Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA8826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2000
Datum publicatie
05-12-2000
Zaaknummer
98/1791, 98/1982, 98/1793, 98/1987 AW 98/1796, 98/
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/1791, 98/1982, 98/1793, 98/1987 AW 98/1796, 98/1986, 98/1798, 98/1985 AW 98/1799, 98/1988, 98/3347, 98/1989 AW 98/1800, 98/1990 en 99/5001 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, hierna: het College, en

de directeur van de Dienst [dienst] van de gemeente Rotterdam, hierna: de directeur.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Betrokkene en het College hebben op bij beroepschrift, respectievelijk aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 26 januari 1998 onder de nummers AW 95/2607 W4 en volgende tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Zowel betrokkene als het College heeft een verweerschrift ingediend.

Voorts is een nader, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank door het College genomen besluit, gedateerd 15 juli 1999, bij de Raad binnengekomen. Betrokkene heeft een reactie gegeven op dat nadere besluit en op het verweerschrift van het College.

Namens betrokkene zijn nog nadere stukken aan de Raad toegezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 27 september 2000. Betrokkene is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. De directeur is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoerige weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

Betrokkene is in mei 1976 aangesteld als ambtenaar in dienst van de gemeente Rotterdam in de functie van [functie], laatstelijk bij de afdeling [afdeling] van de Dienst [dienst]. In de werkrelatie hebben zich problemen voorgedaan, welke problemen zich eind 1992 toespitsten op de werkrelatie met een bepaalde collega en zich naderhand uitbreidden naar de directe leiding van de dienst.

Betrokkene is met het College en de directeur verwikkeld geraakt in diverse procedures, hetgeen onder meer heeft geleid tot de thans aangevallen uitspraak van de rechtbank.

Zowel betrokkene als het College heeft een aantal onderdelen van de uitspraak van de rechtbank aangevochten. De Raad zal een en ander bespreken aan de hand van de onderliggende besluiten. Voorts worden overwegingen gewijd aan het nader genomen besluit van 15 juli 1999, alsmede aan de door betrokkene gevorderde schadevergoeding en proceskosten.

1. het besluit van 1 augustus 1995.

Het College heeft bij het besluit van 1 augustus 1995 de bezwaren van betrokkene tegen besluiten van 1 juli 1994, 1 september 1994 en 17 augustus 1994 ongegrond verklaard.

a. Het besluit van 1 juli 1994 betrof de terugbrenging van betrokkenes bezoldiging per 1 juli 1994 naar 80%, omdat betrokkene inmiddels gedurende achttien maanden wegens ziekte verhinderd was zijn betrekking te vervullen. Het College heeft het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar bij besluit van 1 augustus 1995 ongegrond verklaard. Gelet op de inhoud van het besluit van 1 augustus 1995, waar het betreft de terugbrenging van de bezoldiging, heeft dat besluit uitsluitend betrekking op de per 1 juli 1994 ontstane situatie. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit van 1 augustus 1995 niet ziet op de situatie op en na 10 augustus 1994. De grief van betrokkene dat het bestreden besluit daarop wel betrekking heeft kan dan ook niet slagen.

b. Bij het besluit van 1 september 1994 is beslist om betrokkene per 1 mei 1994 niet een periodieke verhoging van zijn salaris toe te kennen. Het College heeft in dit verband overwogen dat betrokkene niet heeft voldaan aan het uit de Bezoldigingsverordening voortvloeiende vereiste dat hij zijn functie naar behoren heeft vervuld. Het College heeft daartoe in aanmerking genomen dat betrokkene vanaf november 1992 zijn betrekking als [functie] niet heeft vervuld, in hoofdzaak tengevolge van situatieve arbeidsongeschiktheid, terwijl betrokkene zich weinig inschikkelijk toonde om andere werkzaamheden te aanvaarden. Naar het oordeel van de Raad vinden de overwegingen waarop het College zich baseert voldoende grondslag in de gedingstukken. De Raad wijst hierbij in het bijzonder op de tengevolge van de opstelling van betrokkene en zijn raadsman uiterst moeizaam verlopen, reeds in oktober 1993 aangevangen, onderhandelingen over het aanvaarden door betrokkene van tijdelijk werk als [vervangende functie]. Daarvan uitgaande heeft het College zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat betrokkene niet heeft voldaan aan het vereiste om in aanmerking te komen voor een periodieke salarisverhoging.

c. Bij het besluit van 17 augustus 1994 heeft het College het op 18 mei 1994 genomen besluit ingetrokken om betrokkene met ingang van 1 juni 1994 voor de duur van vier maanden in het belang van de dienst de functie van [vervangende functie] op te dragen.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College gedaagde zich, gelet op de voorgeschiedenis en de houding van betrokkene en diens gemachtigde, zoals onder meer naar voren komend uit het verslag van een op 16 augustus 1994 met de directeur gehouden gesprek, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aangewezen was om de opdracht in te trekken.

Anders dan de gemachtigde van betrokkene heeft betoogd waren de omstandigheden sedert 18 mei 1994 wel degelijk gewijzigd. De Raad acht hierbij van belang dat betrokkene zelf inmiddels naar voren had gebracht dat hij, gelet op de door hem voorgestane strikte werkwijze, problemen verwachtte in de uitoefening van die functie. Betrokkene heeft zich nadien overigens wel weer bereid verklaard de functie tijdelijk te vervullen, maar de door hem in juni 1994 naar voren gebrachte problemen met de functie en de aan aanvaarding gestelde voorwaarden heeft hij naderhand niet weggenomen. Bovendien was betrokkene in het gesprek op 16 augustus 1996 niet bereid opening van zaken te geven omtrent een brief gedateerd 28 maart 1991, waarin hij zijn chef frauduleuze handelingen verweet, welke brief door betrokkene was ingebracht in een in juni 1994 gevoerde voorlopige voorzieningsprocedure met betrekking tot de opdracht de tijdelijke functie te vervullen.

Het College kon aan een en ander de conclusie verbinden dat het perspectief op adequate functievervulling en vruchtbare samenwerking ontbrak.

De rechtbank heeft met betrekking tot het besluit van 17 augustus 1994 voorts nog overwogen, maar voor de rechtmatigheid van dat besluit verder niet van belang geacht, dat de opstelling van de directeur in de periode na de uitspraak van de president in de voorlopige voorzieningsprocedure niet adequaat genoemd kan worden. Nu het College tegen voornoemde overweging heeft geageerd met het oog op de hierna te bespreken ontslaguitkering, zal de Raad deze grieven daar in zijn beschouwing betrekken.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit van 1 augustus 1995 door de rechtbank terecht in stand is gelaten.

2. de beroepen van betrokkene tegen het uitblijven van beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 1 juli 1994, 17 augustus 1994 en 1 september 1994, alsmede tegen de weigering om betrokkene aan te melden bij het herplaatsingsbureau.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat deze beroepen, nu alsnog op de bezwaren was beslist, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, zodat de Raad volstaat met daarnaar te verwijzen.

3. het besluit van 30 juli 1996.

Bij besluit van 30 juli 1996 heeft het College betrokkenes bezwaar ongegrond verklaard tegen het besluit van 23 juni 1995, voorzover dit betreft de schorsing met onmiddellijke ingang in het belang van de dienst en het ontslag van betrokkene per 1 september 1995. Voorts is het bezwaar tegen de op nihil-stelling van de ontslaguitkering gegrond verklaard en de ontslaguitkering met ingang van 30 juli 1996 qua hoogte bepaald op bijstandsniveau en qua duur voorlopig op twee jaar.

De rechtbank heeft het besluit van 30 juli 1996 vernietigd voorzover het de vaststelling van de ontslaguitkering betreft en bepaald dat het College in zoverre een nader besluit op bezwaar neemt, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten.

De Raad merkt allereerst op dat de schorsing in het belang van de dienst door betrokkene niet langer betwist wordt, zodat het hierop betrekking hebbende onderdeel van de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet meer aan de orde is.

De Raad is voorts van oordeel dat de ambtelijke contra-memorie die na de hoorzitting aan het College is uitgebracht een intern ambtelijk advies betreft en niet aangemerkt kan worden als een feit of een omstandigheid die voor de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kan zijn, als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Reeds hierom heeft het College bij het nemen van het bestreden besluit van 30 juli 1996 niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb, zodat de hierop gerichte grief van betrokkene niet slaagt.

Met betrekking tot het verleende ontslag overweegt de Raad voorts het volgende.

Het College heeft gebruik gemaakt van de hem in artikel 96, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) gegeven bevoegdheid om aan de ambtenaar ontslag te verlenen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in de daaraan voorafgaande artikelen van het hoofdstuk genoemd. Het ontslag is verleend op de grond dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen met de dienst.

De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat een zodanige vertrouwensbreuk is ontstaan dat voortzetting van de samenwerking tussen betrokkene en de dienst niet meer tot de mogelijkheden behoorde. De Raad verwijst daartoe allereerst naar de hierop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank, welke door de Raad in grote lijnen worden onderschreven.

Naar aanleiding van de grieven van betrokkene in hoger beroep merkt de Raad nog op dat in het bijzonder de opstelling van betrokkene en zijn raadsman in het gesprek met de directeur op 16 augustus 1994 het definitieve keerpunt is gebleken in de tot dan toch al telkens verslechterende werkrelatie. De Raad onderkent dat betrokkene, blijkens de gedingstukken, aanvankelijk goed heeft samengewerkt, maar die situatie is in de loop der jaren nu eenmaal onmiskenbaar veranderd.

Uit het vorenstaande volgt dat, in aanmerking genomen dat geen van de ontslaggronden genoemd in de artikelen 89 tot en met 95 van het AR van toepassing was, het College de bevoegdheid toekwam om betrokkene op grond van artikel 96, eerste lid, van het AR ontslag te verlenen, zodat het hierop betrekking hebbende gedeelte van de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Ingevolge artikel 96, tweede lid, van het AR wordt ontslag, als bedoeld in het eerste lid, verleend onder toekenning van een uitkering welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.

Ten aanzien van de toegekende ontslaguitkering heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat het College in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de door het College ingeschakelde Algemene Beroepscommissie. Op die grond heeft de rechtbank het bestreden besluit van 30 juli 1996, voorzover de vaststelling van de ontslaguitkering betreffende, vernietigd.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het gedeeltelijk vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe is overwogen dat het weliswaar, gelet op betrokkenes rol in het ontstaan en voortduren van de ontslaggrond, redelijk is te achten dat de ontslaguitkering lager wordt vastgesteld dan over het algemeen pleegt te gebeuren, doch dat de verlaging die het College hanteert niet in verhouding staat met zowel betrokkenes rol als de rol van de dienst in het ontstaan en voortbestaan van het conflict.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het bestreden besluit van 30 juli 1996 in samenhang met de daarbij onverkort overgenomen ambtelijke contra-memorie voldoende duidelijk blijkt op welke gronden het advies van de Algemene Beroepscommissie met betrekking tot de ontslaguitkering niet is overgenomen, zodat de rechtbank het hier besproken gedeelte van het besluit van 30 juli 1996 ten onrechte wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb heeft vernietigd.

De door de rechtbank uitgesproken, en door het College aangevochten vernietiging van de ontslaguitkering dient evenwel op andere gronden in stand te blijven.

In lijn met hetgeen de Raad omtrent vergelijkbare ontslaguitkeringen als hier aan de orde reeds eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 1997, TAR 1997, 202) brengt het voorschrift van een behoorlijke belangenafweging in het algemeen met zich dat een ontslagverlening "op andere gronden" dan de in de toepasselijke voorschriften voorziene specifieke ontslaggronden gepaard gaat met aanspraak op een uitkering die tenminste gelijk is aan het ten tijde van de ingangsdatum van het ontslag gebruikelijke wachtgeld bij eervol, niet aan betrokkenes schuld of toedoen te wijten, ontslag.

Van omstandigheden die in dit geval aanleiding zouden moeten geven om van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

De Raad acht daartoe van belang dat betrokkene aanvankelijk naar behoren heeft gefunctioneerd en in 1991 tijdig signalen heeft gegeven dat er problemen ontstonden met een naaste collega, waarmee hij tot dan goed had samengewerkt.

Het College heeft overwogen dat ter stimulering van de herplaatsingsactiviteiten reeds op voorhand een vermindering van de ontslaguitkering en een verkorting van de duur van de uitkering aangewezen is te achten.

