Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
03-10-2002
Zaaknummer
98/7632 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 3
Algemene bijstandswet 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 259
JABW 2000, 190
Gst. 2001-7140, 10 met annotatie van W.P.F. de Bruijn
USZ 2000/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/7632 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de

gemeente Mierlo, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij een aanvullend

beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep

ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank

te 's-Hertogenbosch op 8 september 1998 tussen

partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn bij brief van 23 november 1999

nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op

de zitting van 5 september 2000. Partijen zijn niet

verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 25 februari 1997 heeft gedaagde

appellantes uitkering ingevolge de Algemene

bijstandswet (Abw) met ingang van 1 januari 1997

beëindigd op de grond dat de woonstede van appellante

zich niet in B bevindt (artikel 63 van de Abw). Bij

besluit, eveneens van 25 februari 1997, heeft gedaagde

over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31

december 1996 een bedrag van f 23.877,26 aan ten

onrechte betaalde bijstand teruggevorderd.

Appellantes bezwaar tegen beide besluiten is bij

besluit van 6 mei 1997 ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het

besluit van 6 mei 1997.

De rechtbank heeft in haar uitspraak het bezwaar tegen

het terugvorderingsbesluit van 25 februari 1997 alsnog

niet-ontvankelijk verklaard, met gegrondverklaring van

het beroep en vernietiging van het bestreden besluit

terzake van dit onderdeel. Het beroep tegen het

bestreden besluit, betreffende de beëindiging per 1

januari 1997 van appellantes bijstandsuitkering is

ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellante betreft de aangevallen

uitspraak, voorzover daarbij haar beroep tegen het

besluit van 6 mei 1997 ongegrond is verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van

de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester

en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende

woonplaats heeft als bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van

het Burgerlijk Wetboek (BW).

Uit de geschiedenis van totstandkoming van deze

bepaling blijkt dat de wetgever door aansluiting te

zoeken bij het woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd

het aantal domiciliebepalingen in de Abw te

verminderen en dat in verband met artikel 1:10, eerste

lid, van het BW als hoofdregel is aangehouden dat als

gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar

belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke

van een woonstede, de plaats van zijn werkelijk

verblijf.

De vraag, waar iemand een woonplaats heeft als bedoeld

in artikel 63 van de Abw, dient naar het oordeel van

de Raad - zoals eveneens geschiedt bij het bepalen van

het hoofdverblijf in de zin van artikel 3, tweede lid,

van de Abw - te worden beantwoord aan de hand van de

feitelijke omstandigheden.

Blijkens het rapport van 30 januari 1997 van de

sociaal rechercheur N.H. Persoon heeft appellante op

29 januari 1997 verklaard dat zij sinds twee jaar een

kamer heeft bij C (verder te noemen: C), D-straat te

E, dat zij twee dagen per week bij haar dochter in F

verblijft, op zaterdagochtend bij haar schoonzuster en

de rest van de week bij C. Bij huisbezoek op het door

appellante opgegeven woonadres G-straat te B bleek in het

geheel niet van feitelijke bewoning; zo was de

koelkast uitgeschakeld, stonden alle klokken stil en

ontbraken etenswaren en toiletartikelen. Een en ander

heeft bevestiging gevonden in de extreem lage

meterstanden van gas- en waterverbruik; zo bleek de

meterstand van het waterverbruik ten tijde van het

huisbezoek gelijk aan de door appellante ruim vier

maanden voordien (op 16 september 1996) opgegeven

stand.

Ten slotte heeft appellante in een aan gedaagde

gericht (ongedateerd) schrijven na de beëindiging van

haar uitkering bevestigd dat zij anderhalf jaar op

genoemd adres in E heeft gewoond.

Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad van

oordeel dat de woonplaats van appellante ten tijde van

de intrekking van haar Abw-uitkering niet B was, zodat

zij jegens gedaagde geen recht op bijstand had. De

omstandigheid, dat de bijgevolg terechte intrekking

van de uitkering met terugwerkende kracht heeft

plaatsgevonden, levert naar 's Raads oordeel geen

strijd met het rechtszekerheidsbeginsel op, nu

appellante zonder daarvan mededeling aan gedaagde te

doen ten minste anderhalf jaar voor de intrekking van

haar uitkering niet meer in B woonde, en in

redelijkheid niet kon verwachten dat zij recht bleef

houden op bijstandsuitkering van de gemeente Mierlo.

Het vorenstaande leidt tot bevestiging van de

aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te

geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene

wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover

aangevochten.

Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr Ch. de Vrey en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als

leden, in tegenwoordigheid van

I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

JdB

1710