Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
99/2749 AWBZ, 99/2751 AWBZ, 99/2752 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/68 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2752 AWBZ

99/2749 AWBZ

99/2751 AWBZ

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B,

C, wonende te D,

E, wonende te F, appellanten,

en

Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gedaagde I,

OWM OZ Zorgverzekeringen U.A., gedaagde II.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellanten, ieder ouder van een meervoudig gehandicapt kind, hebben

gedaagden op grond van het bepaalde in de Regeling Ziekenfondsraad

subsidiëring zorg op maat verstandelijk gehandicaptenzorg 1997 (hierna: de

Regeling) verzocht om toekenning van een persoongebonden budget ten behoeve

van een kleinschalige woonvorm voor deze kinderen.

Bij op bezwaar genomen besluiten van 14 januari 1998 heeft gedaagde I ten

aanzien van appellanten A en C geweigerd een hoger persoonsgebonden budget

toe te kennen dan f 67.160,-- per persoon. Bij op bezwaar genomen besluit van

6 maart 1998 heeft gedaagde II ten aanzien van appellant E geweigerd een

hoger persoonsgebonden budget toe te kennen dan f 64.202,--.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 12 april

1999 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellanten heeft mr J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, op bij

beroepschrift en aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden

tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de

aangevallen uitspraak te vernietigen.

Gedaagden hebben bij afzonderlijk ingezonden verweerschriften van 13

september 1999 (met bijlagen) van verweer gediend.

Van de zijde van appellanten zijn bij brief van 9 november 1999 nog een

aantal stukken ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 december

1999, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr Van

Vlastuin, voornoemd, als hun raadsman, en waar gedaagden zich hebben doen

vertegenwoordigen door mr N.J.H. Dams-van der Heijden en E. Stobbelaar,

werkzaam bij gedaagde I.

II. MOTIVERING

De Ziekenfondsraad heeft op 19 december 1996 de op de Wet financiering

volksverzekeringen steunende Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op

maat verstandelijk gehandicapten 1997 (de Regeling) vastgesteld. De Regeling

is in werking getreden per 1 januari 1997. Daarin is de toekenning en hoogte

geregeld van het voor verstandelijk gehandicapten geldende zogenoemde

persoonsgebonden budget, waarmee zorg op maat kan worden ingekocht.

Appellanten hebben ieder voor zich als ouder van een meervoudig gehandicapt

kind om toekenning van een persoonsgebonden budget verzocht. Daarbij is het

voornemen kenbaar gemaakt dit te willen gebruiken voor de stichting van een

kleinschalige woonvorm voor deze kinderen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Regeling komt voor toekenning van

een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking de verstandelijk

gehandicapte die voldoet aan de indicatievereisten voor één van de in de

bijlage 2 bij deze Regeling vermelde budgetcategorieën. In gevallen van

kennelijke hardheid kan op grond van het bepaalde in het derde lid van dit

artikel aan de verzekerde die wordt ingedeeld in budgetcategorie VII of VIII

een hoger budget worden toegekend dan bij de respectieve budgetcategorieën behoort.

Gedaagden hebben de meerderjarige kinderen van appellanten in de voor

volwassen gehandicapten geldende hoogste budgetcategorie VII ingedeeld en van

evenvermelde mogelijkheid tot verhoging door de toekenning van de in rubriek

I genoemde bedragen gebruik gemaakt.

Appellanten betwisten de indeling in budgetcategorie VII op zich niet. Ook

richten zij hun bezwaren niet op de toepassing van de hardheidsclausule en de

omstandigheid dat in de door gedaagden in dat kader gevolgde berekeningen,

uitmondend in de toegekende bedragen, een correctie is toegepast van

f 25.000,-- in verband met bij wijze van zorg in natura te verkrijgen

dagopvang. Hun bezwaren zijn, zoals in de gedingstukken uitvoerig en met

overlegging van tal van gegevens is toegelicht, wel gericht op de hoogte van

de door gedaagden met toepassing van evenvermelde hardheidsclausule

vastgestelde budgetten en de daarbij gevolgde rekenmethoden die ertoe zouden

leiden dat budgetten zodanig laag worden vastgesteld dat aan appellanten de

mogelijkheid wordt onthouden voor hun kinderen persoonlijke keuzes in de te

verlenen zorg te maken. Daarbij is van de zijde van appellanten, onder

verwijzing naar andere gevallen, een beroep gedaan op de toelichting van de

Regeling die inhoudt dat het toe te kennen budget dient te voldoen aan

optimale rechtsgelijkheid.

