Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AO8637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2000
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
99/1244 WAOCON
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de door gedaagde ongedateerde brief, welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de Woow is verzonden, een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen 13
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen 13
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1244 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arron-dissementsrechtbank te Roermond van 2 maart 1999, nr. 98/1096 WAO K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 1999, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde - zoals tevoren bericht - zich niet heeft doen vertegen-woordigen.

II. MOTIVERING

Appellant had op 31 december 1997 recht op een zogeheten WAO-conforme uitkering. Middels een ongedateerde brief, welke in januari 1998 is verzonden, is appellant medegedeeld dat zijn WAO-conforme uitkering per 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 17 november 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellants bezwaren tegen het bestreden besluit richten zich in wezen tegen het besluit van 13 december 1994, waarbij de toenmalige hoofddirectie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft beslist dat appellant uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking van plaatsvervangend kanselier bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag te vervullen, dat hij niet herplaatsbaar is en dat zijn invaliditeitsgraad 80% of meer bedraagt. Appellant heeft voorts aange-voerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 6 van dat verdrag. Bovendien beschouwt appellant de omzetting van zijn WAO-conforme uitkering in een WAO-uitkering als een verdere degradatie van zijn ambtelijke positie.

De Raad overweegt het volgende.

Bij besluit van 24 december 1997 (Stb. 769) is bepaald dat de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Woow) en de in deze wet bedoelde fase 1 met in-gang van 1 januari 1998 in werking treedt. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van deze wet hebben de (gewezen) overheidswerknemers, die op 31 december 1997 recht hebben op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van 1 januari 1998 indien de Woow niet in werking was getreden, per 1 januari 1998 recht op een uitkering op grond van de WAO. Artikel 36, eerste lid, van de Woow bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) ambtshalve van iedere (gewezen) overheidswerknemer, die daarvoor in aanmerking komt, het recht op uitkering vast-stelt.

De Raad stelt vooreerst vast dat gedaagdes ongedateerde brief van januari 1998, welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de Woow is verzonden, een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat. Nu deze brief geschreven is ter uitvoering van de ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Woow, op gedaagde rustende verplichting om vast te stellen of onder meer op grond van artikel 13 van die wet recht op een uitkering op grond van de WAO bestond, was die brief op rechtsgevolg gericht en hield zij derhalve publiekrechtelijke rechtshandelingen en daarmee een besluit in.

Naar aanleiding van hetgeen appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd wijst de Raad er op dat in dit geding slechts ter beantwoording voorligt de vraag of gedaagde appellants WAO-conforme uitkering per 1 januari 1998 terecht heeft omgezet in een WAO-uitkering. Op grond van de beschikbare gegevens beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Ter voorlichting van partijen merkt de Raad daarbij op dat hiermee geen oordeel is gegeven over de vraag of appellant in 1994 terecht arbeidsongeschikt is verklaard; die vraag is in dit geding niet aan de orde.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het be-streden besluit in strijd is met artikel 6 van het EVRM, dan wel artikel 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM, voor zover dat verdrag al van toepassing is. Voorts vermag de Raad, evenals de rechtbank, niet in te zien dat de omzetting van een WAO-conforme uitkering in een WAO-uitkering een degradatie van appellants positie als gewezen ambtenaar zou inhouden.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr J.H. van Kreveld en mr H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2000.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

17.01