Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
97/9590 WAO + 97/9591 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000/62
USZ 2000/59 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/9590 WAO

97/9591 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in

werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen

1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van

de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats

getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt

onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 20 december 1996 heeft gedaagde de uitbetaling van de aan appellant

ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend

naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari

1997 volledig geschorst.

Bij besluit van 11 april 1997 heeft gedaagde besloten toepassing te geven aan

artikel 44 van de WAO over de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november

1996. Aan dat besluit wordt het volgende ontleend:

"U ontvangt een uitkering krachtens de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80-100% en u hebt recht op een uitkering

krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar

diezelfde mate van arbeidsongeschiktheid, welke uitkering echter,

omdat u tevens recht hebt op uitkering krachtens de WAO, niet wordt

uitbetaald.

Daarnaast bent u van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996

werkzaam geweest en hebt u inkomsten uit arbeid genoten.

Uw inkomsten hebben wij als volgt vastgesteld:

van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996 f 170,56 bruto per dag.

In artikel 44 van de WAO is bepaald dat de

arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die inkomsten uit arbeid

geniet, niet wordt herzien of ingetrokken zolang niet vaststaat dat

de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden tot het verrichten

van de arbeid in staat moet worden geacht.

Gedurende die periode, welke maximaal drie jaar duurt, wordt de

uitkering niet of niet geheel uitbetaald.

'Gelet op een door onze Uitvoeringsorganisatie ingesteld onderzoek,

over het resultaat waarvan u onlangs bent geïnformeerd, wordt, omdat

u over de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996

in een situatie als hiervoor bedoeld verkeert, uw uitkering over

genoemde periode niet uitbetaald."

De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 25 augustus 1997

de tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, van die uitspraak in

hoger beroep gekomen. Nadien zijn namens appellant nog enige stukken in het geding

gebracht.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 oktober 1999,

waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.H.A. Brauer,

voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.

Smithuijsen, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot het geding geregistreerd bij de Raad onder nr. 97/9590 WAO

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagdes besluit tot schorsing van

appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 januari 1997 in rechte

stand kan houden.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan beantwoordt de Raad

die vraag bevestigend. Daarbij stelt de Raad zich achter de overwegingen van die uitspraak.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is

gebracht, dat ten onrechte is geschorst omdat gebleken is dat hij onveranderd niet

in staat is duurzaam arbeid te verrichten, overweegt de Raad het volgende.

De Raad heeft reeds eerder overwogen - gewezen zij op zijn uitspraak van 4 maart

1998, nr. 96/3348 - dat de beoordeling van een schorsingsbesluit als het

onderhavige dient te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het

nemen van dat besluit en niet aan de hand van latere ontwikkelingen.

Naar deze maatstaf bezien acht de Raad het besluit op goede gronden genomen, nu

bij gedaagde ten tijde van het besluit het gegronde vermoeden kon bestaan dat tot

intrekking van de uitkeringen zou dienen te worden overgegaan dan wel dat die

uitkeringen niet tot uitbetaling zouden komen. Gedaagde beschikte toen immers over

de resultaten van een fraude-onderzoek, neergelegd in het Rapport Werknemersfraude,

nr. 96/1727, d.d. 27 november 1996, waaruit naar voren komt dat appellant van

medio augustus 1996 tot de datum van zijn aanhouding op 20 november 1996

metselwerkzaamheden in de bouw heeft verricht en inkomsten heeft genoten, waarvan

hij aan gedaagde geen mededeling had gedaan. Gedaagde kon hieruit redelijkerwijs

het vermoeden putten dat appellant geen aanspraak (meer) op een

arbeidsongeschiktheidsuitkering kon maken.

De Raad tekent hierbij aan, zoals hij reeds eerder heeft overwogen, onder meer in

zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1994/260, dat alhoewel niet kan worden

aanvaard dat bij een eventuele schatting "zwart" verrichte werkzaamheden bij de

vaststelling van de mate van arbeidsonge-schiktheid in aanmerking worden genomen,

dergelijke "zwart" verrichte werkzaamheden een grond kunnen vormen om met

terugwerkende kracht tot afschatting op de verdienmogelijkheden van wel in

billijkheid op te dragen functies over te gaan en dat die werkzaamheden een

indicatie kunnen vormen voor de verdiencapaciteit van de betrokken verzekerde.

Het vorenstaande leidt er toe dat in dit geding het hoger beroep niet kan slagen

en dat de Raad voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) geen termen aanwezig acht.

Met betrekking tot het geding geregistreerd bij de Raad onder nr. 97/9591 AAW/WAO

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagdes besluit tot niet uitbetaling

van appellants uitkering ingevolge de WAO met toepassing van artikel 44 van die

wet gedurende de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996 in

rechte stand kan houden.

Aan dat besluit ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat de mate van appellants

arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO ongewijzigd 80 tot 100%

bedraagt en dat gedurende de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november

1996 appellants arbeidsongeschiktheids-uitkering onder toepassing van artikel 44

van de WAO niet wordt uitbetaald omdat appellant moet worden beschouwd als ware

hij ingedeeld in de klasse minder dan 15%.

Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij gedurende de periode van 19

augustus 1996 tot en met 19 november 1996 arbeid heeft verricht. Hij heeft

aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden verrichtte gedurende drieëneenhalve dag per

week, zodat de uitkering gedurende anderhalve dag per week dient te worden

gevrijwaard van toepassing van artikel 44 van de WAO.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO bepaalt dat indien degene,

die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid

geniet, waarvan niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18,

vijfde lid, van de WAO, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering

niet wordt ingetrokken, doch dat die uitkering niet wordt uitbetaald indien de

inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde

lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een

arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.

In zijn uitspraak van 23 december 1998, gepubliceerd in USZ 1999/50 en RSV

1999/83, heeft de Raad reeds gewezen op het nauwe verband tussen de in artikel 33

van de AAW neergelegde kortingsregeling op basis van een zogeheten fictieve

schatting enerzijds en de in artikel 5 van de AAW neergelegde regeling inzake

daadwerkelijke schatting anderzijds, welke regelingen ten opzicht van elkaar een

complementaire werking hebben en deel uitmaken van een en dezelfde systematiek.

Daarbij is er op gewezen dat die complementaire werking is gelegen in de

omstandigheid dat in geval een arbeidsongeschikte inkomsten uit arbeid geniet òf

een schatting plaatsvindt op basis van artikel 5 van de AAW òf een korting -

gedurende een gemaximeerde periode - indien een dergelijke schatting niet mogelijk

is. De Raad voegt daaraan toe dat dit niet anders is met betrekking tot de aan

artikelen 5 en 33 van de AAW overeenkomstige artikelen 18 en 44 van de WAO.

Uitgaande van deze samenhang tussen de in artikel 44 van de WAO neergelegde

kortingsregeling en artikel 18 van de WAO is de Raad van oordeel dat de schatting

van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 44 van de WAO

in beginsel op dezelfde wijze dient te geschieden als de vaststelling van de mate

van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van de WAO en de op het achtste

lid van dat artikel gebaseerde Schattingsbesluit (Stb. 1994, 596), zoals die

bepalingen luidden ten tijde in geding.

De Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld, onder meer in USZ 1997/88 en RSV 1997/142,

dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van degene die voor het

intreden van de arbeidsongeschiktheid voltijds werkzaam was wordt gevormd door het

verschil tussen het vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid genoten inkomen

per maand - c.q. een andere betalingsperiode - en het inkomen dat de verzekerde

over eenzelfde periode nog kan verwerven. Voorts wordt ingevolge artikel 2 aanhef

en onder h (oud) van het Schattingsbesluit bij het bepalen van de mate van

arbeidsongeschiktheid van een verzekerde uitgegaan van diens feitelijke inkomsten,

wanneer dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, dan het bepalen

van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van een theoretische schatting.

Het vorenstaande leidt er toe dat voor een juiste toepassing van de

kortingsregeling van artikel 44 van de WAO in het geval van appellant de schatting

van de fictieve mate van zijn arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand

van een vergelijking van enerzijds het voor hem geldende maatmaninkomen per maand

met anderzijds de door hem feitelijk per maand genoten inkomsten uit arbeid. Voor

een berekeningswijze zoals appellant die voorstaat is derhalve geen plaats.

Met betrekking tot de in aanmerking genomen inkomsten staat voor de Raad, gelet

op de hiervoor in het geding 97/9590 WAO vermelde resultaten van een

fraude-onderzoek, genoegzaam vast dat appellant gedurende de periode van 19

augustus 1996 tot zijn aanhouding op 20 november 1996 werkzaamheden heeft verricht

in de bouw en dat hij hiermee inkomsten heeft verworven van gemiddeld f 600,-- netto

per week. Tegen de achtergrond van hoger bedoelde berekeningswijze van de

fictieve mate van arbeidsongeschiktheid leidt deze vaststelling van de omvang van

appellants verdiensten ertoe dat de fictieve mate van zijn arbeidsongeschiktheid

minder dan 15% bedraagt, hetgeen betekent dat geen aanspraak (meer) bestaat op

arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gegeven de periode waarover appellants

werkzaamheden zich hebben uitgestrekt, dient voor de toepassing van artikel 44 van

de WAO die fictieve mate van arbeidsongeschiktheid te gelden van 19 augustus 1996

tot en met 19 november 1996.

Appellant heeft met betrekking tot het voor hem geldende maatmaninkomen nog

aangevoerd dat sedert de laatste vaststelling van dat inkomen in 1987 tot de datum

in geding ten onrechte uitsluitend is geïndexeerd. Uit de gedingstukken is de Raad

gebleken dat de laatste beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van

appellant heeft plaatsgevonden in 1991. Gelet op de voorschriften van het

Schattingsbesluit dient derhalve de vaststelling van het maatmaninkomen te

geschieden door middel van een actualisering van dat inkomen per 1991 en

vervolgens tot de periode thans in geding door indexering op de in artikel 6 (oud)

van het Schattingsbesluit voorgeschreven wijze. De Raad is echter met gedaagde van

oordeel dat deze laatste wijze van vaststellen niet leidt tot een andere klasse-indeling.

Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet kan slagen en de

aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tenslotte ook in dit geding geen termen aanwezig om toepassing te

geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek

en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB