Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2000
Datum publicatie
09-08-2000
Zaaknummer
98/5114 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor mitigeringsbevoegdheid niet beslissend of oorzaken van werkloosheid meer in de sfeer van werkgever dan wel werknemer liggen, doch uitsluitend in hoeverre het niet nakomen van een verplichting van werknemer aan hem verweten kan worden.

Blijvend gehele weigering WW-uitkering, nu eiser m.i.v. 18 november 1996 zelf ontslag heeft genomen voortuitlopend op een mogelijk ontslag medio 1997.

Raad: De Raad ziet i.c. geen aanleiding om gedaagdes ontslagname i.h.k.v. de WW niet in overwegende mate aan hem verwijtbaar te achten.

De Raad merkt nog op dat hij gedaagde niet kan volgen in zijn zienswijze dat ten aanzien van de toepassing van de mitigeringsmogelijkheid beslissend is of de oorzaken van de werkloosheid meer in de sfeer van de werkgever dan in die van de werknemer liggen. Naar het oordeel van de Raad volgt namelijk reeds uit de tekst van de toepasselijke bepaling van de WW dat het er uitsluitend om gaat in hoeverre het niet nakomen van een op de werknemer rustende verplichting aan deze verweten kan worden.

Aangevallen uitspraak vernietigd; inleidend beroep alsnog ongegrond.

Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant;

mrs. M.A. Hoogeveen, Th.C. van Sloten, Th.M. Schelfhout

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 237
USZ 2000/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/5114 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 20 mei 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr J.A. van Ham, advocaat te

Veenendaal, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 mei 2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Ham, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Dat betekent dat in casu getoetst wordt aan de wet- en regelgeving, zoals die luidt na invoering van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting, uit van de volgende in de aangevallen uitspraak

-waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiser- vermelde feiten en omstandigheden:

"Eiser, geboren in 1962, trad met ingang van 1 september 1990 als breier in dienst van X B.V. te Y. Uit deze dienstbetrekking heeft eiser met ingang van 18 november 1996 ontslag genomen.

In het aanvraagformulier om een uitkering krachtens de WW heeft eiser als reden voor zijn ontslagname vermeld, dat het bedrijf ging inkrimpen en dat hij in verband daarmee so wie so ontslagen zou worden.

In het naar aanleiding van zijn aanvraag om uitkering krachtens de WW met P. Bothof, correspondent WW, gevoerde gesprek heeft eiser tevens medegedeeld dat zijn werkgever hem een aanbod had gedaan van f 12.000,-- onder voorwaarde dat hij zelf ontslag nam. Eiser is op dat aanbod ingegaan om zijn schulden te kunnen aflossen. Volgens eiser was nagenoeg zeker dat het bedrijf binnen enkele jaren niet meer zou bestaan.

In de zogenoemde werkgeversverklaring van 9 december 1996 heeft eisers werkgever verklaard, dat eiser ontslag heeft genomen nadat hem was medegedeeld dat hij in het kader van een reorganisatie overcompleet werd en als gevolg daarvan onder de regeling van het sociaal plan viel. Volgens een telefonische verklaring van de zijde van de werkgever van 13 januari 1997 stond eiser op de nominatie om ontslagen te worden maar hing de datum nog af van de marktontwikkeling. Eiser had vermoedelijk tot medio 1997 in dienst kunnen blijven volgens deze verklaring.

Naar aanleiding van eisers aanvraag om uitkering krachtens de WW heeft verweerder bij het primaire besluit van 21 januari 1997 eiser met ingang van 18 november 1996 blijvend geheel uitkering geweigerd, aangezien er naar het oordeel van verweerder sprake was van een verwijtbare werkloosheid, nu eiser zelf ontslag heeft genomen vooruitlopend op een mogelijk ontslag medio 1997.".

