bij besluit d.d. 24 maart 1997 (verzonden d.d. 26 maart 1997)

afgewezen. Hierbij is o.m. overwogen dat, nu eiser geen duidelijkheid inzake zijn

inkomens- en vermogenspositie heeft gegeven en eiser zich in een positie heeft

gemanoeuvreerd, dat niet meer op grond van enigszins betrouwbare gegevens kan worden

vastgesteld of en in hoeverre over financiële middelen werd of wordt beschikt en op

welke wijze eventuele intering heeft plaatsgevonden, het recht op bijstand niet kan

worden vastgesteld.

Namens eiser is tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij bezwaarschrift d.d. 7 april 1997.

(...)

Bij besluit d.d. 7 juli 1997 heeft verweerder besloten het primaire besluit te herzien en

eiser met ingang van 14 januari 1997, zijnde de datum van aanvraag, bijstand toe te kennen

naar de norm voor een gezin.

Voorts is hierbij besloten op de te verlenen bijstand met ingang van 14 januari 1997 voor

de duur van twee maanden een sanctie van 20% wegens schending van de in artikel 65 van de

Abw neergelegde informatieplicht toe te passen.

In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser, behalve het niet verstrekken van

relevante informatie over de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening, tevens heeft

nagelaten uit eigen beweging mee te delen dat hij ten tijde van de bijstandsaanvraag

beschikte over een auto, waarvan de waarde op dat moment ca. f 40.000,-- bedroeg.

Voorts is bij het bestreden besluit overwogen met ingang van 14 maart 1997 op de te

verlenen bijstand een sanctie van 20% wegens een betoond tekortschietend besef van

verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten (artikel 14, eerste lid,

van de Abw) toe te passen.

In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser door het door de

verzekeringsmaatschappij aan hem uitgekeerde verzekeringsbedrag ad f 42.000,--, zulks

in verband met diefstal van zijn auto, door te storten naar de heer C. ter betaling

van een niet-aantoonbare schuld, een keuze heeft gemaakt die niet op de bijstand kan

worden afgewenteld.

Voor wat betreft de bijstand die verleend wordt wegens een tekortschietend besef van

verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten is besloten deze tot een

bedrag ad f 23.000,-- in de vorm van een geldlening te verstrekken, die wordt

terugbetaald middels een maandelijkse inhouding van 10% op de van toepassing zijnde

bijstandsnorm (art. 24, sub b, van de Abw). Hierbij is overwogen dat, nu sprake

is van een vermogen dat uitgaat boven het zogenaamde vrij te laten bescheiden vermogen,

eiser geacht wordt dit vermogen in te teren tot de grens van het vrij te laten

bescheiden vermogen, overeenkomstig de hiertoe in de jurisprudentie ontwikkelde

interingsnorm.

Uitgaande van een vermogen van f 42.000,-- had eiser nog de beschikking kunnen hebben

over f 23.000,-- (vermogen minus f 19.000,-- vrij te laten bescheiden vermogen).

Uitgaande van de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm plus een particuliere

ziektekostenverzekering (in casu f 1.981,50 maal 1,5 = f 2.972,25 plus f 431,-- =

f 3.403,25 per maand) had eiser ca. 6,5 maand van dit vermogen kunnen leven alvorens

bijstand verleend had behoeven te worden.

Bij besluit d.d. 21 juli 1997 heeft verweerder het besluit d.d. 7 juli 1997 in zoverre

herzien, dat de bijstand, die in de vorm van een geldlening wordt verleend wegens een

tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten

alsnog is teruggebracht naar een bedrag ad f 14.046,56,--".

Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en vormen ook voor de Raad het

uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 21 juli 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft

verschaft omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en daarmee de in artikel 65 van de Algemene

bijstandswet (Abw) neergelegde informatieplicht heeft geschonden, en dat appellant niet aannemelijk

heeft weten te maken dat de op zijn naam staande Mazda geen bestanddeel van zijn vermogen vormde. Appellant kan naar het oordeel van de

rechtbank voorts worden verweten dat hij de verzekeringsuitkering aan zijn medevennoot heeft doorbetaald,

waardoor hij zich eerder dan nodig was in een bijstandbehoeftige positie heeft gebracht.

Appellant houdt in hoger beroep staande dat aan zijn zijde geen sprake is van een tekortschietend

besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten en dat de in artikel 65 van

de Abw neergelegde informatieplicht evenmin is geschonden. Daartoe heeft appellant onder meer naar

voren gebracht dat de Mazda was gefinancierd met gelden van zijn medevennoot C. (hierna: C.) en om

die reden niet als zijn bezit kon worden aangemerkt en niet is vermeld op het inlichtingenformulier.

