Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
00/4096 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2000-12-12
Wet voorzieningen gehandicapten 2, geldigheid: 2000-12-12
Wet voorzieningen gehandicapten 3, geldigheid: 2000-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/51

Uitspraak

00/4096 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van de

gemeente Amsterdam, appellant,

en

A., wonende te B.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij primair besluit van 10 mei 1999 heeft appellant aan

gedaagde op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG)

en de op die wet gebaseerde Verordening voorzieningen

gehandicapten van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: de

Verordening) een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van

een financiële tegemoetkoming van f 7.000,-- in de

aanschafkosten van een eigen auto, alsmede een volledige

vergoeding van de werkelijke kosten van aanpassing van zulk

een auto aan de handicap van gedaagde.

Bij het bestreden besluit op bezwaar van 4 januari 2000 heeft

appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard en zijn

in het primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.

De President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

heeft het beroep tegen dat besluit bij de aangevallen

uitspraak van 7 juli 2000 gegrond verklaard, dat besluit

vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met

inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en

appellant veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde

gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr H.C.S. van Deijk-Amzand, advocaat te

Amsterdam, een verweerschrift met bijlagen ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van

14 november 2000. Voor appellant is daar verschenen

mr J.T.M. de Haan, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Gedaagde is daar in persoon verschenen, bijgestaan door

mr Van Deijk-Amzand voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende

tussen partijen niet bestreden feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft appellant bij aanvraag van 14 december 1998

verzocht haar in aanmerking te brengen voor een aangepaste

bruikleenauto.

De adviseur van appellant, de Stichting Tot & Met, heeft op 23

maart 1999 advies uitgebracht. Uit het advies

blijkt dat gedaagde 1.13 meter lang is als gevolg van een

aangeboren orthopedische stoornis. Gedaagde heeft pijn in alle

gewrichten en bewegingsbeperkingen in haar schouders, rug,

heupen en knieën. De maximumloopafstand is ongeveer 30 meter.

Vanwege haar lichamelijke conditie moet gedaagde ongeveer om

het uur plassen. De lichamelijke conditie van gedaagde gaat

geleidelijk achteruit zodat verdere aanpassing van de haar

destijds op grond van artikel 57 (oud) van de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet verstrekte bruikleenauto

noodzakelijk is. Deze auto is echter te oud om verdere

aanpassingen in aan te brengen. Aangezien andere

vervoersvoorzieningen niet geschikt

zijn, is een nieuwe individueel aangepaste (bruikleen)auto

voor gedaagde geïndiceerd.

Appellant heeft bij het bestreden besluit geweigerd aan

gedaagde een bruikleenauto te verstrekken. Deze weigering

berust op het standpunt dat aanschaf van een eigen auto gezien

het inkomen van gedaagde algemeen gebruikelijk is. Blijkens

het Financieel besluit voorzieningen gehandicapten (verder: de

Regeling) wordt een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht

wanneer het netto-inkomen hoger is dan 1,5 maal het

norminkomen. Appellant heeft vastgesteld dat gedaagde een

netto-inkomen van f 2.515,80 per maand heeft, hetwelk meer is

dan 1,5 maal het voor haar geldende norminkomen van f 1.399,46

per maand.

Aangezien evenwel het inkomen van gedaagde tussen de 1,7 en

2,0 maal het norminkomen is, heeft appellant onder toepassing

van het gemeentelijk beleid ter zake van deze

inkomenscategorie een tegemoetkoming van 25% in de

aanschafkosten van een eigen auto toegekend. Daarbij is

uitgegaan van een referentieauto van f 28.000,--. Appellant

baseert zijn standpunt op het bepaalde in artikel 1.3 onder a

van de Verordening en artikel 3.1, eerste en derde lid, van de

Regeling.

