Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2000
Datum publicatie
03-10-2002
Zaaknummer
98/6003 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 239
USZ 2000/259 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/6003 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep

gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg onder dagtekening 31 juli

1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juni 2000, waar appellant zich heeft

doen vertegenwoordigen door mr P. Kraak, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale

Verzekeringen N.V., en waar gedaagde - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr Koelewijn, voornoemd, als zijn raadsvrouw.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld

aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die

luidden ten tijde als hier van belang. Dat betekent dat in casu getoetst wordt aan de

wet- en regelgeving, zoals die luidt na invoering van de Wet boeten, maatregelen en

terug- en invordering sociale zekerheid (Wet Boeten).

Gelet op de inhoud van de gedingstukken gaat de Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit

van de volgende feiten en omstandigheden.

Per 31 oktober 1994 is gedaagde in aanmerking gebracht voor uitkering ingevolge de WW

voor een duur (inclusief de vervolguitkering) van drie jaar. Op de inkomstenverklaring

over de periode van 12 mei 1997 tot en met 8 juni 1997 heeft gedaagde aangegeven dat hij

door het arbeidsbureau naar een werkgever is verwezen om grondwerk in C. (België) te gaan

doen. Uit nader onderzoek is vervolgens gebleken dat het ging om werk aan een spoorlijn,

dat hem via het uitzendbureau VBAZ te Oostburg was aangeboden bij X. te Y. en dat

gedaagde het betreffende werk had kunnen gaan doen per 28 mei 1997 voor een periode van 3

maanden. Door de werkgever zou gezorgd worden voor vervoer met een busje vanaf D., waar

vandaan de reis naar Y. ongeveer 1,5 uur zou duren. Daarvoor zou gedaagde een vergoeding

ontvangen van 1 reisuur per dag alsmede f 0,15 per kilometer voor de afstand van (bijna)

10 kilometer tussen gedaagdes (afgelegen in de polder gesitueerde) woning en de

opstapplaats van het busje in D. In het kader van dat onderzoek heeft gedaagde vervolgens

gesteld dat hij dat werkaanbod, zonder contact te hebben opgenomen met genoemde

werkgever, van de hand heeft gewezen in verband met de daaraan naar zijn inschatting

verbonden lange reistijd in combinatie met de door hem veronderstelde beloning van

(hooguit iets meer dan) het minimumloon.

Bij besluit van 31 juli 1997 is de WW-uitkering van gedaagde ingaande 28 mei 1997

blijvend geheel geweigerd, aangezien gedaagde de, gelet op de duur van de werkloosheid en

de reistijd, als passend te beschouwen werkzaamheden bij X. had kunnen aanvaarden,

hetgeen appellant in strijd achtte met één van de ingevolge artikel 24 van de WW op

gedaagde rustende verplichtingen. Tevens is de over de periode van 28 mei 1997 tot en met

4 juli 1997 onverschuldigd aan gedaagde betaalde uitkering ten bedrage van f 2.051,63

bruto van hem teruggevorderd.

In het namens gedaagde ingediende bezwaarschrift en tijdens de in het kader van de

bezwaarprocedure gehouden hoorzitting is benadrukt dat het vervoer van gedaagdes woning

naar D., mede gelet op de omstandigheid dat hij in verband met het parttime werk van zijn

echtgenote niet steeds over een auto kon beschikken en op de gebrekkige busverbindingen

ter plaatse, een groot praktisch probleem opleverde. Als gevolg daarvan zou de reistijd

minimaal 2 x 2 uur per dag belopen, wat onder omstandigheden zelfs tot 8 uur per dag zou

kunnen uitlopen.

Daardoor zou er volgens gedaagde, gezien ook de "Richtlijn passende arbeid bij

werkloosheid" van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 1992,

welke uitgaat van een maximum van ongeveer 3 uur per dag, geen sprake zijn van passende

arbeid. Zulks in de ogen van gedaagde te minder, gezien de zijns inziens ondermaatse

reiskostenvergoeding. Ook heeft gedaagde een beroep gedaan op de in artikel 27, vijfde

lid, van de WW opgenomen mogelijkheid dat wegens dringende redenen van oplegging van een

maatregel wordt afgezien. Verder was gedaagde het niet eens met de genoemde

terugvordering en ten slotte heeft hij verzocht om vergoeding van de in de

bezwaarprocedure gemaakte kosten van rechtsbijstand.

