Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA8246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2000
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
97/11991 AW en 97/12007 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel II-D3
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-P2
Wet op het primair onderwijs 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/11991 AW en 97/12007 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant 1] te [woonplaats 1], en [appellant 2] te [woonplaats 2], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is, ieder voor zich, hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg op 29 oktober 1997, onder de nummers Awb 95/1120 en Awb 95/1121 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 29 juni 2000. Aldaar zijn appellanten in persoon verschenen, bijgestaan door mr J.A. de Boe, verbonden aan Juridisch Adviesbureau AABP te Poortvliet, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door mr M.T.J.H. Berns, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te 's-Hertogenbosch en B.J. van Olffen en N.J. Reijngoudt, beiden werkzaam bij de gemeente Tholen.

II. MOTIVERING

Appellanten waren elk directeur van één van de acht openbare basisscholen in de gemeente Tholen, met een bezoldiging in schaal 10. Gedaagde heeft in 1995, na verkregen instemming van de gemeenteraadscommissie onderwijs en van de voorgeschreven overlegorganen, besloten om met ingang van 1 augustus 1995 over te gaan tot de vorming van de federatie openbaar onderwijs Tholen. Dit hield onder meer in dat de acht openbare basisscholen geleid zouden gaan worden door een zogenoemde bovenschoolse directeur, dat de functies van directeur van de onderscheiden scholen vervielen en dat voor elk van de scholen de functie van locatieleider werd ingesteld. De functie van locatieleider is vervolgens aangemerkt als een leraarsfunctie als bedoeld in hoofdstuk I-R van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (hierna: RpbO) en gewaardeerd op schaal 10.

Vervolgens is aan appellanten bij besluiten van gedaagde van 26 juni 1995 met ingang van 1 oktober 1995 met toepassing van artikel II-D3, eerste lid, aanhef en onder a, van het RpbO eervol ontslag verleend uit hun functie van directeur en zijn zij met ingang van dezelfde datum in vaste dienst benoemd in de functie van locatieleider aan dezelfde school waar zij werkzaam waren.

Bij de bestreden besluiten van 26 september 1995 zijn de bezwaarschriften van appellanten ongegegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

De Raad is niet tot een ander oordeel gekomen dan waartoe de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is gekomen. Gelet op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het navolgende.

De invoering van de hierboven aangeduide federatie openbaar onderwijs Tholen, met één bovenschoolse directeur voor de acht basisscholen in plaats van één directeur voor elke school afzonderlijk, is naar het oordeel van de Raad niet in strijd met het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs. De aldus door gedaagde ingevoerde structuur, waarbij de bovenschoolse directeur formeel een aanstelling als directeur heeft aan één van de acht scholen, acht de Raad in overeenstemming met het in deze bepaling gegeven voorschrift dat aan elke school 1 of 2 directeuren verbonden zijn, in samenhang met de hier vermelde mogelijkheid dat een directeur van een school tevens directeur kan zijn van een andere school.

De invoering van de, niet in het RpbO als normfunctie vermelde, functie van locatieleider vindt zijn grondslag in het bepaalde in artikel I-P2, vierde lid, van het RpbO.

Derhalve is de organisatieverandering die gedaagde met ingang van 1 augustus 1995 heeft ingevoerd niet in strijd een wettelijk voorschrift. Aan de Raad is evenmin gebleken dat gedaagde - zoals appellanten stellen - ten behoeve van de invoering van deze nieuwe organisatie op een onoirbare wijze gebruik zou hebben gemaakt van de budgetfinanciering van het basisonderwijs.

De door gedaagde vastgestelde taakkarakteristiek van locatieleider laat onmiskenbaar zien dat de inhoud van deze functie niet overeenstemt met de inhoud van de normfunctie van directeur van een basisschool, die appellanten voorheen bekleedden. De omstandigheid dat de functie van locatieleider elementen bevat van hun voormalige (norm)functie van directeur van een basisschool maakt het vorenstaande niet anders.

De invoering van de functies van de bovenschoolse directeur en locatieleiders voor de afzonderlijke scholen brengt - nu deze functies gelet op de bij deze functies behorende taakkarakteristieken wezenlijk verschillen van de normfunctie van directeur van een basisschool - naar het oordeel van de Raad mee dat de betrekkingen van appellanten van directeur van een basisschool zijn opgeheven. Ten aanzien van appellanten ontstond derhalve de situatie van artikel II-D3, eerste lid, aanhef en onder a, van het RpbO.

De Raad kan gedaagde en de rechtbank volgen in hun opvatting dat het ontslagverbod in artikel 15 van de door gedaagde aanvaarde Raamovereenkomst primair onderwijs naar de letter mee zou brengen dat de invoering van enige functiedifferentiatie in bestaande organisaties niet mogelijk zou zijn. Aangezien het niet aannemelijk is dat zulks met de overeenkomst zou zijn beoogd ligt het in de rede om die bepaling aldus te verstaan, dat functiedifferentiatie niet mag worden ingevoerd indien dit zou leiden tot ontslag van zittend personeel in vaste dienst zonder herbenoeming in een passende functie. Aangezien voor de Raad vaststaat, en appellanten in hoger beroep ook niet meer hebben betwist, dat de functie van locatieleider voor hen als een passende functie moet worden aangemerkt, is het aan appellanten verleende ontslag niet in strijd met de laatstvermelde bepaling.

De Raad kan tenslotte niet inzien dat aan de inhoud van circulaires van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen met betrekking tot "Rechtspositionele gevolgen/consequenties bij samenvoeging van scholen in het primair onderwijs" in dit geding de betekenis toekomt die appellanten daaraan gehecht willen zien. In de eerste plaats wijst de Raad er in dat verband op dat de onder-havige reorganisatie niet valt aan te merken als een samenvoeging van scholen. Voorts constateert de Raad dat de grieven die appellanten ontlenen aan die circulaires betrekking hebben op de werving en benoeming van de bovenschoolse directeur. In aanmerking genomen dat appellanten, naar zij ter zitting hebben aangegeven, niet hebben gesolliciteerd naar deze functie, valt niet in te zien dat de wijze waarop gedaagde heeft voorzien in de vervulling van die vacature enige betekenis heeft in het onderhavige geding.

Al het vorenstaande brengt mee dat de bestreden besluiten in rechte niet aantastbaar zijn en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. Aangezien de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en

mr J.H. van Kreveld en mr K. Zeilemaker als leden in tegenwoordigheid van mr H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2000.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) H.E. Scheepers-van Die.

HD

14.07

Q