Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA8137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2000
Datum publicatie
28-09-2000
Zaaknummer
98/269 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of gerechtelijke procedure voldoet aan art. 6 EVRM moet worden beoordeeld in het licht van de gehele procedure.

Aan eiser is ontslag verleend o.g.v. art. 39, tweede lid onder 1 van het AMAR (wangedrag in de dienst). Beroep daartegen is ongegrond verklaard door de meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit twee tot de rechterlijke macht behorende leden en een militair lid dat in militair uniform zitting had.

Appellant betoogt dat een aldus samengestelde kamer niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die art. 6 EVRM stelt.

De Raad kan en zal in het midden laten of appellant zich als (gewezen) militair, gelet op het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 8 december 1999 (Pellegrin tegen Frankrijk), JB 2000/19 en AB 2000/195, kan beroepen op de waarborgen van art. 6 EVRM t.a.v. het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Ook kan en zal de Raad in het midden laten of de behandeling van die geschillen bij de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met genoemd art. 6 en met hetgeen blijkens de rechtspraak van het EHRM uit dat artikel voortvloeit. Want zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat appellant met recht zou kunnen stellen dat de procedure voor de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met art. 6 EVRM, is van een schending van dat verdragsartikel geen sprake, omdat de vraag of een gerechtelijke procedure heeft voldaan aan de vereisten van art. 6 EVRM, nu geen sprake is van een 'serious criminal charge' (EHRM van 29 september 1999 in de zaak Moore en Gordon tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 36529/97 en 37393/97) moet worden beoordeeld in het licht van de hele procedure en niet is aangevoerd dat de berechting door de Raad niet aan de vereisten van art. 6 EVRM voldoet. De Raad verwijst in dit verband naar de beslissing van het EHRM van 27 april 2000, nr. 39355/98, (Varisli tegen Nederland) NJB 2000, pag. 1338, nr. 28.

De stellingen van appellant treffen in zoverre geen doel.

De Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

mrs. H.A.A.G. Vermeulen, G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, C.P.J. Goorden

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/154
JB 2000/314 met annotatie van LV
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/269 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 2 december 1997 door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage onder nummer AWB 97/2540 MAWKMA gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn nog stukken aan de Raad toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 juli 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J.M. Molkenboer, advocaat te Roosendaal.

Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr drs E. Schelkers-Breed, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

Appellant is per 22 augustus 1988 aangesteld voor bepaalde tijd bij de Koninklijke Marine met een kort verbandverbintenis tot 22 augustus 1992, waarna aansluitend verlenging heeft plaatsgevonden. In december 1992 is appellant als matroos der eerste klasse geplaatst aan boord van Hr. Ms. X. Op 19 juni 1993 is appellant tezamen met twee collega's vanaf het schip via Portugal naar Nederland gerepatrieerd in verband met een in te stellen huishoudelijke onderzoek vanwege het vermoeden dat zich onder de manschappen van de X. incidenten betreffende intimidatie, onderdrukking en dreiging met geweld hadden voorgedaan waarbij appellant betrokken zou zijn geweest.

Na afloop van dit onderzoek is appellant met onmiddellijke ingang geschorst. Na advies van de Commissie van onderzoek ontslag militairen (hierna: COOM) is aan appellant bij besluit van 18 februari 1994 met ingang van 1 maart 1994 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder l -wangedrag in de dienst-, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Bij dat besluit is tevens bepaald dat het ontslag voortvloeit uit een aan appellant zelf te wijten oorzaak waardoor geen aanspraak bestaat op de in artikel 3 van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen 1982 (hierna: de premieregeling) bedoelde premie.

