Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AB2459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
98/1500 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/1500 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 22 januari 1998, nr. Awb 96/6003 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J.W.H. Buiting, verbonden aan Van Kleef en Partners BV. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr J.M.M.B. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te ’s-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant was vanaf 1973 tot 1 januari 1996 werkzaam bij het destijds tot de openbare dienst van de gemeente [gemeente] behorende Centrum [centrum] ([centrum]) als docent muziekonderwijs. Op 15 juli 1993 heeft de gemeenteraad van deze gemeente besloten tot privatisering van onder meer het [centrum]. In dat kader heeft de gemeenteraad op 15 juli 1993 een Sociaal Statuut vastgesteld, waarover met het Georganiseerd Overleg overeenstemming was bereikt. De doelstelling van dit Statuut is behoud van werkgelegenheid bij privatisering. Blijkens het Statuut vindt de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering zoveel mogelijk gelijke toepassing. Genoemde regeling bevat voor het geval van privatiseringsontslag een beperking van de gebruikelijk bij een ontslag wegens opheffing van de functie aan het algemeen ambtenarenreglement en de wachtgeldverordening te ontlenen aanspraken.

De privatisering kreeg uiteindelijk haar beslag met ingang van 1 januari 1996.

Inmiddels was krachtens raadsbesluit van 23 februari 1995 per 1 april 1995 in werking getreden de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en waren, krachtens de overgangsbepaling van artikel 13:1, tweede lid, van de CAR, per genoemde datum komen te vervallen het algemeen ambtenarenreglement en de verordeningen die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend waren aan de bepalingen van de CAR.

Het voorgaande heeft geleid tot eervol ontslag van appellant per 1 januari 1996, zulks op grond van het bepaalde in artikel 8:4, eerste lid, van de CAR, bij besluit van 5 december 1995, waarna appellant zijn werkzaamheden bij de Stichting [stichting] heeft voortgezet. Het besluit van 5 december 1995 is, na door appellant gemaakt bezwaar, gericht tegen de weigering hem hierbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 10 van de CAR wachtgeld toe te kennen, bij het bestreden besluit van 18 juni 1996 gehandhaafd. Hieraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat in geval van appellant sprake is van een privatiseringsontslag bedoeld in het Sociaal Statuut en dat deze bijzondere regeling voorrang heeft op de algemene wachtgeldregeling in de CAR.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat gedaagde bij zijn ontslag op grond van het bepaalde in artikel 8:4, eerste lid, van de CAR ten onrechte heeft geweigerd wachtgeld toe te kennen. Appellant heeft hierbij het standpunt ingenomen dat het in 1993 vastgestelde Sociaal Statuut met de inwerkingtreding van de CAR zijn rechtskracht heeft verloren.

Evenals de rechtbank kan de Raad appellant hierin niet volgen. Ook de Raad is van oordeel dat het Sociaal Statuut uit 1993 als lex specialis van toepassing is gebleven nadat de CAR op 1 april 1995 in werking is getreden in de gemeente [gemeente], nu in de CAR niet een speciale regeling is getroffen ten aanzien van de wachtgeld- en uitkeringsaanspraken bij privatiseringsontslag. De Raad volstaat hier met verwijzing naar de bovenvermelde overgangsbepaling in artikel 13:1, tweede lid, van de CAR.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad niet toe aan het antwoord op de vraag of gedaagde niet te laat, immers eerst tijdens de bezwaarfase nadat het primaire besluit van 5 december 1995 was genomen, van het Sociaal Statuut melding had gemaakt als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de CAR.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde zich bij zijn weigering om appellant wachtgeld toe te kennen terecht heeft gebaseerd op het Sociaal Statuut en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.L.M.J. Stevens en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2000.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S.P. Madunic.

HD

20.11

Q