Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
98/6614 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarige, inwonend bij schoonouders.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 10, geldigheid: 2000-06-27
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/218
RSV 2000, 198
JABW 2000, 139

Uitspraak

98/6614 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage op 27 juli 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen. Mr G.F.C. van den Berg, advocaat te Gouda, heeft namens appellante de gronden

voor het hoger beroep aan de Raad doen toekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar voor appellante is

verschenen mr L.C.H. Karstanje, advocaat te Gouda, terwijl voor gedaagde is

verschenen E.S. Teunissen, werkzaam bij de gemeente Gouda.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren in 1976 en afkomstig uit Turkije, woonde samen met haar

echtgenoot C. in bij haar schoonouders. C. ontving een uitkering ingevolge de

Ziektewet tot en met 9 juni 1996. In verband met detentie werd deze uitkering

beƫindigd. Appellante beschikte niet over eigen middelen en het vermogen van

haar echtgenoot was negatief.

Op 18 juli 1996 vroeg appellante gedaagde haar ter voorziening in de

noodzakelijke kosten van het bestaan bijstand te verlenen met ingang van 10 juni

1996. Op het inlichtingenformulier van dezelfde datum gaf zij op dat haar aan

haar schoonouders te betalen huurlasten f 250,-- per maand bedroegen en dat zij

een schuld aan haar zwager D. had van f 1.000,--.

Bij primair besluit van 8 januari 1997 heeft gedaagde appellante met ingang van

10 juni 1996 bijstand toegekend naar het bedrag gelijk aan de bijstandsnorm

welke voor haar als alleenstaande jonger dan 21 jaar zou gelden (f 337,53 per maand).

Appellante heeft er in bezwaar onder meer op gewezen dat haar zwager namens haar

naast het al genoemde woonkostenbedrag ad f 250,-- ook f 250,-- eet- en drinkgeld aan haar

schoonouders betaalt en dat zij het uitgekeerde bedrag gebruikt voor andere kosten, waaronder

die voor kleding en reiskosten om naar haar man te kunnen gaan.

Gedaagde heeft bij besluit van 8 april 1997 het ingediende bezwaar ongegrond

verklaard. Daartoe is het volgende overwogen:

"- op grond van artikel 29 van de Algemene bijstands

wet heeft u op grond van uw leeftijd recht op norm de norm

voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar;

- in uw situatie was er geen noodzaak tot het verlenen van een

aanvullende toeslag ingevolge artikel 10 van de

Algemene bijstandswet aangezien niet was gebleken dat de

noodzakelijke kosten van het bestaan meer zouden bedragen

dan de voor u geldende norm;

- u inwonend bent bij de ouders van haar echtgenoot

en zodoende geacht wordt niet over zelfstandige woonruimte

te beschikken;

- ook in het bezwaarschrift worden geen omstandigheden vermeld

die toepassing van genoemd artikel 10 zouden rechtvaardigen;

- ook met de kosten welke worden gemaakt ten behoeve

van uw echtgenoot (verblijft in detentie) kan geen rekening

worden gehouden, aangezien de uitkering alleen voor de

kosten van uw levensonderhoud wordt verstrekt;

- uw echtgenoot is gedetineerd en heeft op grond

hiervan ingevolge artikel 9, lid 1, sub a van de Algemene

bijstandswet geen recht op uitkering".

In beroep heeft appellante doen aanvoeren dat haar noodzakelijke kosten van het

bestaan hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Ter onderbouwing

daarvan zijn verklaringen overgelegd van haar zwager en van haar schoonvader,

waaruit naar voren komt dat de zwager vanaf 10 juni 1996 tot de 21e verjaardag

van appellante f 500,-- per maand wegens woonkosten en eet- en drinkgeld voor

haar heeft betaald aan haar schoonvader. Voorts is erop gewezen dat volgens het

Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda de noodzaak voor zelfstandige

huisvesting in elk geval aanwezig wordt geacht indien de ouders van een

belanghebbende in het buitenland wonen en dat zij geen beroep kan doen op haar

in Turkije wonende ouders die een inkomen hebben van ongeveer f 250,-- per maand.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 april 1997 ingestelde beroep

ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft appellante de verschuldigdheid van

de bedragen aan haar schoonouders niet ondubbelzinnig aangetoond en evenmin

controleerbaar aangetoond dat zij die kosten daadwerkelijk heeft betaald. Aldus

is de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat de noodzakelijke kosten

van het bestaan van appellante meer bedroegen dan het voor haar geldende normbedrag.