Bij het besluit op bezwaar van 4 november 1997 (het bestreden besluit) heeft appellant

aan de voormelde maatregel vastgehouden onder verwijzing naar artikel 24, eerste lid,

aanhef en onder b ten tweede, van de WW, inhoudende dat de werknemer voorkomt dat hij

werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door

eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

Daartoe heeft appellant in het bijzonder overwogen dat van gedaagde verwacht had mogen

worden dat hij niet zonder meer had geconcludeerd dat het aangeboden werk vanwege de

reistijd niet passend was en dat gedaagde met de betrokken werkgever de mogelijkheid van

een betere oplossing voor het vervoer had kunnen bespreken. Ook zou gedaagde volgens

appellant een andere oplossing voor het vervoer tussen zijn woning en de opstapplaats

hebben kunnen overwegen, bijvoorbeeld door middel van de fiets. Van een dringende reden

om af te zien van de maatregel achtte appellant voorts geen sprake.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het

bestreden besluit vernietigd met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten. Aan

dat oordeel heeft de rechtbank slechts ten grondslag gelegd dat zowel het voormelde

primaire besluit als het bestreden besluit op bezwaar niet voldoen aan het bepaalde in

artikel 36, derde lid, van de WW, voor zover daarin wordt voorgeschreven dat het besluit

tot terugvordering melding maakt van de termijn of termijnen waarbinnen moet worden

betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden

tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 36a.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de overwegingen van de rechtbank welke

tot vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid en heeft zich voorts aangesloten

bij het eerder reeds vanwege gedaagde aan de Raad gedane verzoek om het tussen partijen

bestaande geschil finaal te beslechten door een uitspraak te doen over de rechtmatigheid

van de aan gedaagde opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende terugvordering.

Gedaagde heeft zich in in hoger beroep allereerst gesteld achter de overwegingen van de

aangevallen uitspraak, waaraan hij heeft toegevoegd dat appellant ten onrechte geen

aandacht heeft geschonken aan de in het tweede lid van artikel 36 van de WW aangegeven

mogelijkheid om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering

af te zien. Ten aanzien van de opgelegde maatregel is zijdens gedaagde verwezen naar

hetgeen in bezwaar en in de procedure bij de rechtbank is aangevoerd. Wat betreft het

aangeboden werk heeft gedaagde voorts in twijfel getrokken of een positieve reactie

zijnerzijds had geleid tot daadwerkelijke indiensttreding. Verder is van zijn kant

benadrukt dat er ten aanzien van de maatregel zijns inziens sprake is van dringende

redenen als bedoeld in het vijfde (thans zesde) lid van artikel 27 van de WW, aangezien

het om een eerste overtreding ging. Ten slotte heeft gedaagde zijn, door de rechtbank

niet behandelde, vorderingen ten aanzien van vergoeding van de wettelijke rente en

vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst moet worden vastgesteld dat het bij de rechtbank tegen het bestreden besluit

ingestelde beroep van gedaagde - en overigens ook zijn bezwaar - zich alleen richtte

tegen de opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende terugvordering; hij heeft noch

de invordering van het teruggevorderde bedrag als zodanig noch het ontbreken van

uitsluitsel daaromtrent tot onderwerp van geschil gemaakt. Door desalniettemin daarover

te beslissen en het bestreden besluit deswege te vernietigen is de rechtbank naar het

oordeel van de Raad buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen getreden,

hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Het verzoek van partijen om finale beslechting van het tussen hen bestaande geschil mede

in aanmerking nemend, zal de Raad geen gebruik maken van de mogelijkheid om de zaak terug

te wijzen naar de rechtbank, maar zal hij doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen,

te weten het - op basis van de door partijen ten processe ingenomen standpunten - geven

van een oordeel omtrent de aan gedaagde opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende

terugvordering.

De Raad overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat uit de voorhanden gegevens met

een voldoende mate van zekerheid is af te leiden dat gedaagde op 28 mei 1997 bij X. had

kunnen beginnen, als hij op het hem gedane aanbod was ingegaan. Te minder heeft de Raad

reden voor twijfel aan het causaal verband tussen gedaagdes weigerachtige opstelling en

het voortduren van diens werkloosheid, nu zijnerzijds eerst in hoger beroep het bestaan

van dit verband is aangevochten.