In het besluit op bezwaar van 14 mei 1997 is appellant bij het zojuist vermelde standpunt gebleven. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 24, eerste lid aanhef en sub a, in verbinding met artikel 24, tweede lid aanhef en sub b, van de WW heeft appellant daartoe -kort gesteld- overwogen dat uit de omstandigheden waaronder gedaagde ontslag genomen heeft niet volgt dat er zodanig bezwaar tegen voortzetting van het dienstverband bestond dat dit niet van hem gevergd kon worden. Ingevolge artikel 27, eerste lid moet de uitkering blijvend geheel geweigerd worden, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval matiging van de maatregel plaatsvindt door het uitkeringspercentage gedurende 26 weken te verlagen van 70 naar 35. Van een dergelijk geval kan echter volgens appellant in casu niet gesproken worden, nu gedaagde nog tot ten minste mei 1997 bij zijn werkgever in dienst had kunnen blijven en er geen uitzicht was op een andere baan. Ten aanzien van de door gedaagde aangevoerde reden dat het aanbod van de werkgever hem in staat stelde zijn schulden af te lossen heeft appellant overwogen dat dit geen reden kan zijn om gedaagde niet in overwegende mate aan te rekenen dat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak allereerst verenigd met de opvatting van appellant dat gedaagde door zijn ontslagname verwijtbaar werkloos is geworden. Anders dan appellant is de rechtbank evenwel tot het oordeel gekomen dat zich een geval voordoet waarin van de in het eerste lid van artikel 27 van de WW opgenomen mitigeringsmogelijkheid gebruik had dienen te worden gemaakt.

De rechtbank heeft namelijk uit zijdens appellant aan haar voorgelegde informatie afgeleid dat door appellant (onder meer) in de situatie dat door een werknemer wordt ingestemd met beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever, zonder dat aan voortzetting daarvan zodanige bezwaren zijn verbonden dat die niet zou kunnen worden gevergd, als verzachtende omstandigheid pleegt te worden aangenomen dat het niet uit te sluiten is dat het dienstverband ook binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd, indien de werknemer niet zou hebben ingestemd met de beëindiging van de dienstbetrekking. De rechtbank heeft de zojuist bedoelde situatie in gedaagdes geval aanwezig geacht, nu het initiatief tot het verbreken van het dienstverband van de werkgever is uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank was tevens sprake van de zojuist genoemde, door appellant in die situatie geaccepteerde, verzachtende omstandigheden. Gelet immers op onder meer de mededeling van de werkgever dat gedaagde op de nominatie stond om toch ontslagen te worden, was het volgens de rechtbank niet uitgesloten dat het dienstverband, ook als gedaagde niet op het voorstel van de werkgever was ingegaan, binnen afzienbare termijn zou zijn geëindigd. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit van 14 mei 1997 vernietigd, met beslissingen omtrent griffierecht, proceskosten en schadevergoeding.

Alleen appellant is van de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen. Na te hebben uiteengezet dat en waarom naar zijn opvatting in geval van het nemen van ontslag slechts van ontbreken van verwijtbare werkloosheid kan worden gesproken indien daarvoor een acute noodzaak bestaat, heeft appellant betoogd dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van verzachtende omstandigheden, leidend tot het niet in overwegende mate verwijtbaar zijn van de begane overtreding.

Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij weliswaar als mogelijke verzachtende omstandigheid beschouwt (onder meer) dat niet valt uit te sluiten dat het dienstverband binnen afzienbare tijd niet verwijtbaar zou zijn beëindigd, indien de werknemer niet zou hebben ingestemd met een voorstel van de werkgever tot eerdere beëindiging, maar dat daarbij een termijn van drie maanden als uitgangspunt wordt genomen, terwijl er tevens een redelijke mate van zekerheid omtrent die beëindiging dient te bestaan. In de visie van appellant zal een oordeel over deze vaststelling doorgaans niet uitgesproken kunnen worden indien de directeur van het arbeidsbureau zijn beslissing over het al dan niet verlenen van toestemming nog niet heeft genomen. Met die nadere criteria is naar de mening van appellant niet in overeenstemming dat de rechtbank, zonder te beoordelen of het dienstverband binnen afzienbare tijd daadwerkelijk zou zijn geëindigd, aan de omstandigheid dat gedaagde was meegedeeld dat hij op de nominatie stond voor ontslag, de conclusie heeft verbonden dat er sprake was van verminderde toerekenbaarheid die tot toepassing van de matigingsmogelijkheid had moeten leiden.