Anders dan het College is de Raad van oordeel dat bedoelde in de toekomst gelegen omstandigheden geen rol mogen spelen bij het vaststellen van de omvang van de bij het ontslag toe te kennen ontslaguitkering. Een en ander laat uiteraard onverlet de voor het College bestaande mogelijkheid om, indien de gemeentelijke wachtgeldverordening van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, op de uitkering een korting toe te passen indien in de toekomst zou blijken van onvoldoende herplaatsingsactiviteiten.

Anderzijds acht de Raad evenmin omstandigheden aanwezig die zouden moeten leiden tot de conclusie dat een hogere uitkering dan het gebruikelijke wachtgeld zou moeten worden toegekend. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat betrokkene, door zich weinig inschikkelijk te tonen bij het zoeken naar andere werkzaamheden, een belangrijk aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortduren van de verstoorde arbeidsverhouding. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opstelling van de directeur in de periode na de uitspraak van de president in de voorlopige voorzienigsprocedure adequaat genoemd kan worden. Het moet betrokkene zonder meer duidelijk zijn geweest dat hij zich na zijn hersteldmelding persoonlijk diende te melden bij de directeur, en niet kon volstaan met het toesturen van de mededeling dat hij weer beter was.

4. het besluit van 15 juli 1999, voorzover betreffende de ontslaguitkering.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het College bij besluit van 15 juli 1999 aan betrokkene een ontslaguitkering toegekend voor de duur van acht jaar ter hoogte van een bijstandsuitkering en voor het overige de Wachtgeld- en uitkeringsverordening 1996 van toepassing verklaard. Het College heeft hierbij wederom, kort gezegd, het aandeel van betrokkene in de verstoorde arbeidsverhouding alsmede de stimulering van herplaatsingsactiviteiten van belang geacht.

Omdat met dit nadere besluit aan de bezwaren van betrokkene niet tegemoet is gekomen, is de Raad van oordeel dat in hoger beroep in lijn met het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb tevens het nadere besluit van 15 juli 1999, voorzover de ontslaguitkering betreffende, in geding is.

Aangezien dit nadere besluit niet strookt met de hiervoor met betrekking tot het besluit van 30 juli 1996 weergegeven uitgangspunten, dient ook dit nadere besluit te worden vernietigd, omdat daaraan geen behoorlijke belangenafweging ten grondslag ligt. Dit betekent tevens dat het College een nadere beslissing op bezwaar omtrent de ontslaguitkering dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. het besluit van 6 juli 1995.

De directeur heeft bij besluit van 6 juli 1995 het bezwaar dat betrokkene had gemaakt tegen het eerder genomen besluit van 17 augustus 1994 om hem met toepassing van artikel 76 van het AR voorlopig te schorsen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het besluit van 6 juli 1995 vernietigd, omdat naar haar oordeel het toekennen van de bevoegdheid tot voorlopige schorsing aan de directeur in strijd is te achten met het bepaalde in artikel 166 van de Gemeentewet en de bevoegdheid tot voorlopige schorsing bij het College berust.

Het College heeft, als ten gevolge van de aangevallen uitspraak belanghebbend bestuursorgaan, daartegen hoger beroep ingesteld. Het College heeft er op gewezen dat artikel 166 (oud) van de Gemeentewet delegatie van bevoegdheden van het College aan een ambtenaar betreft, terwijl het hier gaat om de vraag of attributie van bevoegdheden aan een ambtenaar is toegestaan. Het heeft voorts aangevoerd dat artikel 125 van de Ambtenarenwet een attributie van bevoegdheden aan een hoofd van dienst niet verbiedt, doch daarentegen aan de gemeenteraad een open bevoegdheid geeft om rechtspositionele bepalingen vast te stellen. Daarvan uitgaande komt, aldus het College, aan de gemeenteraad de bevoegdheid toe om aan een hoofd van dienst de bevoegdheid toe te delen over te gaan tot voorlopige schorsing van een ambtenaar.

