Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:BJ7109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
98/8431 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanrakingen borsten bij drietal meisjes; dergelijk gedrag is voor leraar tov de aan zijn zorg toevertrouwde leerlingen zonder meer als plichtsverzuim aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/8431 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel "De Baarsjes" van de gemeente Amsterdam, appellant,

en

[gedaagde], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 6 oktober 1998 onder nummer 97/752/27 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 7 mei 1999 heeft appellant een brief van 14 april 1999 in geding gebracht van

dr M. van Bruinessen, verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2000. Aldaar heeft appellant zich niet doen vertegenwoordigen. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A. Olthof, verbonden aan de Algemene Onderwijsbond, als zijn raadsvrouwe.

II. MOTIVERING

Voor een meer uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Gedaagde was sedert 1986 werkzaam bij het openbaar basisonderwijs in Amsterdam als leraar Onderwijs Eigen Taal en Cultuur (OETC) in de Turkse taal en cultuur en als zodanig laatstelijk werkzaam aan de openbare basisschool [naam obs] in appellants stadsdeel. Naar aanleiding van een omtrent gedaagde ingekomen klacht van een vader van een leerling dat gedaagde zich kwetsend had uitgelaten over het vieren van de Ramadan is in februari 1996 bij leerlingen van groep 6 en groep 8 navraag gedaan naar de ervaringen met gedaagde. Uit deze gesprekken zijn omtrent gedaagde diverse klachten naar voren gekomen onder meer betrekking hebbend op handtastelijkheden en het ongewenst aanraken van meisjes.

Vanwege appellant is naar aanleiding van deze klachten onderzoek gedaan en zijn gesprekken gevoerd met gedaagde, met de oud-directeur en de directeur van de school en met diverse leerkrachten. Op 10 april 1996 heeft de in het stadsdeel werkzame leerplichtambtenaar met assistentie van psychiater J.A.G. Somers, verbonden aan het RIAGG, een gesprek gevoerd met vier meisjes uit destijds groep 8 van welk gesprek een verslag is opgemaakt.

Bij schrijven van 21 juni 1996 is vanwege appellant aan gedaagde kenbaar gemaakt dat het voornemen bestond hem bij wijze van disciplinaire maatregel te ontslaan. Gedaagde heeft terzake zijn zienswijze zowel schriftelijk als mondeling tijdens een op 21 augustus 1996 gehouden hoorzitting kenbaar gemaakt. Gedaagde heeft de ingebrachte beschuldigingen ontkend. Bij besluit van 28 augustus 1996 heeft appellant gedaagde met ingang van 29 augustus 1996 gestraft met de disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit onder meer het gedurende de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 onzedelijk betasten van vier meisjes. Bij besluit van 22 oktober 1996 heeft appellant naar aanleiding van nader beschikbaar gekomen informatie kenbaar gemaakt geen aanleiding te zien terug te komen op zijn ontslagbesluit. Een namens gedaagde tegen het besluit van 28 augustus 1996 ingediend bezwaar is bij het thans in geding zijnde besluit van 17 december 1996 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is evenbedoeld besluit van 17 december 1996 onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, vernietigd met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellants besluiten van 28 augustus 1996 en 22 oktober 1996 te herroepen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant gelet op artikel II-C5 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel uitsluitend nog bevoegd was om gedaagde te straffen vanwege zijn uit de verklaringen van de vier meisjes blijkende gedragingen en dat met betrekking tot dit plichtsverzuim onvoldoende zekerheid is verkregen. De rechtbank heeft daarbij betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de vier betrokken meisjes gezamenlijk zijn gehoord en tijdens de met hen gevoerde gesprekken in het Turks hebben kunnen overleggen, terwijl de gesprekspartners deze taal niet machtig waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant aldus niet het waarheidsgehalte van hetgeen door deze meisjes is verklaard kunnen controleren. Hierbij heeft de rechtbank voorts van belang geacht dat uit de gedingstukken is gebleken van een vijandige houding op grond van politieke en godsdienstige motieven bij de leerlingen en bij ouders van leerlingen jegens gedaagde omdat deze Koerd is en niet belijdend Islamiet.