Voor de Raad is voorts genoegzaam aannemelijk geworden dat het om een aanbod van passende

arbeid ging. Blijkens artikel 24, derde lid, van de WW wordt als passende arbeid

beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend,

tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem

kan worden gevergd. Gesteld noch gebleken is dat de arbeid niet voor gedaagdes krachten

en bekwaamheden was berekend of dat redenen van lichamelijke of geestelijke aard daaraan

in de weg stonden. Gelet in het bijzonder op de duur van gedaagdes werkloosheid en de in

de bouwsector niet ongebruikelijke lange reistijden enerzijds en op het ontbreken van

indicaties omtrent (andere) relevante belemmeringen anderzijds, acht de Raad in dit geval

in een reistijd van in totaal 4 uur per dag, of zelfs wat meer, geen redenen van sociale

aard als eerderbedoeld gelegen. De Raad gaat er verder vanuit dat het voor gedaagde

mogelijk was om een niet al te tijdrovende oplossing te vinden voor het vervoer tussen

zijn woning en de opstapplaats van eerdergenoemd busje in D. Hij heeft daartoe in de

eerste plaats doen wegen dat gedaagde heeft nagelaten om aan zijn potentiële werkgever de

vraag voor te leggen of hij op een voor hem gunstiger plaats op het busje zou kunnen

stappen, zodat het niet uitgesloten moet worden geacht dat dit tot de mogelijkheden

behoorde. Tevens is de Raad gebleken dat gedaagde zeer wel in staat is geweest om zijn,

aan het op een afgelegen locatie wonen inherente, vervoersprobleem bij eerdere

dienstverbanden en ook bij de kort na de datum in geding aanvaarde functie afdoende op te

lossen. De Raad merkt verder op dat het aan de aangeboden arbeid verbonden salaris

ongeveer f 700,-- bruto boven het minimumloon lag, hetgeen tevens beduidend meer is dan

de door hem op dat moment genoten vervolguitkering. De aan gedaagde geboden

reiskostenvergoeding is zeker niet riant te noemen, maar dat doet aan de passendheid van

de arbeid niet af, nu het immers niet ongebruikelijk is dat de kosten van

woon-werkverkeer geheel of ten dele voor eigen rekening van de werknemer blijven. De Raad

stelt voorts vast dat de door gedaagde ingeroepen Richtlijn passende arbeid bij

werkloosheid, nog daargelaten dat appellant zich daaraan niet gebonden acht en ook niet

behoeft te achten, openlaat dat onder omstandigheden wordt afgeweken van de daarin als

uitgangspunt opgenomen maximale reisduur van 3 uur per dag.

De conclusie moet dan ook worden getrokken dat gedaagde heeft geweigerd passende arbeid

te aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, zodat hij

het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b ten tweede, van de WW heeft overtreden.

Vanwege de zojuist geconstateerde overtreding alsmede de omstandigheid dat het aan

gedaagde gedane aanbod een functie met dezelfde urenomvang als die van zijn recht op

werkloosheidsuitkering betrof, was appellant op grond van het bepaalde in artikel 27,

tweede lid, van de WW gehouden om ingaande 28 mei 1997 de maatregel van blijvende gehele

weigering van de uitkering op te leggen.

Betreffende gedaagdes betoog dat er in casu dringende redenen zijn om af te zien van het

opleggen van een maatregel, als bedoeld in artikel 27, vijfde (thans zesde) lid, van de

WW, stelt de Raad voorop dat de in genoemd artikellid aangeduide dringende redenen niet

kunnen bestaan uit factoren welke te maken hebben met de oorzaak en de mate van

verwijtbaarheid van het einde van de dienstbetrekking. Het kabinet heeft er in de

parlementaire behandeling van het ontwerp van de Wet Boeten geen misverstand over laten

bestaan dat de bedoelde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de

onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een verzekerde heeft. De Raad

ziet noch in de tekst, noch in de systematiek van de sanctiebepalingen van de WW, noch

anderszins, aanknopingspunten om de uit de wetsgeschiedenis naar voren komende beoogde

beperkte reikwijdte van die bepaling uit te breiden. Dat de maatregel in casu tot

onacceptabele consequenties voor gedaagde zou hebben geleid, komt uit de gedingstukken

niet naar voren. De omstandigheid dat het de eerste overtreding van gedaagde was, vormt

in ieder geval niet een dergelijke consequentie.

De Raad is ten slotte van oordeel dat de toegepaste maatregel ook overigens niet in

strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen

rechtsbeginsel. Evenmin ziet de Raad reden om te oordelen dat de terugvordering van de

vanaf 28 mei 1997 betaalde uitkering de rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.

Ook ziet de Raad geen aanwijzingen voor het aannemen van dringende redenen om geheel of

ten dele van de terugvordering af te zien.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog

ongegrond moet worden verklaard.

Gelet in het bijzonder op de wijze waarop gedaagde in deze procedure bij de Raad

betrokken is geraakt, acht de Raad termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75

van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger

beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 80,10

aan reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag

groot f 1.500,10.

Aldus gewezen door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en

mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) I. de Hartog.

JdB

0109