In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat geen onderzoek is

gedaan naar de uitgaven van appellante behalve de f 250,-- aan huur. Voorts is erop gewezen

dat volgens het Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda (onderdeel 5.200, versie

17 december 1996) alle jongeren die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen

voor toepassing van artikel 10 van de Algemene bijstandswet (Abw) hetzelfde - vaste - bedrag

bovenop de Abw-jongerennorm ontvangen, zonder rekening te houden met de leeftijd (18, 19 of

20 jaar) of de hoogte van de individuele woonlasten.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 10 van de Abw luidt als volgt:

"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere

bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan

boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep

kan doen op zijn ouders, omdat:

a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.".

Aan de Nadere Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1993-1994, nr. 18, blz. 90)

ontleent de Raad het volgende:

"In dit nieuwe artikel wordt het recht op aanvullende bijstand voor de

18- tot 21-jarige geregeld. Deze aanvullende bijstand wordt als

bijzondere bijstand verleend. Zoals uit de redactie van dit artikel

blijkt, is dat ook het geval als een of beide partners jonger dan 21 jaar

is of als alleenstaande de zorg heeft voor een of meer kinderen.

Uit de samenhang van dit artikel met de bepalingen ten aanzien van de

bijzondere bijstand volgt dat voor de beantwoording van de vraag of

aanvullende bijstand dient te worden verstrekt, de gemeente eerst een

oordeel dient te vormen over de hoogte van de noodzakelijke

bestaanskosten. Daarbij kan de gemeente onder andere in aanmerking nemen

of voor de betrokkene zelfstandige huisvesting noodzakelijk is.

In overeenstemming met de afstemming van de voor hen geldende landelijke

normbedragen op het niveau van de kinderbijslag, wordt deze aanvullende

bijstand slechts verleend voor zover de betrokkene voor die noodzakelijke

bestaanskosten geen beroep op de ouders kan doen.".

Mede gezien deze toelichting stelt de Raad allereerst vast dat bij de

beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten

van een jongmeerderjarige op het bijstandsverlenend orgaan de plicht rust om

zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke

bestaanskosten van de aanvrager en dat dit orgaan daarbij onder andere in

aanmerking kan nemen of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet

noodzakelijk is. Een gericht onderzoek naar alle van belang van zijnde

omstandigheden van de aanvrager is dan ook nodig. Het zonder meer stellen van de

noodzakelijke bestaanskosten van op zelfstandige huisvesting aangewezen

jongmeerderjarigen op een vast bedrag, dus zonder rekening te houden met de

individuele situatie, kan de Raad derhalve niet als juist aanvaarden.

Op grond van de gedingstukken constateert de Raad vervolgens dat een onderzoek

als vermeld ten aanzien van appellante achterwege is gebleven. Uit de stukken

blijkt niet dat bij de voorbereiding van het besluit in primo aan artikel 10 van

de Abw aandacht is besteed.

Dit gebrek kan naar het oordeel van de Raad niet geheeld worden geacht met het

bestreden besluit.

Aan de mededelingen van appellante en haar familieleden in bezwaar omtrent

kosten van huisvesting, eten, drinken en kleding en daarenboven nog de

reiskosten die appellante maakt om haar in gevangenschap verblijvende echtgenoot

te kunnen bezoeken is gedaagde zonder meer voorbijgegegaan, met als gevolg dat

omtrent de gestelde kleding- en reiskosten geen enkel concreet gegeven

beschikbaar is. Gelet op de wel voorhanden zijnde gegevens acht de Raad het niet

onaannemelijk dat in dit geval van een situatie van kost en inwoning om niet

geen sprake is geweest en dat voormelde, als noodzakelijk te beschouwen, kosten

daadwerkelijk ten behoeve van appellante zijn betaald door haar zwager en/of

schoonouders die ten opzichte van haar niet onderhoudsplichtig zijn of,

voorzover de verleende bijstandsuitkering reikte, door haarzelf. Gelet op de

thans beschikbare gegevens acht de Raad het ook niet op voorhand onaannemelijk

dat het totaal van de noodzakelijke bestaanskosten van appellante op maandbasis

meer hebben bedragen dan het ten tijde van de aanvraag in verband met de

detentie van de echtgenoot in aanmerking te nemen normbedrag van f 337,53.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad ten slotte geen grond om in het kader van

de toepassing van artikel 10 van de Abw te verlangen dat primaire, voor een

ieder noodzakelijke bestaanskosten als eten en drinken ondubbelzinnig door

middel van schriftelijke bewijzen worden aangetoond.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden

besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

Gedaagde zal een nieuw besluit hebben te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb

gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand.

Deze kosten worden begroot op f 710,-- in beroep en op f 1.420,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met

inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van gedaagde in beroep ad f 710,-- en in

hoger beroep ad f 1.420,--, te betalen door de gemeente Gouda aan de griffier

van de Raad;

Gelast de gemeente Gouda aan appellante het gestorte recht van f 55,-- in beroep

en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en

mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van

I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

HL1906