De Raad heeft in zijn jurisprudentie (impliciet) aanvaard dat toedeling van de onderhavige bevoegdheid, gelet op artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet, mogelijk is. Bij het gegeven dat het samenstel van bepalingen in de Gemeentewet onlangs weer - in verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb - is gewijzigd en dat de Raad van de gemeente Rotterdam de onderhavige bepaling van het AR heeft gewijzigd, ziet de Raad geen aanleiding thans (nog) een ander standpunt in te nemen. Hieruit volgt dat de rechtbank het besluit van 6 juli 1995 ten onrechte heeft vernietigd, omdat de directeur niet bevoegd zou zijn dat besluit te nemen.

De Raad is voorts van oordeel dat het besluit van 6 juli 1995 ook overigens in rechte stand houdt, aangezien de directeur in redelijkheid heeft kunnen besluiten om betrokkene per 17 augustus 1994 voorlopig te schorsen.

De Raad verwijst hierbij naar hetgeen de Raad heeft overwogen met betrekking tot het besluit van het College van 17 augustus 1994 om de opdracht in te trekken om de functie van [vervangende functie] tijdelijk te vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover betreffende het besluit van 6 juli 1995, dient te worden vernietigd en dat het tegen dat besluit ingestelde beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

6. het besluit van 15 juli 1999, voorzover betreffende de voorlopige schorsing.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 15 juli 1999 de bezwaren tegen het besluit van de directeur van 17 augustus 1994, inhoudende de voorlopige schorsing van betrokkene, ongegrond verklaard.

Uit hetgeen hiervoor onder 5. is overwogen volgt dat aan het besluit van 15 juli 1999, voor zover betreffende de voorlopige schorsing, de grondslag is komen te ontvallen, zodat dit besluit in zoverre om die reden (eveneens) voor vernietiging in aanmerking komt.

7. het besluit van 8 april 1997.

Bij het besluit van 8 april 1997 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard dat betrokkene had gemaakt tegen het besluit van 25 november 1996 tot stopzetting van het herplaatsingsonderzoek.

Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat het College in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het met ingang van december 1995 voor de duur van een jaar gestarte bemiddelingsonderzoek voortijdig te beëindigen.

Het College heeft daarbij met recht van belang geacht dat betrokkene, zoals uit de gedingstukken genoegzaam blijkt, de medewerking gaandeweg bemoeilijkte door zich uiterst afwachtend op te stellen, bij voorkeur schriftelijk te willen communiceren en niet onmiddellijk - hij was immers reeds vier jaar niet meer actief in het arbeidsproces - elke kans aan te grijpen om weer een, eventueel tijdelijke, plek op de arbeidsmarkt te veroveren.

8. materiële en immateriële schadevergoeding.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het verzoek van betrokkene om materiële en immateriële schadevergoeding met betrekking tot het verleende ontslag dient te worden afgewezen, zodat de Raad volstaat met daarnaar te verwijzen.

9. proceskosten.

De rechtbank heeft het College veroordeeld in de met betrekking tot het besluit van 30 juli 1996 gemaakte proceskosten, en de directeur in de ten aanzien van het besluit van 6 juli 1995 gemaakte proceskosten, ten bedrage van in totaal f 2.485,-. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van proceskosten voor het overige afgewezen.

Aangezien het besluit van 6 juli 1995 alsnog in stand blijft, dient de daarop betrekking hebbende toewijzing van proceskosten, zijnde f 710,-, te worden vernietigd.

Naar het oordeel van de Raad is de toewijzing van proceskosten voor het overige, zijnde derhalve een bedrag van f 1.775,-, juist te achten. De Raad volstaat met te verwijzen naar hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen.

Met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep acht de Raad termen aanwezig om het College te veroordelen in de kosten van betrokkene met betrekking tot de besluiten terzake van de ontslaguitkering, welke kosten overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op f 1.775,- wegens kosten van rechtsbijstand en op f 26,75 wegens reiskosten van betrokkene, derhalve in totaal f 1.801,75. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op het besluit van 6 juli 1995;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond;

Vernietigt de veroordeling van de directeur in de proceskosten;

Bepaalt het bedrag aan proceskosten waarin het College in eerste aanleg is veroordeeld op f 1.775,-;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige;

Vernietigt het besluit van 15 juli 1999;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar met betrekking tot de ontslaguitkering neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op f 1.801,75, te betalen door de gemeente Rotterdam.

Aldus gewezen door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van mr C. Dierdorp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2000.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) C. Dierdorp.

HD

23.10

Q