Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AB0575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
19-03-2001
Zaaknummer
99/3473 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Criteria voor beoordeling verwijtbare werkloosheid in verband met baanwisseling partner.

Ontslagname door gedaagde per 1 juli 1998 in verband met verhuizing in verband met het feit dat haar echtgenoot elders een betrekking heeft aanvaard.

Appellant heeft gedaagde naar aanleiding van haar WW-aanvraag een maatregel opgelegd, zijnde verlaging van het uitkeringspercentage van 70 naar 35 gedurende 26 weken onder de overweging dat de verandering van baan door gedaagdes echtgenoot berust op een persoonlijke voorkeur zijnerzijds, zodat sprake is van verwijtbare werkloosheid.

De Raad is van oordeel dat, wat betreft gevallen waarin ontslag wordt genomen wegens verhuizing als gevolg van een baanwisseling van de partner, het spoort met art. 24.2.b, WW, dat deze bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat er in beginsel geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, indien aannemelijk is dat met die baanwisseling een aanwijsbaar en reëel belang wordt gediend en mits tevens voldaan is aan (ten minste) de voorwaarden dat de bestaande dienstbetrekking zolang mogelijk is voortgezet en dat heen en weer reizen redelijkerwijs onmogelijk is.

De Raad sluit zich voorts aan bij de zienswijze van het kabinet (TK 1994-1995, 23909, nr. 8 p. 34, nr. 12 p. 14/15 en nr. 14 p. 22) ten aanzien van. de betekenis van het verrichten van inspanningen om in de nieuwe woonomgeving werk te verkrijgen.

Ook de Raad is thans van opvatting dat dit aspect dient te worden beoordeeld in het kader van art. 24.1.b.1, WW. Daaraan zij toegevoegd dat in gevallen als hier aan de orde - meer nog dan gewoonlijk al het geval is - een vroegtijdige en grote mate van inspanning en ruime opstelling van de betrokkene is te vergen, teneinde aansluitend, althans zo snel mogelijk, weer aan het werk te komen.

In casu acht de Raad gedaagde niet verwijtbaar werkloos.

Aangevallen uitspraak bevestigd met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient te nemen.

Lisv, appellant.

mrs. M.A. Hoogeveen, Th.C. van Sloten, Th.M. Schelfhout

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2000-12-06
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2000-12-06
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2000-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/58
RSV 2001, 62

Uitspraak

99/3473 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 9 juni 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak; gepubliceerd in USZ 1999/208), waarbij het door appellant op bezwaar genomen besluit van 25 januari 1999 (het bestreden besluit) is vernie tigd, met opdracht aan appellant tot het nemen van een nieuw besluit op basis van die uitspraak en met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop nadien nog een aanvulling is gegeven.

Op verzoek van de Raad is vanwege appellant bij brief van 17 januari 2000 een toelichting op zijn standpunt gegeven, waarop van de kant van gedaagde onder dagtekening 21 januari 2000 is gereageerd.

Zijdens appellant is bij brief, met bijlage, van 10 maart 2000 ingegaan op een nadere vraagstelling van de Raad.

Gedaagde heeft op 1 september 2000 een nader stuk doen inzenden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 oktober 2000, waar appellant - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F.A.M. Delfgauw, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.(nader te noemen Cadans), terwijl gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft per 1 november 1998 ontslag genomen uit haar dienstbetrekking als administratief medewerkster voor 20 uur per week wegens verhuizing van C. naar B. in verband met het feit dat haar echtgenoot daar een betrek king had aanvaard.

Bij besluiten van 1 december 1998 heeft Cadans namens appellant aan gedaagde ingaande 2 november 1998 een uitkering ingevolge de WW toege kend, waarbij een maatregel is opgelegd in de vorm van een verlaging van het uitkeringspercentage van 70 naar 35 over een periode van 26 weken. Ter motivering van die maatregel is vermeld dat de reden van het ontslag is gelegen in de veran dering van baan van haar echtgenoot, welke verandering berust op een persoon lijke voorkeur zijnerzijds, zodat er sprake is van verwijtbare werkloosheid.

