Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2000
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
98/6794 ALGEM 98/6746 ALGEM 98/6837 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Ziektewet 5
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Werkloosheidswet 5
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 5
Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd
Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/6794 ALGEM

98/6746 ALGEM

98/6837 ALGEM

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen :

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

V.O.F. X, gevestigd te Y, gedaagde I,

A, h.o.d.n. Q, wonende te Y, gedaagde II,

P B.V., gevestigd te Y, gedaagde III.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant is op de bij aanvullende beroepschriften van

6 oktober 1998 alsmede van 19 januari en 9 februari 1999 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening

28 juli 1998 tussen partijen gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is bij onderscheidene brieven van

5 januari, 13 april en 21 mei 1999 van verweer gediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 juli 2000, waar appellant is ver-schenen bij gemachtigde mr J.E. Visser, werkzaam bij Gak Nederland B.V. Gedaagden I, II en III hebben zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door respectievelijk B en C, vennoten te Y, met bijstand van mr M.J.J. van Vlok-hoven, fis-caal jurist bij de Hofgroep te Waalwijk (I), onder-scheidenlijk A, bedrijfseigenaar (II), als-mede drs J.F.A. Verhappen, belastingadviseur bij BDO-CampsObers (III), beiden te Breda.

II. MOTIVERING

A. Algemeen.

Gedaagden I, II en III zijn ondernemingen die als een soort intermediërende bemiddelingsbureaus ten behoeve van verschillende derden/opdrachtgevers uit hun uit studen-ten bestaande bestanden privé-chauffeurs voor diverse rijop-drachten beschikbaar stellen. De be-trokken studenten worden geselecteerd op grond van be-voegdheid blijkens behaald rijbewijs, op grond van erva-ring blij-kens meerja-rige rijvaardigheid, al dan niet onderstreept door een rijtest, en op grond van represen-tativiteit (voorkomen en kleding).

Zij maken, na daartoe van gedaagden ontvangen oproepen voor het rijden van desbetreffende autoritten bij derden/ opdrachtgevers, gebruik hetzij van de auto van de hen inhurende derden hetzij van een lease-auto van gedaag-den. Gedaagden die chauffeurs, ritten en tijden registre-ren

(via kopieën van bonnenboekjes e.d.), krijgen de beta-lingen binnen van de opdrachtgevers als tegenpresta-tie voor de door hen beschikbaar gestelde privé-chauf-feurs. Voor hun eigen rijdiensten krijgen de studenten zelf betaald per gewerkt uur door gedaagden.

B. Bieden de artikelen 3 van de Ziektewet, de Werkloos--heids-wet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver-zeke-ring voldoende grond voor een hierop te baseren verzeke-rings-plicht van de betrokken studenten-chauf-feurs?

Deze primaire vraag doet zich in het bijzonder voor in het geding van gedaagde III, waarin de verzekeringsplicht van de betrokken studenten-chauffeurs uitgaande van een gezagsverhouding van dezen tot deze gedaagde door appel-lant is aangenomen. De rechtbank heeft deze zienswijze van appellant echter verworpen. Zij heeft daarbij, gelet op de aard van de werkzaamheden, het feit dat tijdens het vervullen van de opdrachten gedaagde III geen aanwijzin-gen kan geven aan de student en het dienstverlenende karakter van de werkzaamheden, de opdrachtgever als die-gene die het feitelijk gezag uitoefent, aangemerkt. De hierboven aangegeven bestandseisen, de richtlijnen en de algemene voorwaarden die deze gedaagde overigens han-teert, heeft de rechtbank hierbij van onvoldoende beteke-nis geacht om hierop reëel werkgeversgezag van gedaagde III jegens de studenten-chauffeurs te baseren.

Vanwege appellant is dit laatste in hoger beroep bestre-den, waarbij de in het geding van gedaagde III naar voren gekomen richtlijnen, die gedragsregels van de chauffeurs naar de opdrachtgevers toe behelzen, alsmede de algemene voorwaarden, welke ook een klachtenmogelijkheid jegens gedaagde inhouden, worden gezien als uitvloeisel van een samenstel van afspraken en gedragsregels die een gezags-verhouding van de chauffeurs tot gedaagde realiseren.