Deze beslissingen zijn na bezwaar bij het in geding zijnde besluit van 24 januari 1997 gehandhaafd.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant allereerst aangevoerd dat de meervoudige kamer van de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld op grond van artikel 5 van de Militaire Ambtenarenwet (MAW) was samengesteld uit twee tot de rechterlijke macht behorende leden en een militair lid dat in militair uniform zitting had. Volgens appellant voldoet een aldus samengestelde kamer niet aan de vereisten die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) stelt ten aanzien van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, omdat er geen waarborgen zijn geschapen voor de onafhankelijkheid van het militaire lid. Het militaire lid kan nog in dienst zijn van en ondergeschikt zijn aan de Minister van Defensie of is nog maar kort geleden uit militaire dienst ontslagen. Er is geen uitdrukkelijk verbod om het militaire lid instructies te geven met betrekking tot zijn functioneren als rechter. Voorts mag het militaire lid geen deel uitmaken van het bestuur van of in dienst zijn van een vereniging voor militairen en wordt het militaire lid ontslag verleend als het oneervol wordt ontslagen uit de militaire dienst of op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid wordt geschorst. Daardoor is appellant tot aan de Centrale Raad van Beroep verstoken gebleven van een onafhankelijk gerecht.

Namens appellant is overigens aangevoerd dat het ontslag is gebaseerd op niet concrete, algemene en vage verwijten, dat de verweten gedragingen onvoldoende zijn komen vast te staan en niet zodanig ernstig zijn dat zij een oneervol ontslag rechtvaardigen. Gedaagde dient de aan appellant verweten gedragingen te bewijzen. Van een belangenafweging is niet gebleken en er is niet naar de individuele merites van het geval van appellant gekeken. Appellant is slechts vijf maanden aan boord geweest en in de anonieme verklaringen worden hem veel minder verwijten gemaakt dan aan de matrozen C. en D. Voorts is niet gemotiveerd dat appellant zich in meerdere mate heeft schuldig gemaakt aan verwijtbaar gedrag dan vijf andere matrozen die niet (oneervol) zijn ontslagen. De aan appellant opgelegde tuchtrechtelijke straffen die de rechtbank van belang heeft geacht betreffen alle zeer lichte vergrijpen over een periode van ruim 5 jaar. De geldboete van f 500,- waartoe appellant in 1996 is veroordeeld in verband met een vechtpartij aan boord van de X. kan een verstrekkende maatregel als oneervol ontslag evenmin ondersteunen. Appellant heeft na zijn schorsing binnen de Koninklijke Marine nog uitstekend gefunctioneerd en hem is nog een blijk van waardering toegekend. Appellant meent tenslotte dat de hem in het vooruitzicht gestelde premie dient te worden uitbetaald omdat hij door de handelwijze van gedaagde niet de mogelijkheid heeft gehad om werkelijke dienst te verrichten.

De Raad overweegt met betrekking tot het standpunt van appellant dat de rechtsgang in eerste aanleg niet voldoet aan de waarborgen van het EVRM het volgende.

De Raad kan en zal in het midden laten of appellant zich als (gewezen) militair, gelet op het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 8 december 1999 (Pellegrin tegen Frankrijk), JB 2000/19 en AB 2000/195, met betrekking tot zijn beide geschillen kan beroepen op de waarborgen van artikel 6 van het EVRM ten aanzien van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Ook kan en zal de Raad in het midden laten of de behandeling van die geschillen bij de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met genoemd artikel 6 en met hetgeen blijkens de rechtspraak van het EHRM uit dat artikel voortvloeit. Want zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat appellant met recht zou kunnen stellen dat de procedure voor de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met artikel 6 van het EVRM, is van een schending van dat verdragsartikel geen sprake, omdat de vraag of een gerechtelijke procedure heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6 EVRM, nu geen sprake is van een 'serious criminal charge' (EHRM van 29 september 1999 in de zaak Moore en Gordon tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 36529/97 en 37393/97) moet worden beoordeeld in het licht van de hele procedure en niet is aangevoerd dat de berechting door de Raad niet aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM voldoet. De Raad verwijst in dit verband naar de beslissing van het EHRM van 27 april 2000, nr. 39355/98, (Varisli tegen Nederland) NJB 2000, pag. 1338, nr. 28.