Gelet op de zich voordoende omstandigheden acht appellant de beëindiging van de dienstbetrekking evenwel niet in overwegende mate aan gedaagde te wijten, hetgeen reden vormt om de uitkering niet blijvend geheel te weigeren maar gebruik te maken van de in artikel 27 van de WW opgenomen matigingsmogelijkheid.

In bezwaar heeft gedaagde ontkend dat de verandering van baan van haar echtgenoot berust op een persoonlijke voorkeur. Zij heeft in dat verband gesteld dat er bij de voormalige werkgever van haar echtgenoot in C. in een korte tijd drie reorganisaties hebben plaatsgevonden en dat hij de derde daarvan niet heeft afgewacht, aangezien de kans bestond dat hij daar de dupe van zou worden, omdat de vestiging van het bedrijf in C. volledig zou worden opgehe ven. De door hem in B. gevonden nieuwe baan betekende tevens een positieverbete ring. Gedaagde heeft er tevens op gewezen dat zij volgens de door de GAK Nederland bv (nader te noemen het GAK) - bij welke instelling zij in het verleden werkzaam is geweest - gehanteerde criteria zeker in aanmerking zou komen voor onge korte WW-uitkering. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij een gedeelte van de "Leidraad WW" van het GAK, gedateerd 16 januari 1998, overgelegd.

Bij het bestreden besluit heeft appellant aan de voormelde maatregel vastgehouden. Ter motivering daarvan is overwogen dat gedaagdes echtgenoot nog een baan had en dat nog te bezien stond of hij daadwerkelijk slachtoffer van een reorganisatie zou zijn geworden, zodat zijn keuze om ontslag te nemen niet noodzakelijk was. Voorts is het beroep van gedaagde op de GAK-leidraad van de hand gewezen daar de wet volgens appellant niet zou toestaan gedaagde een ongekorte uitkering toe te kennen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende gedeelten van de leidraden van het GAK en van Cadans door die beide uitvoeringsinstellingen verschillend pleegt te worden gehandeld bij de beoordeling van het karakter van de werkloos heid die is ontstaan na ontslagname wegens verhuizing in verband met baan wisseling van de partner. De rechtbank heeft in het bijzonder geconstateerd dat het GAK, ook indien de baanwisseling berust op een vrije keuze, geen ver wijtbare werkloosheid aanwezig acht, mits door de betrokken werknemer aan een aantal voorwaarden (zoals de onmogelijkheid van heen en weer reizen), wordt vol daan, terwijl Cadans in een dergelijk geval de werkloosheid wel als verwijtbaar beschouwt. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er, nu het Lisv sinds 1 maart 1997 in de plaats is getreden van de afzonderlijke bedrijfsverenigingen, geen plaats meer is voor verschillen in interpretatie van dwingendrechtelijke bepalingen als de onderhavige door de instellingen welke door het Lisv met de wetsuitvoering zijn belast. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en heeft dat besluit reeds daarom vernietigd.

Het in hoger beroep door appellant ingenomen standpunt houdt in de eerste plaats in dat de door Cadans en het GAK in dit verband gehanteerde criteria berusten op hetzelfde uitgangspunt, te weten dat er sprake moet zijn van een onvermijdelijke verhuizing. Het verschil tussen de benadering van beide uitvoeringsinstellingen is er volgens appellant slechts in gelegen dat het GAK zonder de omstandigheden van het geval te onderzoeken ervan uitgaat dat in het geval van huwelijk of samenwoning de onvermijdelijkheid van het volgen van de partner bij baanwisseling in principe vaststaat, terwijl Cadans de omstandigheden waaronder de baanwisseling van de partner tot stand is gekomen wel betrekt bij de beoordeling van de onvermijdelijkheid. Appellant ziet in dat verschil geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Bovendien is appellant van mening dat, gelet op recente jurisprudentie van deze Raad omtrent soortgelijke gevallen (verwezen is naar de uitspraken van 29 december 1994 en 13 april 1995, gepubliceerd in RSV 1995/157 respectievelijk RSV 1995/214) de door Cadans toegepaste benadering een juiste toepassing van de betrokken wettelijke regeling vormt.