De Raad deelt te dezen aanzien de gemotiveerde zienswijze van de rechtbank en acht de naar voren gekomen gedragsre-gels van behoren en netheid en de algemene voorwaarden in het geding van gedaagde III van zo algemene, niet speci-fiek afdwingende aard jegens de studenten-chauffeurs zelf dat hieruit voor de arbeidsverhouding van dezen tot ge-daagde III geen reëel werkgeversgezag van laatstbedoelde voortvloeit. Ook in elementaire taakaspecten als het rijden op gezette plaatsen en afgesproken tijden door de chauffeurs, waarbij de opdrachtgevers een bepalende rol kunnen en zullen spelen, alsmede in het houden van zeer beperkte klantentevredenheidsonderzoeken bij aanvang van enige arbeidsverhouding door gedaagde ziet de Raad als zodanig geen gerede aanknopingspunten om daarop wezenlijk gezag van gedaagde III zelf jegens de studenten-chauf-feurs te baseren.

Volledigheidshalve -en a fortiori- stelt de Raad onder deze rubriek nog vast dat hem in de gedingen betreffende de gedaagden I en II in het geheel niet van zekere aan-knopingspunten laat staan reële aanwijzingen voor werkge-versgezag van betrokken gedaagden jegens de studenten- chauffeurs is gebleken. Zulks brengt mee dat de drie gedingen onder C alle onder een noemer kunnen worden gebracht en als zodanig gezamenlijk nader kunnen worden beschouwd, behoudens rubriek D.

C. Biedt verzekeringsplicht van de studenten-chauf-feurs op basis van artikelen 5, aanhef onder d, van de Werkloos-heids-wet, de Ziektewet en de Wet op de ar-beidsonge-schiktheids-verzekering, in verbinding met artikel 3 van het konink-lijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986,655, bij wege van “tussenkomst” van ge-daagden voldoende grondslag?

De rechtbank heeft deze voor alle drie de gedingen voor de gedaagden I, II en III centrale vraag, anders dan appellant, in ontkennende zin beantwoord, omdat zij -de verplichting tot- persoonlijke arbeidsverrichting door de betrokken studenten-chauffeurs ontkent. Zij acht voldoen-de aannemelijk geworden dat de aangezochte student vrij is een ander te verzoeken de chauffeurswerkzaamheden te verrichten. Die ander komt uit grote bestanden en behoeft slechts aan algemene eisen te voldoen.

In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat voor de toepasselijkheid van de zogenaamde tussenkomstbepaling een contractuele verplichting tot persoonlijke arbeids-verrichting niet is vereist, doch dat voor het aannemen van verzekeringsplicht te dien aanzien het feitelijk persoonlijk verrichten van arbeid volstaat.

De Raad onderschrijft de juistheid van deze -voor de be-trokken sociale verzekeringswetgeving van een ruimere uitleg voor het bestaan van een arbeidsverhouding uit-gaande- zienswijze met inachtneming van zijn vaste juris-prudentie te dien aanzien. Verwezen wordt naar zijn uit-spraken van 4 april 1972, RSV 1972, nr. 209, alsmede van 3 november 1975, RSV 1976, nr. 108, en van 13 december 1977, RSV 1978, nr. 223. De Raad ziet geen gegronde reden om hierop te dezen terug te komen.

De Raad acht overigens met appellant in casu voldaan aan het criterium van feitelijke persoonlijke arbeidsverrich-tingen door de betrokken studenten-chauffeurs. De laat-sten werden bij uitstek door gedaagden uit de geselec-teerde min of meer vaste bestanden gehaald om op afroep de concrete rijop-drachten voor derden te vervullen. Zij waren in die be-standen terechtgekomen op te onderschei-den basis van persoonlijke hoedanigheid met bevoegdheids- en bekwaam-heidsvereisten -studenten met rijbewijs, de nodi-ge rijervaring, al dan niet onderworpen aan een rijtest- alsmede van representativiteitsvereisten (voorkomen, kleding). Willekeurige vervanging anders dan uit de des-betreffende bestanden was klaarblijkelijk op grond van de tot de gedingstukken behorende onderzoeksgegevens niet aan de orde, en evenmin met concrete bewijzen aangetoond. Het behoren tot "de pool" bepaalde kennelijk of een stu-dent een rijopdracht als chauffeur voor enige opdracht-gever kon en mocht vervullen. Gedaagden moesten blijkbaar al naar gelang de omstandigheden op enig ge-past moment, zo niet vooraf in elk geval zo tijdig moge-lijk achteraf, op de hoogte worden gesteld wie van de studen-ten-chauf-feurs uit de pool bij wege van ver-vanging de concrete rijopdracht alsnog ging vervullen, dan wel had vervuld. De stelling vanwege gedaagden als zouden de be-standen zowel door aanmerkelijke grootte als door algeme-ne inhou-delijke eisen als door snelle fluctuaties rele-vant onder-scheid missen om daarop een voldoen aan het criterium van persoonlijke arbeidsverrichting te baseren, ontbeert onder de hiervoor uiteengezette feiten en om-standigheden een voldoende feitelijke grondslag.