In hoger beroep heeft appellant zich niet gekeerd tegen de opvatting van de rechtbank dat hij niet (meer) de bevoegdheid had om gedaagde te straffen voor de overige aan hem verweten gedragingen. Naar het oordeel van appellant staat op grond van de beschikbare gegevens evenwel voldoende vast dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim met als zwaartepunt het gedurende de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 onzedelijk betasten van meisjes uit groep 8. Daartoe heeft appellant een aanvullende verklaring van 17 december 1998 ingezonden van de leerplichtambtenaar M. Scholten en jeugdpsychiater J.A.G. Somers die beiden op 10 april 1996 met de vier meisjes hebben gesproken, waaruit blijkt dat de vier meisjes op 10 april 1996 op uitdrukkelijk verzoek van eerstgenoemde geen enkel woord Turks hebben gesproken. Voorts zijn van de zijde van appellant aanvullende verklaringen van drie van de vier meisjes ingezonden naar aanleiding van met ieder van hen afzonderlijk op 2 december 1998 en op 11 december 1998 gehouden gesprekken. Uit de eveneens ingezonden verklaring van het vierde meisje blijkt dat deze zich tijdens het met haar op 2 december 1998 gehouden gesprek nadrukkelijk van haar ondersteuning van de eerdere gezamenlijke verklaring heeft gedistantieerd.

De Raad overweegt als volgt.

Voor de beoordeling van het thans aan de orde zijnde geschil kan en zal de Raad niet voorbij gaan aan de nader van de zijde van appellant in hoger beroep ingezonden verklaringen. De omstandigheid dat één van de meisjes is teruggekomen op de gezamenlijke verklaring uit 1996, brengt met zich mee dat de Raad voor zijn oordeelsvorming hetgeen blijkens de eerder gezamenlijk afgelegde verklaring aan haar is overkomen, buiten beschouwing zal laten.

Deze nadere door drie van de vier meisjes afzonderlijk afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de inhoud van de eerder door hen gezamenlijk ondertekende verklaring van 10 april 1996, oordeelt de Raad op cruciale punten zodanig consistent dat daaruit in ieder geval met voldoende zekerheid is af te leiden dat gedaagde bij elk van deze drie meisjes een tot enkele malen is gekomen tot aanrakingen van hun borsten, onder meer door achter hen te gaan staan, zijn handen op hun schouders te leggen en vervolgens naar beneden te laten "wandelen". Anders dan de rechtbank kan de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten vinden dat de door deze drie meisjes afgelegde verklaringen zijn beïnvloed door bij henzelf of hun ouders levende godsdienstige en politieke overwegingen.

Hoewel het thans aan de orde zijnde geschil niet meer betrekking heeft op de overige punten van het oorspronkelijk aan gedaagde verweten plichtsverzuim acht de Raad deze overige punten voor de beoordeling van het thans aan de orde zijnde geschil evenwel niet geheel zonder betekenis. Met name kan de Raad er niet aan voorbij zien dat oorspronkelijk aan gedaagde tevens is verweten dat hij sinds het schooljaar 1989/1990 een aantal vrouwelijke leerkrachten ongewenst betast heeft en dat enkele vrouwelijke collega's van gedaagde hebben verklaard dat hij hen op ongepaste wijze heeft aangeraakt en in het algemeen "klef" gedrag vertoonde jegens vrouwen. Dit ziet de Raad als een verdere ondersteuning van hetgeen door de drie meisjes terzake van gedaagdes gedragingen is verklaard. Daargelaten hetgeen overigens uit de verklaringen van deze meisjes zou zijn af te leiden, is voor de Raad in ieder geval komen vast te staan dat gedaagde bij drie van zijn vrouwelijke leerlingen één tot enkele malen is gekomen tot onzedelijke aanrakingen.

Een dergelijk gedrag is naar het oordeel van de Raad voor een leraar ten opzichte van de aan zijn zorg toevertrouwde leerlingen zonder meer als plichtsverzuim aan te merken. De Raad heeft voorts op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet de overtuiging kunnen krijgen dat dit plichtsverzuim gedaagde niet was toe te rekenen, zodat appellant bevoegd was hem in verband met dit plichtsverzuim disciplinair te straffen. De Raad oordeelt voorts dit plichtsverzuim van een zodanige ernst dat naar zijn opvatting de straf van ongevraagd ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het namens gedaagde ingestelde inleidende beroep alsnog ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr H.R. Geerling-Brouwer en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2000.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.

HD