De president van de rechtbank heeft het beroep tegen het

bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond

verklaard en dit besluit vernietigd. Hij heeft daartoe het

volgende overwogen:"In gevolge artikel 3 van de WVG biedt het

gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder

verantwoorde voorzieningen wordt verstaan de voorzieningen die

doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

Op grond van artikel 1.3, aanhef, en sub a van de Verordening

wordt geen voorziening toegekend indien de voorziening voor

een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.

Ingevolge artikel 5.1 van de Verordening kunnen burgemeester

en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de

gehandicapte afwijken van de bepalingen in deze verordening.

Artikel 3.1 van de Regeling luidt als volgt:

1. De hoogte van het norminkomen waarboven een auto

als 'algemeen gebruikelijk' kan worden beschouwd,

bedraagt 1,5 maal het norminkomen.

(...)

3. Tussen 1,7 en 2 maal het norminkomen kan een

financiële tegemoetkoming in de kosten van

aanschaf van een auto worden verstrekt tot ten

hoogste 25% van de kosten van de goedkoopst-adequate

auto die in een dergelijke situatie in bruikleen

wordt verstrekt.

(...)

6. Het normbedrag van de referentie-auto is

vastgesteld op f 28.000,--.

Verzoekster heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in

strijd met de WVG, onder meer met artikel 3 van de WVG, is

genomen. Het verstrekken van een financiële tegemoetkoming

voor de aanschaf van een aangepaste auto is voor verzoekster

geen adequate voorziening omdat zij vanwege de extra kosten

die het gevolg zijn van haar handicap, niet over de financiële

middelen beschikt om een aangepaste auto te kunnen

aanschaffen, terwijl een bruikleenauto op medisch/ergonomische

gronden voor haar het enige adequate vervoermiddel is.

Tevens heeft verzoekster aangevoerd dat, hoewel het hanteren

van een inkomensgrens door verweerder gerechtvaardigd is,

verweerder rekening had dienen te houden met de (extra) kosten

van verzoekster die voortvloeien uit haar handicap.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 20

augustus 1996 (JSV 1996/319) overwogen, dat in de WVG of de

daarop berustende regeling geen beletselen zijn gelegen om bij

gemeentelijke verordening één of meer inkomensgrenzen te

stellen.

Voorts heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van

1 juli 1997 (RSV 1997/250) geoordeeld dat een inkomensgrens

van 1,5 maal het (met de definitie daarvan in de in casu

toepasselijke verordening overeenkomende) norminkomen

waarboven een forfaitaire financiële tegemoetkoming niet wordt

gegeven, niet met het bij of krachtens de WVG bepaalde in

strijd is. Hiertoe heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen

dat het aan de inkomensgrens ten grondslag liggende

uitgangspunt dat een betrokkene met een inkomen van 1,5 maal

het norminkomen in beginsel in staat geacht wordt de aan het

rijden van een eigen auto verbonden kosten te dragen, ligt

binnen de bij de artikelen 2 en 3 van de WVG aangegeven

grenzen van de zorgplicht van het gemeentebestuur.

Voorts blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad

van Beroep (vgl. onder meer Centrale Raad van Beroep, 7

november 1997, AB 1998/118) dat bij het toetsen van de

aanspraak op een voorziening aan de inkomensgrens in het kader

van de WVG, niet elke ruimte mag ontbreken om in bijzondere

omstandigheden rekening te kunnen houden met de kosten als

gevolg van de handicap. Dit is mogelijk door in het kader van

de hardheidsclausule te beoordelen of sprake is van bijzondere

omstandigheden waardoor van de inkomensgrens kan worden

afgeweken.

De president stelt vast dat de Regeling voorziet in een

toekenning van een financiële tegemoetkoming in de kosten van

een aanschaf van een eigen auto voor personen met een inkomen

dat ligt tussen de 1,5 en 2,0 maal het norminkomen. De

Regeling voldoet daarmee aan evengenoemde jurisprudentiële

eisen. Voorts voorziet de Verordening, gelet op het bepaalde

in artikel 5.1 van de Verordening, in een hardheidsclausule,

zodat verweerder de ruimte heeft om, indien sprake is van

bijzondere omstandigheden, rekening te houden met de kosten

die verzoekster heeft als gevolg van haar handicap. Gelet

hierop is de president van oordeel dat het gemeentebestuur van

Amsterdam met de Verordening en de Regeling, voorzover hier

aan de orde, in zijn algemeenheid voldoet aan zijn zorgplicht

als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de WVG. De president

komt thans toe aan de vraag of binnen dit kader de

besluitvorming jegens eiseres in concreto rechtmatig is.