Gedaagde heeft zich in hoger beroep achter de aangevallen uitspraak gesteld, zij het dat zijnerzijds nog de stelling is opgeworpen dat voor de vraag of er sprake is van het niet in overwegende mate verwijtbaar zijn van de begane overtreding beslissend is of het ontstaan van de werkloosheid het gevolg is van omstandigheden die meer in de sfeer van de werkgever dan wel meer in de sfeer van de werknemer liggen. Aangezien in casu het initiatief van de werkgever is uitgegaan en daar bedrijfseconomische motieven aan ten grondslag liggen, is gedaagde van opvatting dat de oorzaak van de werkloosheid in hoofdzaak in de sfeer van de werkgever ligt, zodat reeds daarom gebruik had moeten worden gemaakt van de in geding zijnde matigingsmogelijkheid.

Gelet op de door partijen in hoger beroep ingenomen standpunten staat de Raad voor beantwoording van de vraag of appellant terecht de vorenomschreven mitigeringsmogelijkheid van het eerste lid van artikel 27 van de WW niet van toepassing heeft geacht. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat, mede gelet op de standpuntbepaling van appellant in hoger beroep, voor de Raad niet is komen vast te staan dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van de onderwerpelijke matigingsmogelijkheid een maatstaf met een zo vèrgaande strekking hanteerde als de rechtbank heeft aangenomen.

Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder ook de door gedaagde ter zitting van de Raad gegeven toelichting, ziet de Raad geen aanleiding om gedaagdes ontslagname in het kader van de WW niet in overwegende mate aan hem verwijtbaar te achten. De Raad leidt daaruit namelijk af dat gedaagdes werkgever hem, bij het doen van het voorstel om ontslag te nemen tegen een vergoeding van

f 12.000,-- netto, heeft voorgehouden dat hij geen aanspraak op WW-uitkering zou kunnen maken en dat gedaagde daar aanvankelijk zelf ook van uitgegaan is. Volgens gedaagdes verklaringen, verwachtte hij gezien zijn leeftijd op korte termijn weer aan het werk te komen. Gedaagde heeft derhalve kennelijk bewust het risico genomen dat hij enige tijd zonder inkomsten zou zitten. Ook de door gedaagde aanwezig geachte mogelijkheid dat hij binnen afzienbare tijd toch om bedrijfseconomische redenen ontslagen zou worden doet naar het oordeel van de Raad niet in relevante mate af aan de verwijtbaarheid van zijn gedrag. Gelet op een eerdere (mislukte) aanvraag om een ontslagvergunning, is namelijk wel plausibel dat de werkgever gedaagde graag kwijt wilde, maar de Raad acht niet aannemelijk dat zulks zonder gedaagdes medewerking op korte termijn zou zijn verwezenlijkt, nu van de kant van de werkgever desgevraagd is aangegeven dat gedaagde nog tot medio 1997 in dienst had kunnen blijven en dat hij wegens zijn anciënniteit niet bovenaan de lijst stond van degenen die er bij de eerste ontslaggolf uit zouden moeten. Ook in gedaagdes motief om met de hem geboden vergoeding zijn schulden af te betalen, ziet de Raad in het kader van de toepassing van de WW geen verzachtende omstandigheid.

De Raad merkt nog op dat hij gedaagde niet kan volgen in zijn zienswijze dat ten aanzien van de toepassing van de mitigeringsmogelijkheid beslissend is of de oorzaken van de werkloosheid meer in de sfeer van de werkgever dan in die van de werknemer liggen. Naar het oordeel van de Raad volgt namelijk reeds uit de tekst van de toepasselijke bepaling van de WW dat het er uitsluitend om gaat in hoeverre het niet nakomen van een op de werknemer rustende verplichting aan deze verweten kan worden.

De Raad is ten slotte van oordeel dat appellants weigering om van de matigingsmogelijkheid gebruik te maken ook overigens niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt het bestreden besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Daarom moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en

mr Th.C. van Sloten en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

HL

208

Q