Met betrekking tot de op de uitkering van appellant opgelegde maatregelen overweegt de Raad het volgende.

De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant, door bij de indiening van zijn

aanvraag onvoldoende informatie te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie en niet uit

eigen beweging opgave te doen van het feit dat hij een Mazda op zijn naam had staan, de in artikel

65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellant heeft niet

aannemelijk gemaakt dat de Mazda, die op zijn naam verzekerd was en op 14 januari 1997 tot zijn

beschikking stond, niet tot zijn vermogen behoorde. Evenmin is aangetoond dat de auto op de door

appellant gestelde wijze is gefinancierd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde terecht

de bijstand tijdelijk gedeeltelijk heeft geweigerd met toepassing van artikel 14, eerste lid, van

de Abw. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde de verlaging van de bijstandsuitkering kunnen

vaststellen op 20% gedurende twee maanden zonder in strijd te komen met de wet of enig algemeen

beginsel van behoorlijk bestuur, waartoe ook het evenredigheidsbeginsel wordt gerekend.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant enkele dagen voor of op

14 maart 1997 een verzekeringsuitkering van f 42.000,--, die hij in verband met door hem aangegeven

diefstal van de Mazda op 17 januari 1997 had ontvangen, over laten maken naar zijn medevennoot C. Door

deze handelwijze, waarmee appellant ook naar het oordeel van de Raad blijk heeft gegeven van een

ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, is appellant onnodig

op bijstand aangewezen gebleven. De stelling van appellant dat hij als gevolg van de onttrekkingen aan

de X. VOF (hierna: de VOF), onder meer ten behoeve van de aankoop van de Mazda, een schuld had

aan de VOF c.q. aan zijn medevennoot C., kan bij gebreke van een deugdelijke financiële administratie

van de VOF niet door hem worden gestaafd. De Raad gaat er dan ook van uit dat het bedrag van

f 42.000,-- aan appellant toekwam en dat hij niet gehouden was dit bedrag over te maken aan C. De

Raad ziet evenmin gronden om de in dit geval toegepaste verlaging van 20% gedurende twee maanden

onrechtmatig te achten.

Met betrekking tot de vorm van de aan appellant verstrekte bijstand overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw kan bijstand eveneens worden verstrekt in de

vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van

een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de overmaking van de door appellant ontvangen verzekeringsuitkering,

hetgeen door gedaagde terecht als een tekortschietend besef in de zin van artikel 24, aanhef en onder

b, van de Abw is aangemerkt, kort voor of op 14 maart 1997 plaatsgevonden. Naar het oordeel van

de Raad kan hierin geen grond worden gevonden om reeds vanaf 14 januari 1997 de bijstand te verlenen

in de vorm van een geldlening; dit kan eerst vanaf de datum waarop de afschrijving ten gunste van

C. heeft plaatsgevonden.

De Raad stelt voorts vast dat gedaagde bij de berekening van de periode waarover de bijstand met

toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw in de vorm van een geldlening wordt verleend

slechts de verzekeringsuitkering van f 42.000,-- in aanmerking heeft genomen onder aftrek van het

vrij te laten vermogen van f 19.000,--. Gedaagde heeft daarbij echter verzuimd om rekening te

houden met het feit dat appellant ten tijde van de afschrijving van dat bedrag belastingschulden had.

Appellant heeft daarvan melding gemaakt op het inlichtingenformulier bij zijn bijstandsaanvraag;

zijn gemachtigde heeft in hoger beroep daarvan bewijsstukken overgelegd. De omstandigheid dat

appellant een verzoek tot nihilstelling van deze belastingschulden had ingediend, doet geen afbreuk

aan het bestaan van die belastingschulden op het tijdstip van afschrijving van het bedrag van f 42.000,--.

De Raad tekent hierbij aan dat hij evenals gedaagde niet aannemelijk acht dat appellant op dat

tijdstip nog andere schulden had.

Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voorzover daarbij toepassing is gegeven aan

artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Abw) voor vernietiging in aanmerking.

Gedaagde zal met betrekking tot de vorm van de verstrekte bijstand opnieuw op het bezwaarschrift

moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Hierin ligt besloten dat ook de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep en op f 1.420,-- in

hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze betrekking

heeft op de toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw ten aanzien van appellant;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 2.840,--, te betalen

door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad;

Gelast de gemeente Deventer aan appellant het gestorte recht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in

hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr Ch. de Vrey en

mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

JdB

0512