De stellingen van appellant treffen in zoverre geen doel.

Ten materiële overweegt de Raad met betrekking tot het ontslagbesluit verder als volgt.

Naar vaste jurisprudentie hanteert de Raad ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

De Raad acht deze maatstaf evenzeer aangewezen voor het onderhavige ontslag dat is gebaseerd op wangedrag in de dienst, zodat in de eerste plaats in geding is de vraag of op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens vaststaat dat appellant zich aan het hem verweten wangedrag heeft schuldig gemaakt.

Aan deze maatstaf afgemeten is de Raad op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat daaraan in het onderhavige geval onvoldoende is voldaan.

Blijkens de gedingstukken had gedaagde bij het nemen van het ontslagbesluit de beschikking over het rapport van 2 juli 1993 dat in opdracht van de Commandant van Hr. Ms. X. tussen 21 juni en 24 juni 1993 was opgemaakt door een commissie bestaande uit de Eerste Officier, het Hoofd Operationele Dienst en de Chef Operationele Dienst van de X. Bij dat rapport waren 16 verklaringen gevoegd van collega-matrozen en één van een korporaal. Daarnaast was er het advies van de COOM van 28 september 1993, met daarbij een proces-verbaal van het horen van appellant en een overzicht van de aan appellant in zijn loopbaan opgelegde straffen.

In zijn brief van 18 november 1993 aan de voorzitter van de COOM heeft gedaagde (ook) zelf geconstateerd dat de basis voor de gegeven adviezen te smal was en verzocht het onderzoek te heropenen en te verbreden. In ieder geval zou de commandant van de X. nog gehoord dienen te worden.

Het verslag van de heropening en het aanvullend onderzoek van 2 februari 1994 voegt evenwel naar het oordeel van de Raad ten aanzien van appellant geen aanvullende onderbouwing voor het ontslagbesluit. Zo wist de commandant niet door wie er klappen waren uitgedeeld of was geïntimideerd en kon de commandant niet bevestigen dat appellant daartoe behoorde. Desondanks heeft gedaagde daarop zijn (primaire) besluit van 24 februari 1994 gebaseerd.

Een verklaring van de commandant ontbreekt in het dossier.

Daarbij zijn overigens aangetekend dat ter zitting is gebleken dat enige relativering van die verklaring op haar plaats is waar het gaat om de eigen wetenschap van de commandant.

Omtrent de alsnog in het bestreden besluit vermelde veroordeling van appellant tot een boete van f 500,- in verband met een vechtpartij met andere schepelingen bevinden zich geen stukken in het dossier en is ook overigens van de kant van gedaagde geen toelichting gegeven.

Het vorenstaande leidt er toe dat de Raad van oordeel is dat wangedrag dat voldoende grond kan vormen voor een ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder l, van het AMAR onvoldoende is komen vast te staan, zodat het bestreden besluit op een onvoldoende grondslag berust en dient te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaarschrift van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Ten aanzien van de in het primaire ontslagbesluit van 22 februari 1994 tevens geweigerde premie ingevolge de premieregeling - de Raad gaat ervan uit dat bij het bestreden besluit ook de bezwaren tegen dat onderdeel van het besluit ongegrond zijn verklaard - stelt de Raad vast dat als gevolg van de vernietiging van het ontslagbesluit, ook de grondslag ontbreekt voor de weigering van de premie. Gedaagde zal ook dat aspect bij zijn nadere besluitvorming dienen te betrekken en in zoverre op de bezwaren van appellant dienen te beslissen.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van f 1.420,- in eerste aanleg en f 1.420,- in hoger beroep als kosten voor rechtskundige bijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad geen opgave gedaan.

Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van in totaal f 2.840,- als kosten voor rechtskundige bijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 515,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2000.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Pijper.

HD

28.09

Q