Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AE7874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
99/337 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

99/337 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam eiser], wonende te [naam woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 15 december 1998, kenmerk 0287199/BZ 853/98/455, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift heeft mr A.H. Knigge, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als gemachtigde van eiser uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 27 juli 2000, met als bijlage een verklaring van huisarts Valk d.d. 30 april 1999 alsmede van M.Karpe maatschappelijk werkende bij SINAï-ambulant, heeft eisers gemachtigde de gronden van het beroep nader toegelicht.

Bij schrijven van 17 augustus 2000 heeft B.R.Hilliger,maatschappelijk werkende bij de stichting PELITA, nog een stuk aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 augustus 2000. Aldaar is eiser, noch zijn gemachtigde, zoals tevoren bericht, verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.

In mei 1998 heeft eiser zich tot verweerster gewend met een aanvraag om een voorziening terzake van onder andere de kosten, verbonden aan extra vakantie met begeleiding door zijn echtgenote.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit d.d. 31 juli 1998, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder de overweging - kort gezegd - dat de gevraagde voorziening niet is geïndiceerd op grond van eisers voor de toepassing van de Wet aanvaarde klachten.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster in overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur, de arts H.P.J. Bonarius. In dit advies concludeert deze geneeskundig adviseur, terwijl hij daarbij verwijst naar een eerder advies d.d. 27 juli 1998 van de geneeskundig adviseur P. Windels, dat er geen medische indicatie bestaat voor de door eiser gevraagde extra vakantie op grond van zijn oorlogsletsel. Dat vakantie hem goed zou doen, is daartoe ontoereikend. Evenmin is er in dit kader sprake van extra kosten.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies naar behoren voorbereid en gemotiveerd.

In de voorhanden medische gegevens en andere gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om dit advies onjuist te oordelen.

De Raad laat daarbij wegen dat eiser volgens zijn eigen verklaring meerdere keren per jaar een aantal dagen, soms 1 á 2 weken met vakantie gaat.

Dit is echter niet meer dan algemeen gebruikelijk, zoals eveneens gebruikelijk is dat een echtgenote mee gaat. Gezien deze omstandigheden en bij gebreke van enig aanvullend medisch gegeven, acht ook de Raad het door eiser gevraagde betrekking hebben op een algemeen gebruikelijke vakantie zodat er geen sprake is van extra kosten in de zin van artikel 32 en 33 van de Wet.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2000.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.