Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2000
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
98/3592 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 51, geldigheid: 2000-05-02
Beroepswet 18, geldigheid: 2000-05-02
Gemeentewet 164, geldigheid: 2000-05-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/205 met annotatie van R.J.N. S
USZ 2000/170
RSV 2000, 136
JABW 2000, 106

Uitspraak

98/3592 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, appellant

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij een beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld

tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 12 maart 1998

tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd

bij brief van 8 december 1999.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 maart 2000, waar appellant zich heeft

doen vertegenwoordigen door C.J. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A.E.L.T. Balkema, toen

advocaat te Utrecht.

II. MOTIVERING

Gedaagde diende op 13 februari 1996 een aanvraag in om algemene bijstand

krachtens de Algemene bijstandswet (Abw). In verband met deze aanvraag heeft een

medewerker van de Dienst Welzijn van de gemeente Utrecht op 9 juli 1996 onder

meer het volgende gerapporteerd:

"Vermogen/schuld: Betr. heeft een vermogen boven het vrij te laten

vermogen. Dit vermogen is ontstaan door een lening van de

informatiseringsbank. Deze schuld ad fl. 10.408,47 is niet direkt opeisbaar.

Saldo bank/giro afschriften:

Giro plusrekening ..., d.d. 29-03-1996, saldo fl. 944,96

Giro rek.nr. ..., d.d. 29-03-1996, saldo fl. 118,41

ABN/AMRO rek.nr. ...., d.d. 20-03-1996, saldo fl. 568,25

Rabo,spaar-vrij-rek.nr. ....,d.d.17-03-96,saldo fl. 4609,41

Rabo rendementrek.nr. ....,d.d.11-01-1996, saldo fl. 9878,40

Totaal fl.16119,43

Beoordeling ingangsdatum bijstand:

Het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande is volgens art. 54 NABW

vastgesteld op fl. 8600,00. Betr. heeft een vermogen boven het vrij te

laten vermogen van fl. 7519,43.

Volgens het gemeentelijk beleid dient dit vermogen eerst verbruikt te

worden waarbij betr. anderhalf x de voor haar geldende bijstandsnorm

incl. VT = 20% toeslag per maand mag besteden. Omgerekend mag zij fl.

1963,87 p.m. aan levensonderhoud besteden en zij komst (komt) dan pas

m.i.v. 13-06-1996 in aanmerking voor bijstand.".

Vervolgens heeft appellant bij besluit van 8 augustus 1996 aan gedaagde met

ingang van 13 juni 1996 een uitkering krachtens de Abw toegekend naar de norm

voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder, vermeerderd met een toeslag van

20%. Appellant voegde hieraan toe dat gedaagde, gelet op de hoogte van haar

vermogen, vóór 13 juni 1996 geen recht op bijstand had.

De door gedaagde tegen dit besluit ingediende bezwaren zijn bij besluit van 8

november 1996 in zoverre gegrond verklaard, dat de ingangsdatum van de uitkering

alsnog is gesteld op 24 mei 1996. Hierbij heeft appellant overwogen dat bij het

nemen van het primaire besluit ten onrechte een onjuiste vermogensgrens als

bedoeld in artikel 54 van de Abw in aanmerking is genomen.

Appellant bleef echter van oordeel dat gedaagdes schuld aan de Informatie Beheer

Groep ter hoogte van f 10.380,89 terecht buiten beschouwing is gelaten aangezien

niet vaststaat dat gedaagde daadwerkelijk verplicht is deze schuld terug te betalen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door gedaagde tegen het

besluit van 8 november 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit

vernietigd. De rechtbank oordeelde dat de wetgever met de invoering per 1

januari 1996 van artikel 51 van de Abw heeft beoogd een wijziging van de

gevormde jurisprudentie inzake de vermogensvaststelling door te voeren. Daartoe

heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op enkele door medewerkers van het

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) hierover gedane

mededelingen, SZW kennelijk het standpunt inneemt dat bij de

vermogensvaststelling rekening dient te worden gehouden met studieschulden

ingevolge de Wet op de Studiefinanciering (WSF).

