Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AB1899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2000
Datum publicatie
26-02-2002
Zaaknummer
98/4813 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57, geldigheid: 2000-12-14
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2000-12-14
Besluit proceskosten bestuursrecht 1, geldigheid: 2000-12-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/15

Uitspraak

98/4813 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aan-gevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 24 juni 1998, nr. 97/2472 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting als bedoeld in arti-kel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

II. MOTIVERING

Bij de aangevallen uitspraak voor zover in het geding in hoger beroep aan de orde heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de kosten van de procedure van gedaagde, die aldaar werd bijgestaan door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleende. De rechtbank heeft de kosten van deze rechtsbijstand bepaald op totaal f 2.130,-.

Het door appellant ingestelde hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de hoogte van het vorengenoemde bedrag. Appellant heeft er dienaangaande op gewezen dat de gemachtigde van gedaagde in eerste aanleg slechts twee ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen heeft verricht, bestaande uit het indienen van een beroepschift en het verschijnen ter zitting. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat het gewicht van de zaak naar zijn opvatting gemiddeld is, hetgeen ingevolge het Bpb, na vermenigvuldiging van de - vanwege voormelde proceshandelingen verkregen - twee punten met factor 1, leidt tot een proceskostenveroordeling van f 1.420,-.

Blijkens het verweerschrift is gedaagde daarentegen van mening dat het aan proceskosten toegekende bedrag niet te hoog is gezien het tijdsbestek vanaf het primaire besluit, de hoeveelheid stukken voorafgaand aan en vanaf het primaire besluit en het werk dat moest worden verzet (ordenen van alle feiten en geschriften) voordat een beroepschrift kon worden ingediend.

De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de aangevallen uitspraak kan niet worden afgeleid waarop de rechtbank de proceskostenveroordeling van f 2.130,- heeft gebaseerd. Niet in geding is dat in eerste aanleg sprake was van voormelde voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen. Gezien de voorhanden zijnde stukken en de aard van de daaruit voortvloeiende rechtsvragen - hierbij doelt de Raad in het bijzonder op de door de rechtbank bevestigend beantwoorde vraag of het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege een overschrijding van de zes weken termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht - is deze zaak te kenschetsen als zijnde van niet meer dan gemiddelde zwaarte. In hetgeen namens gedaagde is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de proceskostenveroordeling vast had moeten stellen op f 1.420,-. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover appellant daarbij is veroordeeld in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 2.130,-;

Bepaalt dat de proceskosten van gedaagde in eerste aanleg nader worden vastgesteld op f 1.420,-.

Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2000.

(get.) W. van den Brink.

(get.) D. Boers.

HD

23.11

Q