De rechtbank heeft de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak in

stand gelaten.

In hoger beroep hebben appellanten, deels onder herhaling van hetgeen in

eerste aanleg is aangevoerd, uitvoerig uiteengezet, dat met de toegekende

budgetten realisatie van de hen voor ogen staande kleinschalige woonvorm

niet, althans niet op verantwoorde wijze, kan geschieden, en dat gedaagden

met de door hen gevolgde methodieken geen recht hebben gedaan aan het aan de

Regeling ten grondslag liggend uitgangspunt dat "zorg op maat" moet worden verleend.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat de mogelijkheid van toekenning van persoonsgebonden

budgetten voor de zogeheten contactkantoren, waaronder gedaagden, is

neergelegd in artikel 13 van de Regeling en dat deze budgetten ingevolge

artikel 14, eerste lid, van de Regeling uitsluitend bestemd zijn voor de

betaling van kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte

zorgonderdelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling. In

laatstgenoemde bepaling worden zeven zorgonderdelen onderscheiden, te weten:

begeleiding, verzorging, verpleging, behandeling, (geneeskundig) onderzoek,

advisering en ondersteuning, verblijf. Om voor een persoonsgebonden budget in

aanmerking te komen moet de verzekerde worden geïndiceerd waarbij dezelfde

indicatienormen worden gehanteerd als bij te verlenen zorg in natura. Uit

deze systematiek vloeit voort dat het bedrag behorend bij de voor de

verzekerde geïndiceerde budgetcategorie in beginsel maatgevend is voor de in

te kopen zorg en geacht moet worden daarvoor een toereikende tegemoetkoming

te zijn.

Voorts is van belang dat bij de vaststelling van het bij budgetcategorie VII

behorende budget van f 65.000,-- blijkens de toelichting rekening is gehouden

met de omstandigheid dat het hier verzekerden betreft die aangewezen zijn op

intramurale 24-uurszorg, waaraan, zo begrijpt de Raad, verblijfskosten

inherent zijn, en dat bij deze budgetcategorie in zeer incidentele gevallen

een hoger budget kan worden toegekend. Ten slotte ontleent de Raad aan de

toelichting dat bij de vaststelling in de Regeling van de bij de

budgetcategorieën behorende bedragen ervan is uitgegaan dat geen

investeringen en kapitaalslasten aan de orde zijn.

De Raad leidt hieruit af dat de verzekerden in budgetcategorie VII met een

budget van f 65.000,-- in beginsel geacht worden alle bij deze categorie

passende zorgonderdelen, waaronder verblijf, te kunnen inkopen, zij het dat

in zeer bijzondere gevallen - in artikel 15, derde lid, van de Regeling

aangeduid als gevallen van kennelijke hardheid - het contactkantoor bevoegd

is een verhoging van het budget toe te kennen. Vanuit vorenomschreven

systematiek, waarbij niet de wens van de verzekerde met betrekking tot de

omvang en inrichting van de zorg centraal staat, maar het budgetbedrag

maatgevend daarvoor is, waarbinnen persoonlijke keuzes kunnen worden gemaakt,

zal ook bij budgetcategorie VII in beginsel met toekenning van dit bedrag

kunnen worden volstaan onder aftrek van, zoals in casu, de waarde van de

tevens te ontvangen zorg in natura.

De omstandigheid dat in incidentele gevallen, als de onderhavige, sprake is

van een kennelijke hardheid waardoor er aanleiding is het budgetbedrag te

verhogen, impliceert geenszins dat afbreuk gedaan kan worden aan

vorenomschreven systematiek. In het bijzonder kan de Raad er niet in meegaan

dat alsdan de wens van de betrokken verzekerden ten aanzien van de omvang en

de inrichting van de zorg voor de hoogte van dit bedrag alsnog maatgevend zou

(behoren te) zijn of dat er geen grenzen meer zouden mogen worden gesteld aan

het met toepassing van de hardheidsclausule toe te kennen bedrag.

