Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA8816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
98/7634 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/7634 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de bij zijn beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de president van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, op 8 september 1998 onder nrs. AWB 98/1079 en 98/1080 AW VV gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr J.M.M.B. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te 's-Hertogenbosch. Als van de zijde van appellant voorgebrachte getuige is ter zitting verschenen en gehoord [getuige], wonende te [woonplaats].

II. MOTIVERING

Appellant is vanaf 1978, aanvankelijk in de toenmalige gemeente [oude gemeente] en, na een gemeentelijke herindeling, in de gemeente [gemeente] werkzaam geweest als bijstandsmaatschappelijk werker. Na een reorganisatie van de gemeentelijke sociale dienst in 1995 is hij geplaatst in de functie van bijstandsmaatschappelijk medewerker B bij de afdeling Sociale Zaken van de sector Maatschappij, maar nadat appellant en zijn leidinggevenden gezamenlijk hadden geconcludeerd dat die functie in relatie tot de uitvoering van de nieuwe Algemene bijstandswet voor hem niet optimaal was, is appellant per 1 juli 1996 voorlopig tewerkgesteld als ondersteunend medewerker bij evengenoemde afdeling in afwachting van plaatsing in een andere functie.

Naar aanleiding van de verklaringen die door een bijstandsaanvraagster bij gelegenheid van haar aanvraag werden afgelegd, welke verklaringen vermoedens omtrent door appellant gepleegde onregelmatigheden rechtvaardigden, heeft een onderzoek plaatsgevonden waarvan de resultaten in een rapport van bevindingen van 28 januari 1998 zijn vastgelegd. Op basis daarvan heeft gedaagde aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem ongevraagd disciplinair ontslag te verlenen. Nadat appellant zich ter zake van zijn gedragingen had verantwoord heeft gedaagde op 23 maart 1998 besloten appellant met ingang van 1 april 1998 als disciplinaire straf ongevraagd ontslag als ambtenaar van de gemeente [gemeente] te verlenen. Bij het thans bestreden besluit van 29 juli 1998 heeft gedaagde onder verwijzing naar en overneming van het door de Centrale Bezwaarschriftencommissie [gemeente] uitgebrachte advies de bezwaren van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

In het advies van de bezwaarschriftencommissie is het plichtsverzuim ter zake waarvan appellant de vermelde disciplinaire straf is opgelegd aldus omschreven:

Appellant is behulpzaam geweest bij de verkoop van een woning van een cliënte van de Sociale Dienst te weten mevrouw E, waarvoor hij een geldbedrag ad. f 1000,- heeft geaccepteerd. Dit geldbedrag heeft hij vervolgens aan de ex-echtgenoot van mevrouw E, te weten de heer [getuige], gegeven, die eveneens cliënt is van dezelfde Sociale Dienst en tevens sedert jaren een vriend van appellant;

De heer [getuige] als hiervoor genoemd kan beschikken over het groothandelspasje van appellant en deed hiermee inkopen voor appellant en voor hemzelf;

Appellant heeft in eerste instantie de Abw-aanvraag van de heer [getuige] behandeld;

Appellant heeft advies aan de heer [getuige] gevraagd met betrekking tot de aansluiting c.q. aanleg van een ventilatiesysteem;

Appellant heeft administratieve zaken geregeld voor de heren [derde] en [getuige] zoals het invullen van de belastingpapieren en de boekhouding. Beide genoemde heren hebben appellant geholpen bij het verven van het horeca-etablissement van appellant;

Appellant heeft samen met [derde] en [getuige] een vijver aangelegd in de tuin van de heer [derde];

Appellant heeft geen toestemming gevraagd voor het verrichten van nevenwerkzaamheden, te weten het exploiteren van een horeca-etablissement in [plaats];

Bij het bepalen van de aan appellant opgelegde strafmaatregel is mede aandacht besteed aan het doorgaande gedrag van appellant, in welk verband melding is gemaakt van eerdere disciplinaire bestraffingen van appellant en van gesprekken met appellant omtrent de noodzaak om voor het verrichten van nevenwerkzaamheden toestemming te vragen.

De president van de rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad onderschrijft het oordeel van de president van de rechtbank en de overwegingen welke hem tot dat oordeel hebben geleid. Hij voegt daaraan naar aanleiding van het in hoger beroep aangevoerde nog het volgende toe.

Appellant heeft, onder verwijzing naar de in 1993 door een adviesbureau uitgebrachte rapportage, een schets gegeven van organisatorische onvolkomenheden bij de Sociale Dienst van de gemeente [gemeente] en gesteld dat het verleende ontslag in die sfeer moet worden gezien.

De Raad kan appellant in die stelling niet volgen. Nog daargelaten dat hetgeen appellant schetst betrekking heeft op een situatie van enkele jaren tevoren, moet worden vastgesteld dat het verleende ontslag betrekking heeft op gedragingen die met de sfeertekening die appellant geeft niets uitstaande hebben.

Voor wat die gedragingen betreft heeft gedaagde zich in het bestreden besluit door overneming van het advies van de bezwarencommissie uitdrukkelijk beperkt tot hetgeen door appellant niet is weersproken en derhalve op basis van de beschikbare gedingstukken als vaststaand kan worden aangemerkt. Ook de Raad is van oordeel dat die gedragingen een verwevenheid laten zien tussen ambtelijke verrichtingen en persoonsgebonden bemoeienissen welke een onbevangen uitoefening van de ambtelijke functie niet langer mogelijk deden zijn.

Daarbij kan met name niet worden voorbijgezien aan het door appellant aannemen van geld voor zijn inbreng bij de verkoop van de woning van de genoemde bijstandsaanvraagster. Gelet ook op de verklaringen van appellant en van de ter zitting gehoorde getuige is duidelijk dat aan appellant geld is gegeven voor zijn bemoeienissen. Juist doordat appellant zich hiermee heeft ingelaten heeft achteraf twijfel kunnen ontstaan over de hem betaalde som. Dat appellant een bedrag aan [getuige] heeft doorgegeven is een keuze van appellant zelf geweest; de betreffende som is niet primair met het oog daarop betaald.

Appellant heeft ook nog ter zitting van de Raad doen blijken niet in te zien dat het accepteren van om niet door cliënten van de Sociale Dienst voor hem verrichte diensten hem in een afhankelijke positie kan manoeuvreren en niet past binnen de zakelijke en terughoudende opstelling die een ambtenaar in zijn positie zich om die reden dient aan te meten. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde appellants gedragingen in deze terecht mede aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Dit geldt ook voor het zonder toestemming exploiteren van een horeca-etablissement, met betrekking waartoe voor de Raad genoegzaam aannemelijk is dat appellant daartoe is overgegaan op basis van zijn eigen inschatting over de kans dat hem toestemming, indien gevraagd, al dan niet zou worden verleend.

Appellant heeft in hoger beroep ook nog gewezen op zijn langdurige staat van dienst. De Raad is dienaangaande met de president van de rechtbank van oordeel, dat gedaagde bij de beantwoording van de vraag of ongevraagd disciplinair ontslag evenredig kon worden geacht aan het vastgestelde plichtsverzuim, tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellants staat van dienst zeker niet als vlekkeloos kon worden bestempeld, zodat daaraan geen doorslaggevend argument kon worden ontleend om met een mildere disciplinaire bejegening te volstaan.

Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III aangegeven. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr K. Zeilemaker als leden in tegenwoordigheid van mr A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2000.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A. Bach Kolling.

HD

08.09

Q