Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AB1153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2000
Datum publicatie
25-02-2002
Zaaknummer
97/11385 ABP + 97/11386 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/11385 ABP + 97/11386 ABP

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeen-te Noord-Beveland, appellant,

en

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Op in het beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 6 november 1997, nummer AWB 96/6219 ABP en AWB 96/10090 ABP, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 1 april 1998 - met bijlagen - heeft appellant de beroepsgronden nog aangevuld, waarop gedaagde bij schrijven van 12 januari 2000 haar reactie heeft gegeven.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 7 september 2000 waar voor appellant is verschenen C.H. Poortvliet, werkzaam bij de gemeente Noord-Beveland, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoor-digen door mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

In deze gedingen is aan de orde de toepassing van de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de Wet).

De Wet is bij wet van 21 december 1995, Stb. 639, met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geschil kennis te nemen.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de belangen van appellant niet rechtstreeks zijn betrokken bij de besluiten tot toekenning van een ouderdomspensioen aan A., tot 1 oktober 1993 burgemeester van de voormalige gemeente X. en van 2 november 1992 tot 1 januari 1995 waarnemend burgemeester van de voormalige gemeente Y. De Raad acht dit juist; hij kan de overweging van de rechtbank ter zake ten volle onderschrijven.

Hetgeen appellant in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht kan er niet toe leiden dat hij wel als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

Ook in hoger beroep staat ten gronde ter beantwoording de vraag of terecht en op goede gronden met toepassing van artikel N 7 van de Wet ook bij de gemeente Noord-Beveland de zwaardere last in rekening is gebracht die voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is ontstaan doordat de aan de door A. ingaande 2 november 1992 vervulde gecombineerde betrekking van burgemeester van de voormalige gemeente X. en waarnemend burgemeester van de voormalige gemeente Y. verbonden bezoldiging is vastgesteld conform bijlage II van het Rechtspositie- en bezoldigingsbesluit burgemeesters, vergelijkbaar met het maximum van schaal 13 BBRA, waar hij tevoren bezoldigd werd conform bijlage I van dat besluit, vergelijkbaar met schaal 11 BBRA.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Raad kan de door de rechtbank gehanteerde overwegingen, welke in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van de Raad, geheel onderschrijven en maakt die tot de zijne.

Dat geldt ook de gehanteerde verdeelsleutel volgens welke gedaagde het bedrag van de contante waarde van de lasten-vermeerdering heeft verdeeld tussen de gemeenten Tholen als rechtsopvolgster van de gemeente X. en de gemeente Noord-Beveland als rechtsopvolgster van de gemeente Y.

De Raad voegt aan de overwegingen van de rechtbank slechts toe dat niet gezegd kan worden dat gedaagde niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat bij de afweging van enerzijds het belang dat A. heeft bij toepassing van artikel N 7 van de Wet, tegen anderzijds het belang van appellant dat toepassing zou worden gegeven aan het bepaalde in artikel L 9 van de Wet, het belang van A. het zwaarste dient te wegen.

Het beroep in dit verband op de uitspraak van de Raad d.d. 29 december 1993, nr ABP 1982/36, kan appellant niet baten, reeds omdat, anders dan in het in die uitspraak aan de orde zijnde geval, A. de gecombineerde betrekking ruim twee jaar heeft vervuld.

Zoals hierboven reeds aangegeven kan gedaagdes besluit artikel N 7 van de Wet toe te passen de, aangezien het hier een discretionaire bevoegdheid betreft, beperkte rechterlijke toetsing doorstaan.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van f 675,--.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr G.L.M.J. Stevens en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2000.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

21.09