Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2000
Datum publicatie
15-06-2000
Zaaknummer
99/3102 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2000-06-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

UITSPRAAK

E N K E L V O U D I G E K A M E R

99/3102 WW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A., wonende te B., opposante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van de Raad van 28 september 1999 is het door opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 april 1999 in een geding tussen partijen niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad heeft mr T. Voortman-Foppen, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Houten, bij brief van 9 november 1999 een verzetschrift ingediend.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 4 mei 2000, waar opposante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Voortman-Foppen, voornoemd. Geopposeerde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De uitspraak van de Raad van 28 september 1999 steunt kort samengevat hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep de ingevolge de wet gestelde termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat evenmin is gebleken van enige omstandigheid waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest. De Raad verenigt zich met hetgeen in voormelde uitspraak is beslist en overweegt naar aanleiding van hetgeen in verzet is aangevoerd nog het volgende.

Aan de van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam ontvangen informatie d.d. 5 juli 1999 en de daarbij gevoegde bijlagen ontleent de Raad dat de rechtbank de aangevallen uitspraak op 15 april 1999 aangetekend aan opposante heeft verzonden, dat deze retour is ontvangen met als reden van onbestelbaarheid "niet-afgehaald" en dat de uitspraak vervolgens op 10 mei 1999 niet-aangetekend opnieuw is verzonden aan het adres van opposante. Aan het hoofd van de brief van 15 april 1999 is geautomatiseerd de datum 15 april 1999 vermeld en - zonder verdere aanduiding - met een stempel de datum 10 mei 1999 aangebracht. Aan de voet van de uitspraak staan zonder verdere onderscheiding de data 15 april 1999 en 10 mei 1999 gestempeld. In het bijzonder ontbreekt bij beide stukken de vermelding dat de datum 10 mei 1999 een tweede verzending betrof.

Naar het oordeel van de Raad moet er van worden uitgegaan dat de uitspraak van de rechtbank op 15 april 1999 aangetekend aan partijen is verzonden en derhalve op de bij de wet voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de beroepstermijn derhalve aan op 16 april 1999. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, anders dan door en namens opposante is betoogd, vangt die termijn niet opnieuw aan met de tweede verzending op 10 mei 1999. Het op 16 juni 1999 ingekomen beroepschrift is derhalve na de termijn van zes weken ontvangen.

Vervolgens dient zich de vraag aan of niet-ontvankelijkverklaring achterwege kan blijven op de grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend; hij heeft daartoe het volgende overwogen.

Gevraagd naar de reden waarom opposante niet zo spoedig mogelijk na ontvangst van de op 10 mei 1999 niet-aangetekend verzonden uitspraak hoger beroep heeft ingediend maar heeft gewacht tot 15 juni 1999, heeft opposante geantwoord dat naar haar mening haar de volle beroepstermijn vanaf 10 mei 1999 toekomt, aangezien zij noch het poststuk van 15 april 1999 heeft ontvan- gen noch enige kennisgeving van bezorging door PTT Post in haar woonplaats. Een andere reden waarom zij niet eerder hoger beroep heeft ingesteld, heeft zij - desgevraagd - niet aangegeven.

Hoewel de Raad de handelwijze van de rechtbank verwarrend en zeker voor verbetering vatbaar acht, kan hij niet tot het oordeel komen dat opposante niet in verzuim is geweest. Hij acht daarvoor doorslaggevend dat opposante, naar zij stelt en uit de stukken blijkt, eerder problemen heeft gehad met de postbezorging van aangetekende stukken van de rechtbank en dat van haar daarom redelijkerwijs had kunnen worden verlangd dat zij, juist gezien het feit dat zowel de aangevallen uitspraak als de brief waarbij die uitspraak is verzonden twee verzendingsdata vermelden, informatie had ingewonnen bij de rechtbank over welke datum zij voor het instellen van hoger beroep aan moest houden. Dat lag temeer voor de hand nu de beroepstermijn ten tijde van de ontvangst van de op 10 mei 1999 verzonden uitspraak nog niet was verstreken.

Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.

Hetgeen overigens nog door en namens opposante is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

BvW 86