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van

verzoekster ten tijde van het bestreden besluit tussen de 1,7

en 2,0 maal van het voor haar geldende norminkomen lag en

verweerder op grond van het bepaalde in artikel 1.3 van de

Verordening en artikel 3.1, derde lid van de Regeling, in

beginsel terecht geoordeeld dat verzoekster in aanmerking kwam

voor een vergoeding van 25% van de kosten van de

referentie-auto, namelijk een bedrag van f 7.000,-- en tevens

in aanmerking kwam voor vergoeding van de noodzakelijke

meerkosten van de auto, voor zover deze kosten boven de

f 28.000,-- uitkomen.

(...)

Tot slot dient te worden beoordeeld of verweerder in

redelijkheid heeft geoordeeld dat er geen bijzondere

omstandigheden waren op grond waarvan verzoekster op grond van

artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening (de

hardheidsclausule) recht heeft op toekenning van een

bruikleenauto dan wel aanspraak heeft op een hogere

vergoeding.

Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling

van de aanvraag zich ten onrechte heeft beperkt tot het

inkomen van verzoekster. Verweerder had een

draagkrachtberekening moeten opstellen, waarbij met alle

financiële omstandigheden van verzoekster rekening wordt

gehouden. Verweerder heeft dit nagelaten. Verzoekster heeft

naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep verwezen,

waaruit blijkt dat bij de toetsing van het inkomen in het

kader van de WVG niet elke ruimte mag ontbreken om in

bijzondere omstandigheden met kosten voortvloeiende uit de

handicap rekening te houden. Voorts blijkt niet uit het

bestreden besluit dat verweerder een bijzondere

belangenafweging heeft gemaakt bij toepassing van de

hardheidsclausule, aldus verzoekster.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat hem

niet van zodanige bijzondere omstandigheden is gebleken dat,

vanwege de hogere uitgaven die samenhangen met de handicap van

verzoekster, op grond van de hardheidsclausule van de

bepalingen in de Verordening dient te worden afgeweken.

De president oordeelt als volgt.

Gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep (zie voornoemde

uitspraak in AB 1998/118) heeft overwogen met betrekking tot

het meewegen van de kosten

voortvloeiende uit de handicap bij het toetsen van de

aanspraak op een vervoersvoorziening aan een inkomensgrens,

dient bij de beoordeling in het kader van de hardheidsclausule

te worden bezien of voldoende aannemelijk is dat de

gehandicapte in staat kan worden geacht tot het bekostigen van

het vervoer waarop de Verordening en de Regeling het oog

heeft. Dit laatste is beperkt tot het in aanvaardbare mate

deelnemen aan het leven van alledag en het onderhouden van

sociale contacten in de directe woonomgeving.

Hierbij rust aan de zijde van verzoekster de bewijslast om

aannemelijk te maken dat in haar geval sprake is van

bijzondere omstandigheden en dat zij door de kosten die

verbonden zijn met haar handicap niet in staat is om zelf een

auto te bekostigen, dan wel in het verleden niet in staat was

om hiervoor tijdig financiële reserveringen te treffen.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij niet in staat is de

aanschaf van een eigen auto, met inachtneming van de aan haar

toegekende tegemoetkoming van

f 7.000,-- te bekostigen, aangezien haar maandelijkse inkomen

hiervoor geen ruimte biedt. Haar maandelijkse lasten bestaan

uit huur, energiekosten, aflossing en rente van een lening,

kosten aanpassing van haar kleding, kosten medicijnen,

ziekenfonds, huishoudelijke hulp, kosten speciaal schoeisel,

inboedelverzekering, begrafenisverzekering, telefoon en de

kosten voor de ANWB en andere abonnementen, aldus verzoekster.