Bij het licht van het zoëven overwogene staat de Raad voor de beantwoording

van de vraag of, nu de bestreden besluiten de toepassing behelzen van een

discretionaire bevoegdheid, gezegd moet worden dat gedaagden niet in

redelijkheid tot deze besluiten hebben kunnen komen dan wel anderszins hebben

gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of

algemeen rechtsbeginsel.

Die vraag beantwoordt de Raad in al zijn onderdelen ontkennend.

Daarbij acht de Raad van belang dat de Regeling geen dwingend richtsnoer aan

de contactkantoren geeft voor de bij de toepassing van de hardheidsclausule

te volgen berekeningswijze, en dat de Ziekenfondsraad ook anderszins geen

aanwijzingen daaromtrent heeft gegeven. Het staat gedaagden derhalve in

beginsel vrij bij de toepassing van de hardheidsclausule uit te gaan van een

eigen berekeningsmethode. Noch van de berekeningsmethode van gedaagde I die

als uitgangspunt heeft het budget dat geldt voor de duurste patiënt in een

zwakzinnigeninrichting, noch van de berekeningsmethode van gedaagde II die

als uitgangspunt heeft de gemiddelde personeelskosten van een drietal

inrichtingen, kan worden gezegd dat die geen steun vindt in de hiervoor

omschreven systematiek van de Regeling, gebaseerd op een zekere mate van

herleiding tot de kosten van zorg in natura. De omstandigheid dat bij die

berekeningsmethoden een vermindering van 20% wordt toegepast is op zichzelf

in lijn met het gegeven dat bij de vaststelling van de voor de

budgetcategorieën VII en VIII geldende bedragen door middel van een korting

van 20% er rekening mee is gehouden dat van opneming en verder verblijf in

een zwakzinnigeninrichting bij toekenning van een persoonsgebonden budget

geen sprake is.

Het beroep dat appellanten hebben gedaan op andere gevallen waarin door

andere contactkantoren met toepassing van de hardheidsclausule veel hogere

bedragen zijn toegekend, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te leiden.

De Raad wijst erop dat het hier andere uitvoeringsorganen betreft die een

eigen invulling kunnen geven (en hebben gegeven) aan hun discretionaire

bevoegdheid. Voorts acht de Raad het in de toelichting in dit verband

genoemde beginsel van optimale rechtsgelijkheid voor alle verzekerden, mede

gelet op de omstandigheid dat het gaat om de beoordeling van uitzonderlijke

en om die reden niet licht met elkaar te vergelijken situaties, niet zodanig

dwingend dat gedaagden op grond hiervan gehouden zijn om die hogere bedragen

als richtsnoer bij de toepassing van de hardheidsclausule te nemen. Ten

slotte overweegt de Raad in dit verband dat hij de toelichting van de

Regeling op dit punt zo verstaat dat optimale rechtsgelijkheid primair in de

Regeling wordt nagestreefd door de indeling in budgetcategorieën met de

daarbij behorende bedragen en dat de verhoging van die bedragen in gevallen

van kennelijke hardheid daaraan geen afbreuk mag doen.

Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat gedaagde sub I bij de

vaststelling van persoonsgebonden budgetten op grond van de hardheidsclausule

per 1 januari 2000 niet langer voormelde korting van 20% toepast. De Raad

ziet in deze voor appellanten A en C in positieve zin gewijzigde

berekeningswijze, gelet op de door de Raad in acht te nemen terughoudende

toetsing, geen aanleiding om de bestreden besluiten van gedaagde I die het

jaar 1997 betreffen, niet in stand te laten. Die besluiten zijn immers

genomen op grond van de toen bekende gegevens, waarvan de Raad hiervoor al

heeft overwogen dat deze die kunnen dragen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor

bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en

mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

JdB

1401