Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AE8535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2000
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
99/1834 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1834 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op daartoe bij beroepschrift van 7 april 1999 (met bijlagen) aangevoerde gronden is namens appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Breda tussen partijen gewezen uitspraak van

10 maart 1999, waarbij het inleidend beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 18 maart 1998 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart 2000. Namens appellante is haar echtgenoot C.H. Roos verschenen. Voor gedaagde is ter zitting opgetreden J.P. W. Raymakers, werkzaam bij de gemeente Breda.

II. MOTIVERING

Gelet op de inhoud van de gedingstukken verwijst de Raad voor wat betreft de van belang zijnde feiten, rechtsregels en de in eerste aanleg door partijen ingenomen standpunten naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is vermeld.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vast gehouden aan de in haar primair besluit van 8 januari 1998 neergelegde weigering om appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en artikel 2.8 aanhef en sub a van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Breda (hierna: de verordening) bij wijze van woonvoorziening een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van verhoging van twee toiletpotten en het aanbrengen van douchebeugels.

Daartoe is door gedaagde onder meer overwogen dat het recht op een woonvoorziening ingevolge de zojuist vermelde bepaling van de verordening en de daarbij behorende toelichting niet geldend kan worden gemaakt indien zonder toestemming reeds is begonnen met de werkzaamheden waarop de voorziening betrekking heeft.

De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante, naar door haar niet wordt betwist, de werkzaamheden al had laten verrichten voordat zij de onderhavige aanvraag heeft ingediend. Met inachtneming daarvan heeft de rechtbank de visie van gedaagde onderschreven en het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante, evenals zij in bezwaar en in eerste aanleg heeft gedaan, er op gewezen dat de onderhavige aanpassingen door haar (echtgenoot) in eigen beheer en op eigen initiatief en kosten zijn aangebracht. Voorts is namens haar aangevoerd dat zij pas naderhand op de hoogte raakte van de in de verordening geregelde mogelijkheden en voorwaarden terzake woonvoorzieningen.

Hetgeen namens appellante -bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg- naar voren is gebracht geeft de Raad geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank.

Naar de Raad reeds eerder in soortgelijke zaken als zijn oordeel te kennen heeft gegeven betreft het hier van toepassing zijnde onderdeel van artikel 2.8 van de verordening een bepaling van dwingend recht. Nu gesteld noch gebleken is dat die bepaling niet op de rechtens voorgeschreven wijze bekend is gemaakt brengt de door appellante benadrukte onbekendheid met dat voorschrift op zich zelf niet mee dat gedaagde in haar geval gehouden zou zijn aan die bepaling voorbij te gaan.

Dat in sommige andere gemeenten naast de rechtens voorgeschreven bekendmaking van verordeningen wellicht ook op een meer gerichte wijze, onder meer in samenwerking met ziekenhuizen en huisartsen, aan gehandicapten specifieke voorlichting wordt gegeven over het aanvragen van een voorziening in het kader van de WVG, doet aan het vorenoverwogene niet af. Zulks teminder nu, naar ter zitting namens gedaagde is bevestigd, in de gemeente Breda ten tijde in geding ten minste op de gebruikelijke wijzen algemene voorlichting aan de inwoners werd gegeven over de verstrekking van voorzieningen ingevolge de WVG en de verordening.

Hetgeen namens appellante voorts is aangevoerd gaat voorbij aan voormelde hier van toepassing zijnde bepaling van artikel 2.8 van de verordening. De Raad acht voorts, evenals de rechtbank, niet gebleken van bijzondere omstandigheden die gedaagde er in het onderhavige geval toe hadden moeten brengen om ten gunste van appellante de hardheidsclausule toe te passen.

Het ingestelde hoger beroep treft derhalve geen doel.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ingevolge art 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter,

mr D.J. van der Vos en mr G. van der Wiel als leden,

in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

JdB

1404