Desgevraagd zijn namens appellant de door Cadans gehanteerde criteria toegelicht. Daarbij is benadrukt dat, in de lijn van voormelde uitspraken van de Raad, voor Cadans sinds 1 augustus 1996 bij de beoordeling van ontslagname wegens verhuizing bij baanwisseling van de partner centraal staat of deze berust op een in vrijheid gedane keuze. Zo dat het geval is, levert dat in beginsel verwijtbare werkloosheid op, hetgeen - naast de vereisten dat de reisafstand te groot wordt en voldoende en tijdig moet zijn gesolliciteerd - slechts anders ligt als de verhuizing onvermijdelijk is in die zin dat er sprake is van een reële probleemsituatie, die betrokkene geen andere keus laat dan ontslag te nemen. Ook heeft appellant de bedoelde situatie omschreven als: externe, redelijkerwijs niet door betrokkenen te beïnvloeden, omstandigheden, welke tot het aanvaarden van een andere baan noodzaken. Als voorbeelden daarvan zijn gegeven het gedwongen volgen van de werkgever naar elders in het land en de situatie dat de partner zonder baanwisseling werkloos zou zijn geworden.

Van de kant van appellant is er voorts nog op gewezen dat het Lisv zich inmiddels heeft gesteld achter de benadering van Cadans. Ter onderbouwing van die stelling is een zogeheten platformnotitie van het Lisv, gedateerd 16 november 1999, overgelegd. Zich baserend op de eerdergenoemde uitspraken van deze Raad van 29 december 1994 en 13 april 1995, heeft het Lisv daarin als zijn opvatting neergelegd dat slechts in die gevallen waarin de verhuizing het gevolg is van een niet in vrijheid gedane keuze van de werknemer en diens partner, kan worden gesteld dat de verhuizing een onvermijdelijk karakter heeft en derhalve niet verwijtbaar is.

Omtrent de vraag of de ten aanzien van gedaagde toegepaste maatregel in rechte stand kan houden overweegt de Raad als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat aanvragen om een WW-uitkering in gevallen als de onderhavige, waarin een werknemer ontslag neemt wegens verhuizing in verband met een baanwisseling van de gehuwde of samenwonende partner, dienen te worden getoetst aan het bepaalde in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, sinds 1 augustus 1996 inhoudende dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. De Raad tekent hierbij aan dat de tot 1 augustus 1996 geldende tekst van genoemde bepaling voor dit onderwerp niet wezenlijk anders luidde.

In de eerdergenoemde uitspraken van de Raad die voor Cadans aanleiding hebben gevormd haar benadering van de verhuisgevallen aan te scherpen en waarop ook het Lisv zijn standpunt heeft gebaseerd, is inderdaad als algemeen uitgangspunt geschetst dat een door een werknemer en diens partner in vrijheid gedane keus om te verhuizen in beginsel een verwijtbare werkloosheid met zich brengt. De Raad heeft in die uitspraken evenwel gerespecteerd dat de toenmalige Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (BVG), welke qua wetsuitvoering de voorgangster van Cadans was, destijds een aantal criteria toepaste welke een (aanzienlijke) versoepeling van dat uitgangspunt vormden. Die (tot 1 augustus 1996 gehandhaafde) criteria waren:

a. de verhuizing is onvermijdelijk;

b. heen en weer reizen is onmogelijk;

c. betrokkene heeft in voldoende mate en zo tijdig mogelijk moeite gedaan om in de nieuwe woonplaats aansluitend werk te verkrijgen.

De Raad heeft in die uitspraken daarbij de kanttekening gemaakt dat met het onder a genoemde criterium door de BVG niet werd gedoeld op de achterliggende reden van de verhuizing, maar op de omstandigheid dat, gegeven de verhuizing van de partner, ter bestendiging van de samenwoning, de verhuizing onvermijdelijk is. De Raad voegt daaraan thans toe dat die criteria zijn ontleend aan de jurisprudentie van de Raad onder de oude WW (van vóór de stelselherziening van 1 januari 1987) en dat in die jurisprudentie de achterliggende motieven voor de baanwisseling van de partner evenmin een rol speelden.