De president is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft

gemaakt dat een substantieel deel van haar maandelijkse

uitgaven bestaan uit vaste lasten (o.a. de huur en

energiekosten) en kosten die voortvloeien uit haar handicap

(o.a. kosten medicijnen, speciaal schoeisel en aangepaste

kleding). Voorts kan niet gezegd worden dat de overige

uitgaven van verzoekster bovenmatig zijn of een luxe karakter

hebben.

Verder staat in dit geding vast - gelet op het advies van Tot

& Met - dat verzoekster niet in staat is om gebruik te maken

van het openbaar vervoer, een taxi, de Stadsmobiel of een

rolstoeltaxi. Verzoekster is ook niet in staat om gebruik te

maken van een rolstoeltaxi. Een gesloten buitenwagen is

evenmin geschikt voor het dagelijk zelfstandig gebruik door

verzoekster. Derhalve vormt de individuele aangepaste auto

voor verzoekster de enige adequate vervoersvoorziening om

zichzelf buitenshuis te kunnen verplaatsen, hetgeen door

verweerder ook niet wordt betwist.

Gelet op het inkomen van verzoekster en het feit dat de

individuele aangepaste auto voor verzoekster de enige adequate

vervoersvoorziening is, is de president van oordeel dat

verweerder bij de beoordeling van de vraag of aanleiding is

toepassing te geven aan de hardheidsclausule, op zeer

zorgvuldige wijze dient te bezien of verzoekster met de aan

haar toegekende tegemoetkoming van f 7.000,-- en de toegekende

vergoeding van de noodzakelijke meerkosten van de auto, voor

zover deze kosten boven de f 28.000,-- uitkomen, in staat is

om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van

alledag en sociale contacten in de directe woonomgeving te

onderhouden. Dit betekent dat verweerder dient te beoordelen

of verzoekster, gelet op haar inkomen en de kosten die het

gevolg zijn van haar handicap, in staat is om de

goedkoopst-adequate auto te bekostigen, dan wel in staat was

om voor de aanschaf van een dergelijke auto financiële

reserveringen te treffen.

Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder een

dergelijke beoordeling heeft verricht, is het bestreden

besluit op onzorgvuldige wijze voorbereid en daarmee genomen

in strijd met artikel 3:2 van de Awb, en tevens ondeugdelijk

gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid,

van de Awb.

(...)

Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te

nemen en bij de voorbereiding daarvan alsnog naar genoemde

aspecten een zorgvuldig onderzoek dienen te verrichten.".

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de

aangevallen uitspraak het karakter van de

hardheidsbepaling miskent. Hij stelt zich op het

standpunt dat niet behoeft te worden bezien of gedaagde

in staat was, gelet op haar inkomen en de met de handicap

samenhangende kosten, om de goedkoopst-adequate auto te

bekostigen dan wel in staat was om hiervoor te

reserveren, doch dat hij veeleer diende te beoordelen of

in casu van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is

dat, vanwege de hogere uitgaven in verband met de

handicap van gedaagde, op voet van artikel 5.1, eerste

lid, van de Verordening, van de (overige) bepalingen van

die verordening dient te worden afgeweken. De

overwegingen van de rechtbank dwingen naar het oordeel

van appellant tot een te gedetailleerd onderzoek naar de

diverse kosten bij de vaststelling van het inkomen,

terwijl bij de totstandkoming de Verordening expliciet is

gekozen om dit achterwege te laten. Appellant is van

mening dat op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de

hardheidsbepaling door in het bestreden besluit te

overwegen dat de hogere uitgaven, die samenhangen met de

handicap, niet zodanig bijzonder zijn, dat ten gunste van

gedaagde van de Verordening dient te worden afgeweken. De

aard van die kosten en de hoogte ervan brengen gedaagde,

gelet op haar inkomen, naar het oordeel van appellant

niet in bijzondere omstandigheden die noodzaken

toepassing te geven aan de hardheidsbepaling. Appellant

stelt voorts dat de (president van de) rechtbank de

toepassing van de hardheidsbepaling slechts marginaal mag

toetsen aan de norm of gebleken is van dermate grove

onzorgvuldigheden dat het bestuursorgaan in redelijkheid

niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Gedaagde heeft gepersisteerd bij haar in eerste aanleg

met betrekking tot haar draagkracht ingenomen standpunt.