Appellant bestrijdt dit oordeel en stelt zich op het standpunt dat ook onder de

werking van de Abw schulden slechts in aanmerking kunnen worden genomen indien

een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. Daarvan is naar het

oordeel van appellant bij een studieschuld als de onderhavige geen sprake

aangezien - kort samengevat - deze schuld wordt kwijtgescholden als de

draagkracht 15 jaar lang ontoereikend is.

De gemachtigde van gedaagde heeft in het verweerschrift in de eerste plaats

aangevoerd dat het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 164, vierde lid,

van de Gemeentewet, geacht moet worden te zijn ingetrokken, omdat de

gemeenteraad van Utrecht dit niet heeft bekrachtigd. De Raad deelt dit standpunt

niet en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kunnen - voorzover van

belang - een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Raad hoger beroep

instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake een besluit, genomen op grond van een

wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.

In de bijlage bij de Beroepswet wordt onder C 25 onder meer de Abw genoemd.

Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van deze wet blijkt dat de

wetgever het primaat van de uitvoering van de Abw heeft willen leggen bij

burgemeester en wethouders van de gemeente als bedoeld in artikel 63 van de Abw.

Gelet hierop en op artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet is de Raad dan ook

van oordeel dat de omstandigheid dat de gemeenteraad van Utrecht het hoger

beroep niet in zijn eerstvolgende vergadering na het instellen daarvan heeft

bekrachtigd, niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van dit hoger beroep.

Ook overigens ziet de Raad geen beletselen om appellant in zijn hoger beroep te ontvangen.

Met betrekking tot hetgeen partijen ten gronde verdeeld houdt, overweegt de Raad

het volgende.

Ingevolge artikel 51, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw wordt onder

vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het

gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan

beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

In zijn uitspraak van 7 maart 2000, nummer 98/3752 NABW, heeft de Raad reeds tot

uitdrukking gebracht dat er mede gezien de parlementaire geschiedenis van

artikel 51 van de Abw geen aanleiding bestaat om de op grond van de oude ABW

ontwikkelde jurisprudentie, in zoverre het gaat om het in aanmerking nemen van

schulden bij de vaststelling van de omvang van een vermogen bij de aanvang van

de bijstandsverlening, niet tot richtsnoer te nemen bij de toepassing van deze bepaling.

Dit houdt in dat voor de toepassing van dat voorschrift met schulden eerst dan

rekening kan worden gehouden, indien het bestaan daarvan in voldoende mate

aannemelijk is geworden en voorts is komen vast te staan dat aan die schuld

daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden.

In het kader van de WSF is de verplichting tot aflossing door de debiteur

gedurende de zogeheten aflosfase mede afhankelijk van diens draagkracht uit

inkomen, waarbij nihilstelling mogelijk is, en de schuld in elk geval tenietgaat

bij het einde van de aflosfase.

Of aan de studieschuld van gedaagde daadwerkelijk een verplichting tot

terugbetaling is verbonden, stond derhalve ten tijde in geding nog onvoldoende vast.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad, anders dan de rechtbank, dan

ook van oordeel dat appellant bij de vaststelling van het vermogen van gedaagde

terecht de studieschuld van betrokkene buiten beschouwing heeft gelaten.

De Raad merkt in dit verband nog op, dat de omstandigheid dat enkele medewerkers

van SZW als hun mening kenbaar hebben gemaakt dat studieschulden mogen worden

gesaldeerd met het vermogen, aan het vorenstaande niet afdoet.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor

vernietiging in aanmerking.

Hierin ligt tevens besloten dat het beroep van gedaagde tegen het bestreden

besluit van 8 november 1996 alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het

bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 8 november

1996 alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en

mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de

Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

HL

105