Naar het oordeel van de Raad past het bij de in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW opgenomen maatstaf en ligt het ook in het verlengde van de eerdergenoemde overwegingen van zijn uitspraken van (onder meer) december 1994 en april 1995, dat Cadans en het Lisv niet onverkort behoeven vast te houden aan de tot 1 augustus 1996, althans door de BVG, in de uitvoeringspraktijk toegepaste criteria, waarbij de achterliggende redenen voor de baanwisseling van de partner geen rol speelden. De Raad is evenwel tevens van opvatting dat het in voormelde uitspraken verwoorde uitgangspunt dat een in vrijheid gedane keus voor een baanwisseling tot verwijtbare werkloosheid leidt, in het kader van een wetsinterpreterend beleid vraagt om een nadere nuancering welke juist aan de individuele omstandigheden van het betrokken geval recht doet. Een beleid dat zoals het Lisv in voormelde platformnotitie aangeeft niet (veel) verder komt dan het overnemen van bedoeld uitgangspunt, schiet naar het oordeel van de Raad dan ook tekort. Op de hierna aan te geven gronden is de Raad tevens van oordeel dat de - overigens niet geheel eenduidige - nadere omschrijving die Cadans aan voormeld uitgangspunt heeft gegeven, welke erop neer komt dat slechts in gevallen waarin er (nagenoeg) van een dwangpositie sprake is - derhalve slechts in uitzonderlijke gevallen - de ontstane werkloosheid niet verwijtbaar is, een onvoldoende evenwichtige, in de huidige tijd passende, invulling van de wettelijke maatstaf vormt.

De Raad heeft in dit verband enerzijds in aanmerking genomen dat er in deze tijd van uitgegaan mag worden dat de beslissing dat één van de partners een baan zoekt en aanvaardt in een ander deel van het land, waarvan een verhuizing redelijkerwijs het gevolg is, niet alleen wordt genomen in overleg tussen de partners, maar ook dat daarbij de positie van de andere - werkende - partner wordt meegewogen. Anderzijds geldt naar het oordeel van de Raad ook thans dat de wens van de betrokkenen om de samenwoning te handhaven moet worden gerespecteerd. Verder dient er oog voor te zijn dat reeds het feit dat tot verhuizing naar een ander deel van het land wordt beslist, hetgeen doorgaans aanzienlijke financiële consequenties heeft en vrijwel per definitie ingrijpende gevolgen voor het sociale leven van het gezin met zich brengt, er in zekere mate op duidt dat de baanwisseling een reëel belang voor beide partners vertegenwoordigt. Ook onderkent de Raad dat een diepgaande toetsing van de achterliggende motieven en omstandigheden van de (niet aanvragende) partner om van baan te veranderen in het kader van de toepassing van de WW zowel uit praktisch als uit meer principieel oogpunt niet zonder bezwaar is.

De Raad heeft er verder nog bij stilgestaan dat tijdens de parlementaire behandeling van de per 1 augustus 1996 doorgevoerde wetswijzigingen is ingegaan op verhuisgevallen als de onderhavige (TK 1994-1995, 23909, nr. 8 p. 34, nr. 12 p. 14/15 en nr. 14 p. 22). Daaraan kan worden ontleend dat het kabinet van opvatting is dat, anders dan onder destijds vigerende jurisprudentie, de vraag of de betrokkene in voldoende mate en zo tijdig mogelijk vóór de verhuizing moeite heeft gedaan om aansluitend werk te vinden in de (omgeving van de) nieuwe woonplaats, geen rol dient te spelen bij de beoordeling of de werkloosheid al dan niet een verwijtbaar karakter heeft, maar dient te worden meegenomen bij de toetsing aan de verplichting van artikel 24, eerste lid, onder b ten eerste, van de WW (de eis dat in voldoende mate wordt getracht passende arbeid te verkrijgen). Uit de beschouwing van het kabinet is echter geenszins af te leiden dat het kabinet voor het overige een koerswijziging bij de interpretatie van het begrip verwijtbare werkloosheid ten aanzien van verhuisgevallen voor ogen heeft gestaan. Integendeel, het kabinet heeft onder meer betoogd:

"(...) zijn wij van mening dat de gevolgen van een individuele keuze, ertoe strekkend dat een dienstverband wordt beëindigd, in beginsel voor eigen rekening dient te komen (....) Opmerking verdient echter dat in casu niet gesproken kan worden van een zuiver individuele keuze van degene die zijn dienstverband beëindigt. Deze keuze wordt in sterke mate - zo niet uitsluitend - bepaald door het feit dat de partner van betrokkene een andere baan heeft geaccepteerd - of door zijn werkgever is overgeplaatst - op een zodanige afstand van de woonplaats dat verhuizing redelijkerwijs onvermijdelijk is en daarmee ook de beëindiging van het dienstverband. Meer in zijn algemeenheid gesteld menen wij dat dwingende redenen van sociale aard - waartoe wij mede rekenen het intact houden van het gezinsverband - wel degelijk aanleiding kunnen zijn een dienstbetrekking te beëindigen zonder dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid." Het kabinet heeft daarbij tevens aangegeven dat een andere benadering de mobiliteit op de arbeidsmarkt zou verkleinen, hetgeen ten koste zou gaan van de flexibiliteit.

Gelet op het vorenoverwogene is de Raad, wat betreft gevallen waarin ontslag wordt genomen wegens verhuizing als gevolg van een baanwisseling van de partner, van oordeel dat het spoort met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW, dat deze bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat er in beginsel geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, indien aannemelijk is dat met die baanwisseling een aanwijsbaar en reëel belang wordt gediend en mits tevens voldaan is aan (ten minste) de voorwaarden dat de bestaande dienstbetrekking zolang mogelijk is voortgezet en dat heen en weer reizen redelijkerwijs onmogelijk is. De Raad sluit zich voorts aan bij de vorenomschreven zienswijze van het kabinet ten aanzien van de betekenis van het verrichten van inspanningen om in de nieuwe woonomgeving werk te verkrijgen. Ook de Raad is thans van opvatting dat dit aspect dient te worden beoordeeld in het kader van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Daaraan zij toegevoegd dat in gevallen als hier aan de orde - meer nog dan gewoonlijk al het geval is - een vroegtijdige en grote mate van inspanning en ruime opstelling van de betrokkene is te vergen, teneinde aansluitend, althans zo snel mogelijk, weer aan het werk te komen.

Nu in casu vaststaat dat gedaagde de dienstbetrekking heeft verbroken per de datum van verhuizing en buiten kijf staat dat de afstand tussen C. en B. te groot is om (op vier dagen per week) te bereizen en verder door gedaagde is betoogd dat de reden van baanwisseling van haar echtgenoot primair was gelegen in de verwachting dat hij de dupe zou worden van een (herhaalde) reorganisatie bij zijn werkgever en dat er tevens sprake was van een positieverbetering, acht de Raad voldoende aannemelijk dat zich de situatie voordeed dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar was te vergen. De omstandigheid dat niet geheel duidelijk is geworden hoe groot de kans was dat de reorganisatie gevolgen voor de partner zou hebben en welke gevolgen dat precies zouden kunnen zijn, doet aan dat oordeel niet in beslissende mate af, aangezien wel aannemelijk is dat de reorganisatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en er bovendien geen reden is om eraan te twijfelen dat de nieuwe dienstbetrekking voor de betrokken partner een positieverbetering inhield. De Raad acht gedaagde dan ook niet verwijtbaar werkloos.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de Raad niet toekomt aan de overwegingen die de rechtbank tot vernietiging van het bestreden besluit hebben gebracht. Evenals de rechtbank concludeert de Raad dat de opgelegde maatregel van verlaging van het uitkeringspercentage tot 35 gedurende 26 weken in rechte geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd, zij het dat appellant een nieuw besluit zal hebben te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene.

De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-

Aldus gewezen door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

GdJ 0201