Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2000
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
98/7984 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2000-05-09
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30, geldigheid: 2000-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/177

Uitspraak

98/7984 ZFW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wettelijk vertegenwoordigd door zijn vader B, wonende te C, appellant,

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Trias U.A., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr M.E. Wallheimer, advocaat te Amsterdam, op bij

aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een

door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 4 november 1998

tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr J.E. Molenaar, advocaat te 's-Gravenhage, bij schrijven

van 14 juli 1999 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 maart 2000, waar

voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr N.U.N. van den Heuvel,

kantoorgenoot van mr Wallheimer, voornoemd, alsmede J. Hanstede, en waar

gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr Molenaar,

voornoemd, alsmede A.H. Blufpand.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten alsmede de

van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent,

gelet op de gedingstukken, met juistheid in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak is vermeld.

Kortheidshalve vermeldt de Raad hier dat A., geboren in 1985, aan een ernstige

vorm van chronische middenoorontsteking lijdt. Uitgebreide medische behandeling

heeft niet tot vermindering van de klachten geleid. Bij nader onderzoek is

gebleken dat bij A. sprake is van een functiestoornis van de granulocyten,

waarmee voormelde ontstekingsklachten samenhangen. Deze klachten zijn

aanmerkelijk afgenomen door behandeling met het geneesmiddel Neupogen door de

behandelend kinderarts dr N.G. Hartwig, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis

te Rotterdam. Vanwege appellant is gedaagde verzocht ten laste van de in de

Ziekenfondswet (ZFW) geregelde wettelijke ziektekostenverzekering Neupogen te

vergoeden, omdat eerdere bekostiging uit onderzoeksgelden niet meer mogelijk was.

Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 10 juli 1997 op grond van de gestelde

indicatie afgewezen, nu deze niet valt onder de drie indicaties vermeld onder

punt 14 van de bij de Regeling farmaceutische hulp 1996 behorende bijlage 2.

Bij het bestreden besluit van 19 februari 1998 heeft gedaagde haar weigering

gehandhaafd, in hoofdzaak verwijzend naar de strikte omschrijving van voormelde

indicatiecriteria, die haar geen beoordelingsvrijheid geeft.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, na vaststelling dat tussen

partijen niet in geschil is dat appellant op grond van de toepasselijke

regelgeving geen aanspraak heeft op verstrekking van Neupogen, de argumenten van

appellant verworpen op grond waarvan hij meent desalniettemin toch voor

verstrekking van dit middel in aanmerking te komen.

In hoger beroep heeft appellant, goeddeels onder herhaling van in eerdere fases

van de gedingvoering aangevoerde gronden, betoogd dat de Regeling farmaceutische

hulp 1996 in strijd is met de in artikel 30 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van

invoer gelet op de aan dit artikel door het Hof van Justitie van de Europese

Gemeenschap bij arrest van 7 februari 1984 (Duphar/Staat der Nederlanden)

gegeven uitleg. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het

gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Gedaagde heeft bij verweerschrift haar standpunt gehandhaafd en geconcludeerd

tot afwijzing van het hoger beroep.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op het verhandelde ter zitting en de van de zijde van appellant terzake

gedane mededelingen, waaraan de Raad geen reden heeft te twijfelen, behoort het

middel Neupogen met twee andere middelen tot de groep geneesmiddelen waarvoor de

indicatiecriteria onder punt 14 van bijlage 2 van de Regeling farmaceutische

hulp 1996 gelden. Voorts ontleent de Raad aan het verhandelde ter zitting dat al

deze middelen in Nederland worden ingevoerd.

De Raad ziet het beroep van appellant op evenvermelde uitspraak van het Hof van

Justitie reeds op deze grond falen dat geenszins is kunnen blijken dat de

uitsluiting van de groep geneesmiddelen waartoe Neupogen behoort, voor andere

dan de onder punt 14 van bijlage 2 van de Regeling farmaceutische hulp 1996

genoemde indicaties, berust op de omstandigheid dat deze geneesmiddelen in

Nederland worden ingevoerd, in welk geval volgens het arrest (vide

rechtsoverweging 21) sprake zou zijn van discriminatie naar oorsprong.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel ziet de Raad eveneens falen.

