Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2000
Datum publicatie
04-02-2002
Zaaknummer
98/1212 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2000-05-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/96

Uitspraak

98/1212 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht op 31 december 1997 onder nummer 96/2762 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2000. Appellant is daar in persoon verschenen.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Limon, werkzaam bij gedaagdes politieregio.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

Appellant, werkzaam als hoofdagent bij de (voormalige) gemeentepolitie [gemeente], is in 1992 betrokken geraakt bij vier incidenten. Nadat hem in verband daarmee enige dagen bijzonder verlof was verleend en hij vervolgens buiten functie was gesteld, is appellant bij besluit van 10 juli 1992 door de burgemeester van [gemeente] de disciplinaire straf van plaatsing in de lagere rang van agent opgelegd voor de duur van twee jaar, met dien verstande dat deze straf niet ten uitvoer zou worden gelegd indien appellant aan vier voorwaarden zou voldoen. Voorts is besloten de buitenfunctiestelling te handhaven tot zou zijn voldaan aan twee voorwaarden, strekkende tot een adequaat begeleidingstraject.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 1994 (TAR 1995/21) het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit van 10 juli 1992 in zoverre vernietigd.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat de burgemeester bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen. De wijze van gebruikmaking van die bevoegdheid kon de rechterlijke toetsing niet doorstaan, omdat de opgelegde voorwaarden te zeer lagen op het gebied van het functioneren van appellant en het al dan niet geschikt zijn voor de functie van hoofdagent, zonder beperking tot gedragingen die aan appellant verwijtbaar zijn.

Tegen de uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Een nader besluit is niet genomen, omdat appellant inmiddels elders werkzaam was.

Bij brief van 27 maart 1995 is namens appellant aan gedaagde, in zoverre als rechtsopvolger van de burgemeester van [gemeente], verzocht om vergoeding van de immateriële schade die appellant had geleden door het onrechtmatig te achten besluit van 10 juli 1992.

Deze schade zou bestaan uit:

-aantasting van de eer en goede naam, doordat appellant gedurende een lange tijd niet in de gelegenheid is geweest om zijn functie als hoofdagent bij de toenmalige gemeentepolitie te [gemeente] uit te oefenen;

- ernstige benadeling doordat hij op de dienstroosters te boek heeft gestaan als geschorst;

- beschadiging van zijn persoon, waardoor zijn nieuwe start per 1 februari 1993 als politiefunctionaris in [nieuwe gemeente] is bemoeilijkt.

De schade werd begroot op f 30.000,- netto.

Bij besluit van 27 maart 1996 heeft gedaagde dat verzoek afgewezen. Na bezwaar heeft gedaagde deze afwijzing gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 19 september 1996.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van 19 september 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant blijft ook in hoger beroep de stelling betrekken dat hij door het onrechtmatige besluit van 10 juli 1992 zodanige immateriële schade heeft geleden, dat hij recht heeft op een schadevergoeding.

De Raad overweegt het volgende.

Omtrent de gehoudenheid van gedaagde tot vergoeding van schade die appellant stelt te hebben geleden vóór 1 januari 1993 hanteert de Raad volgens vaste jurisprudentie inzake zelfstandige schadebesluiten -hij verwijst naar zijn uitspraak van 28 maart 1996, TAR 1996/102- de norm dat vereist is dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en dat dit optreden en deze schade van zodanige aard zijn, dat de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Wat betreft de vergoeding van eventuele schade geleden vanaf 1 januari 1993 zoekt de Raad aansluiting bij zijn jurisprudentie inzake de veroordeling van bestuursorganen tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

In het onderhavige geding leidt toetsing van het besluit van 19 september 1996 volgens de hiervoor aangegeven, ook door de rechtbank gehanteerde, maatstaven tot de volgende uitkomst.

Omtrent de gevorderde schade tot 1 januari 1993 heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is vermeld, onder meer het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de rechtbank moet aan verweerder worden toegerekend dat verweerder de buitenfunctiestelling vanaf 10 juli 1992 heeft gekoppeld aan meergenoemde gewraakte voorwaarden. Gegeven de hiervoor gestelde norm met betrekking tot eventuele vergoeding van voor 1 januari 1993 geleden schade, volgt daaruit echter niet zonder meer dat eiser een vergoeding van door hem beweerdelijk geleden schade toekomt.