De Raad oordeelt als volgt.

Zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn

uitspraak van 1 juli 1997, gepubliceerd in RSV 1997/249,

mag bij het toetsen van het inkomen van een gehandicapte

aan een inkomensgrens niet elke ruimte ontbreken om in

bijzondere omstandigheden rekening te houden met als

gevolg van de handicap op het besteedbare inkomen

drukkende kosten.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant in het

onderhavige geval, waarin door gedaagde in bezwaar

concreet onderbouwd is gesteld dat zij als gevolg van

door haar betaalde kosten wegens haar handicap niet in

staat is de voor haar noodzakelijke goedkoopst adequate

auto te bekostigen, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd

door te verlangen dat de gestelde op het besteedbare

inkomen drukkende kosten die het gevolg zijn van de

handicap naar aard of omvang bijzonder dienen te zijn. In

bovengenoemde uitspraak ligt besloten dat appellant in

een situatie als de onderhavige als reactie op de

onderbouwde stelling van gedaagde onderzoek dient te doen

naar de omvang van de daadwerkelijk gemaakte

noodzakelijke kosten van de handicap die op het

besteedbare inkomen van gedaagde drukken en of zij

daardoor in een bijzondere situatie komt te verkeren die

noodzaakt (in enigerlei mate) van het bepaalde bij of

krachtens de Verordening af te wijken.

De Raad is van oordeel dat de president van de rechtbank

terecht heeft geoordeeld dat appellant door in het

onderhavige geval naar die feiten en omstandigheden geen

gericht onderzoek te doen in strijd heeft gehandeld met

het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb). Aan een inhoudelijke beoordeling van

de vraag of in casu sprake is van een bijzonder geval dat

dwingt om van het bepaalde bij of krachtens de

Verordening af te wijken is de president in de

aangevallen uitspraak niet toegekomen, zodat de grief van

appellant dat hij bij zijn toetsing onvoldoende

terughoudendheid heeft betracht, niet slaagt.

De Raad voegt aan het vorenstaande toe dat tussen

partijen vaststaat dat gedaagde maximaal 30 meter kan

lopen en dat zij als gevolg van die uiterst beperkte

mobiliteit voor vrijwel elke verplaatsing in de directe

woonomgeving uitsluitend aangewezen is op een aangepaste

auto. Gelet hierop zal, mede gelet op 's Raads

jurisprudentie met betrekking tot gevallen van uiterst

beperkte mobiliteit (o.m. CRvB, 21 januari 1997, USZ

97/53), bij het onderzoek naar de vraag of zich een

bijzondere omstandigheid voordoet mede moeten worden

betrokken dat gedaagde in feite ook voor nagenoeg alle

verplaatsingen buitenshuis over een afstand tot enkele

honderden meters uitsluitend aangewezen is op vervoer per

aangepaste auto en dat daardoor ten opzichte van niet

gehandicapte personen extra kosten tengevolge van de

handicap gemaakt moeten worden.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet

slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden

bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om appellant onder

toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot

vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die gedaagde

in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft

gemaakt. Deze kosten worden begroot op f 1.420,--.

Andere kosten zijn niet gevorderd en evenmin gebleken.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in

artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad

ten slotte vast dat van appellant een recht van

f 675,-- dient te worden geheven.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in

hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;

Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt

geheven.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr R.M. van Male als

leden, in tegenwoordigheid van mr E.W.F. Menkveld-Botenga

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

12 december 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

JdB

1812