Overigens acht de Raad met appellant genoegzaam aanneme-lijk geworden dat de betrokken chauffeurswerkzaamheden door de studenten steeds verricht zijn ten behoeve van een derde, en wel door tussenkomst in de zin als naar redelijke uitleg bedoeld door de regelgever, van een per-soon tot wie of een lichaam tot welk de arbeidsverhouding bestaat, waarbij de verplichting tot loonbetaling metter-daad op die persoon of dat lichaam heeft gerust.

Zulks houdt tevens in dat zowel een meer restrictieve uitleg van tussenkomst zoals gedaagden voorstaan, van de hand wordt gewe-zen, aangezien redactie en strekking van de betrokken bepaling hiervoor geen steun bieden, als ook dat van -zeker niet in meerdere gevallen verwaarloosbare- reële loonbetalingen in casu sprake is.

D. Is het zorgvuldig in verband met de verzekerings-plicht van de studenten-chauffeurs de premieplicht van gedaagde I reeds op 1 november 1996 te doen ingaan?

Gedaagde I heeft, zowel in het licht van een niet geheel consistente aanpak van appellant vooraf te harer aanzien als met het oog op de aanpassing van haar interne organi-satie, erover geklaagd dat zij na het basisbesluit van

23 oktober 1996 reeds op 1 november 1996 geconfronteerd is met verzekeringsplicht/premieplicht ten aanzien van de betrokken studenten-chauffeurs en acht zulks de zorgvul-digheid te zeer geweld aandoen. Zij pleit ter aanpassing voor een uitstelperiode hiervan van twee jaar.

De Raad acht dit laatste in elk geval veel te lang, maar meent de grief van gedaagde te dezen zorgvuldigheidshalve wel in zoverre te moeten honoreren dat ter gerede instel-ling op de in kort tijdsbestek aanmerkelijk gewijzigde financieel-organisatorische omstandigheden eerst na ruim twee maan-den per nieuw kalender- en boekjaar op 1 januari 1997 wegens de verzekeringsplicht van de betrokken stu-denten-chauffeurs met premieplicht rekening diende te worden gehouden. Overigens heeft gedaagde I op zichzelf noch in geschrifte noch anderszins op gerechtvaardigde gronden kunnen concluderen dat de betrokken verzekerings-plicht/premieplicht ten aanzien van de studenten-chauf-feurs in de toenmalige toekomst nog langer zou uitblij-ven. Aan appellant stond het benutten van de mogelijk-heid hiertoe bij gebleken gemotiveerde toepasselijkheid van de betrok-ken wettelijke bepalingen als zodanig open.

E. Tot besluit.

Op grond van het hiervoor overwogene komen de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking. De inleidende beroepen dienen ongegrond te worden verklaard inzake de verzekeringsplicht van de betrokken studenten-chauf-feurs. Daarbij dient in het geding van gedaagde I wel het laatstoverwogene onder D inzake een verlaat ingangs-tijd-stip per 1 januari 1997 van de premieplicht van laatstbe-doelde gedaagde in acht te worden genomen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroorde-len in de proceskosten van gedaagde I in beroep en hoger beroep. Overigens acht de Raad geen gronden voor vergoe-ding van proceskosten aanwezig.

De Raad stelt tenslotte vast dat het door gedaagde I zowel in beroep als in hoger beroep gestorte griffierecht door appellant dient te worden vergoed.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING.

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de inleidende beroepen van de gedaagden II en III alsnog ongegrond;

Vernietigt inzake gedaagde I het bestreden besluit van

11 augustus voor zover het betreft de ingangsdatum van de premieplicht en verklaart het inleidend beroep van ge-daagde I overigens ongegrond;

Bepaalt dat de premieplicht van gedaagde I voor de be-trokken studenten-chauffeurs eerst per 1 januari 1997 ingaat;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde I, tot een bedrag van f 2.840,--;

Bepaalt dat appellant aan gedaagde I de gestorte rechten tot een totaal bedrag van f 420,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en mr L.J.A. Damen als leden, in te-genwoordigheid van L.H. Vogt als griffier en uitge-sproken in het openbaar op 24 augustus 2000.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.