Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AE8639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2000
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
98/6131 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/180
NTFR 2000, 794

Uitspraak

98/6131 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij brief van 8 september 1995 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld, dat verzekeringsplicht ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt aangenomen voor de door [medegemachtige] sedert 1 januari 1992 voor appellante verrichte werkzaamheden. Bij besluit van

28 maart 1996 heeft gedaagde het tegen dit besluit ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 juni 1998 het tegen het besluit van

28 maart 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant hebben prof. dr M.W.C. Feteris en mr C.C.M.A. Ascoop, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers, belastingadviseurs te Amsterdam, op de in het aanvullend beroepschrift, gedagtekend 8 februari 1999, aangevoerde gronden, zoals nog aangevuld bij schrijven d.d. 20 maart 2000, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Vanwege gedaagde is, onder dagtekening 29 april 1999, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 maart 2000, waar appellante werd vertegenwoordigd door mr Ascoop voornoemd als gemachtigde en [medegemachtige], voornoemd, als medegemachtigde. Voor gedaagde is verschenen mr M.T.M. van der Veer, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante voert een onderneming die zich richt op het verlenen van diensten op het gebied van software en consultancy, het oprichten en deelnemen in ondernemingen en het verstrekken van garanties. Zij heeft met [naam bedrijf], waarvan [medegemachtige], voornoemd, mede-aandeelhouder en vanaf 1 januari 1992 directeur/grootaandeelhouder was, een zogenoemde raamovereenkomst gesloten om Kroon voornoemd als automatiseringsdeskundige vanaf

22 april 1991 te werk te stellen bij de NMB Postbank Groep.

In de raamovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

artikel 1.1: ASAP zal waar mogelijk medewerkers ter beschikking van [appellante] stellen, die [appellante] assistentie zullen verlenen bij uitvoering van organisatie- en/of automatiseringswerkzaamheden ten behoeve van [appellante] of opdrachtgevers van [appellante];

artikel 2.1: de overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 22 april 1991 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd (..);

artikel 3.2: [appellante] of haar opdrachtgever kunnen -wanneer zij dit voor de uitvoering van een opdracht of anderszins nuttig, wenselijk of noodzakelijk achten- met inachtneming van deze overeenkomst en het betreffende opdrachtscontract de in een opdrachtscontract genoemde medewerker werkopdrachten verstrekken;

artikel 9 bevat een geheimhoudingsclausule en artikel 15 bevat een concurrentiebeding.

Gedaagde heeft op grond van een door haar ingesteld onderzoek geconcludeerd dat verzekeringsplicht ingevolge de WW, ZW en de WAO moet worden aangenomen voor de door Kroon sedert 1 januari 1992 verrichte werkzaamheden, die hij geacht wordt in dienstbetrekking van appellante te hebben verricht. Gedaagde heeft haar standpunt met name gebaseerd op de raamovereenkomst tussen appellante en ASAP BV.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat gedaagde en de rechtbank zich te zeer hebben gebaseerd op de bepalingen van de raamovereenkomst en onvoldoende de feitelijke omstandigheden in ogenschouw hebben genomen.

Voorts stelt appellante subsidiair dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is, aangezien in het Convenant met de Raad voor de Interim-managers vastgelegd is dat onder bepaalde voorwaarden interimmanagers niet aan de verzekeringsplicht onderworpen zijn.

Ten slotte doet appellante een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, dat geschonden zou zijn omdat gedaagde haar standpunt uitsluitend op de raamovereenkomst gebaseerd heeft.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank neemt de Raad een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan in de zin van artikel 3 van de werknemersverzekeringen tussen Kroon voornoemd en [appellante] BV. Het feit dat de overeenkomst tussen Kroon en appellante formeel gesloten is tussen ASAP en [appellante] BV staat niet aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst tussen Kroon en appellante in de weg. Dat is met name het geval, zo heeft de Raad in vaste jurisprudentie overwogen, waarbij de Raad onder meer verwijst naar zijn uitspraak van 10 oktober 1996, RSV 1997/7, indien de facto sprake is van een persoonlijke arbeidsverrichting, omdat er binnen de desbetreffende vennootschap waarmee de overeenkomst is gesloten, geen andere werknemers zijn die de betreffende werkzaamheden kunnen uitvoeren en het contract met de vennootschap dus feitelijk gesloten is met het oog op de persoonlijke inzet van de directeur-aandeelhouder van de vennootschap.

De in deze rubriek weergegeven bepalingen uit de raamovereenkomst wijzen op het bestaan van een gezagsverhouding tussen appellante en Kroon. Aan de stelling van appellante dat zij slechts tussen de NMB Postbankgroep en ASAP BV was geschoven, aangezien eerstgenoemde geen directe contractsrelatie met laatstgenoemde wilde aangaan, kan de Raad, gelet op de duidelijke bewoordingen van de raamovereenkomst en de overige feitelijke omstandigheden, niet het gewicht toekennen dat appellante er kennelijk aan toegekend wil zien.

Evenmin ziet de Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen, enkel al niet omdat Kroon niet als interim manager werkzaam was.

Ten slotte is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het bestreden besluit.

De aangevallen uitspraak komt op grond van bovenstaande voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr R.C. Schoemaker als voorzitter en mr G. van der Wiel en mr F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2000.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Huls.

JdB

1905