Niet betwist is dat gedaagde in geen enkel geval buiten de in bijlage 2 genoemde

indicaties de aanspraak op Neupogen ten laste van de wettelijke

ziektekostenverzekering heeft gebracht. In zoverre is er geen sprake van dat

gedaagde de bij haar aangesloten ziekenfondsverzekerden ongelijk behandeld.

Nog daargelaten of gedaagde op grond van dit beginsel gehouden zou zijn tot

verstrekking van Neupogen ten laste van de wettelijke ziektekostenverzekering

over te gaan, als andere zorgverzekeraars (met voorbijgaan aan de wettelijke

regeling) dat wel zouden doen, moet de Raad vaststellen dat de daaromtrent van

de zijde van appellant in de stukken en ter zitting verstrekte gegevens

wisselend van aard zijn en overigens te onbepaald om aannemelijk te achten dat

bij een of meer andere zorgverzekeraars in Nederland ten tijde hier in geding

sprake was van een met voorbij gaan aan het bepaalde in de Regeling

farmaceutische hulp 1996 gevoerde uitvoeringspraktijk, waarin tot verstrekking

van het middel Neupogen bij kinderen met uitbehandelde chronische

middenoorontsteking is overgegaan.

Het beroep dat appellant met verwijzing naar 's Raads uitspraak van 18 juli 1995

(RZA 1996 nr. 50) heeft gedaan op het in artikel 3:4 van de Algemene wet

bestuursrecht besloten liggende evenredigheidsbeginsel ziet de Raad evenmin slagen.

De verwijzing naar evenvermelde uitspraak kan appellant niet baten, nu, anders

dan in het aldaar berechte geval, in casu geen sprake is van een ten laste van

de wettelijke ziektekostenverzekering aangevangen behandeling waarvan was

toegezegd dat die zou worden voortgezet zolang dit uit medisch oogpunt was

aangewezen en waarbij stopzetting een onverantwoorde therapiebreuk tot gevolg

zou (kunnen) hebben.

Voorts overweegt de Raad dienaangaande dat in het onderhavige geval, naar de

Raad aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad ontleent,

sprake is van een onderzoek naar nieuwe toepassingen van het geneesmiddel

Neupogen in het kader waarvan D voor behandeling daarmee in aanmerking is

gebracht. De enkele omstandigheid dat het onderzoeksbudget van het academisch

ziekenhuis ontoereikend was om de behandeling voort te zetten, kan er niet toe

leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de in de Regeling farmaceutische hulp 1996

gegeven systematiek waarbij behandeling met Neupogen slechts in zeer strikt

omschreven gevallen mogelijk is.

Ten slotte overweegt de Raad terzake dat aan de onder de gedingstukken zich

bevindende medische gegevens geen aanknopingspunten vallen te ontlenen voor de

veronderstelling dat bij A. sprake was van een situatie dat stopzetting van de

behandeling met Neupogen zou leiden tot een levensbedreigende situatie, dan wel

van een medisch ernstig bedreigende situatie, met mogelijk onherstelbare

gevolgen, voor een of meer vitale organen van appellant, op grond waarvan

strikte toepassing van het bepaalde onder punt 14 van bijlage 2 bij de Regeling

farmaceutische hulp 1996 in die mate in strijd zou komen met het

evenredigheidsbeginsel dat deze toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn.

Het hiervoor overwogene impliceert geenszins dat de Raad de heilzame werking van

Neupogen in het geval van A. zou willen ontkennen of onderschatten. Of dit

middel buiten de in bijlage 2 genoemde gevallen voor verstrekking ten laste van

de wettelijke ziektekostenverzekering in aanmerking komt, is primair een

verantwoordelijkheid van de regelgever. De Raad kan slechts vaststellen dat

opneming in de regelgeving tot nu toe achterwege is gebleven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging

in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr D.J. van der Vos als voorzitter en mr Ch. van Voorst en

mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2000.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.E. Lysen.

JdB

0105