Vaststaat dat eiser ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd, voldoende om aan eiser een disciplinaire straf op te leggen. Mede gelet hierop en op de in het verweerschrift en de ter zitting door verweerders gemachtigde verstrekte nadere toelichting, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verweerder, indien hij opnieuw zou hebben beslist, eiser na 10 juli 1992 weer tot de uitoefening van zijn functie in zijn eigen sectie zou hebben toegelaten of zou hebben moeten toelaten.".

De Raad onderschrijft vorenstaande overwegingen.

De Raad voegt hier aan toe dat ook appellant inmiddels erkent dat een terugkeer naar zijn eigen werkplek, door de verstoorde verhouding met zijn chef, ten tijde van belang niet meer mogelijk was, zodat gezocht moest worden naar een andere oplossing.

Appellant heeft ter zitting betoogd dat gedaagde in dit opzicht, na ontvangst van het op verzoek van het bevoegd gezag over hem op 26 augustus 1992 door de Rijkspsychologische Dienst (hierna: RPD) uitgebrachte rapport onnodig lang heeft getalmd en verzoeken van hem om weer tewerkgesteld te worden zou hebben genegeerd.

Zulks is de Raad uit de voorhanden zijnde gegevens evenwel niet kunnen blijken. De Raad wijst er hierbij op dat appellant in juli 1992 nog uitdrukkelijk heeft verklaard plaatsing op [afdeling] of in een andere sectie onbespreekbaar te achten. Na ontvangst van het rapport eind augustus heeft appellant op 9 oktober 1992 aan gedaagde verzocht om te bemiddelen bij een door hem gewenste detachering in [nieuwe gemeente]. Dit verzoek heeft gedaagde ingewilligd, hetgeen heeft geresulteerd in een detachering van appellant per 1 februari 1993.

Met betrekking tot het feit dat appellant op de dienstroosters als "geschorst" stond vermeld, heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat bij brief van 6 december 1995 vanwege gedaagde is aangeboden binnen het betrokken politiedistrict een dienstmededeling te doen uitgaan, waarin bekendheid zou worden gegeven aan de uitkomst van de door appellant gevoerde procedure. Van deze mogelijkheid heeft appellant evenwel geen gebruik willen maken.

De Raad is van oordeel dat zo appellant, beoordeeld tot 1 januari 1993, al enige vorm van immateriële schade heeft geleden, op grond van het vorenstaande geconcludeerd moet worden, evenals de rechtbank heeft gedaan, dat noch het verweten bestuursoptreden noch die schade van zodanige aard zijn geweest, dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door gedaagde in aanmerking dient te komen.

Voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 1993 zijn er, in aanmerking genomen de gronden waarop het besluit van 10 juli 1992 is vernietigd en hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de werkhervatting van appellant alsmede het aanbod van een dienstmededeling als hiervoor bedoeld, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat gedaagde door het vernietigde besluit is geschaad in zijn eer en goede naam, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Appellant heeft zich blijkens zijn verklaring ter zitting in het bijzonder gegriefd geacht door de omstandigheid dat gedaagde had gekozen voor een disciplinair traject in plaats van voor een begeleidingstraject. Daar staat evenwel tegenover dat de rechtbank in zijn uitspraak van 14 november 1994 uitdrukkelijk heeft overwogen dat de in de uitspraak aangegeven gedragingen waren aan te merken als plichtsverzuim en dat de burgemeester van [gemeente] in beginsel bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen.

De Raad onderschrijft voorts hetgeen de rechtbank in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995 (gepubliceerd in RvdW 1995, 29c) heeft overwogen met betrekking tot de vraag of appellant anderszins is aangetast in zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Ook de Raad beantwoordt die vraag derhalve ontkennend.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagdes afwijzing van het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade in rechte stand kan houden.

De Raad merkt in dit verband tenslotte nog op dat het hierboven genoemde rapport van 26 augustus 1992 van de RPD een op de zaak betrekking hebbend stuk is, als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, zodat gedaagde dit rapport terecht als gedingstuk heeft ingebracht.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2000.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) H.E. Scheepers-van Die.

HD

10.05

Q