Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
98/3865 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 38, geldigheid: 2000-05-18
Algemeen militair ambtenarenreglement 47, geldigheid: 2000-05-18
Algemeen militair ambtenarenreglement 50, geldigheid: 2000-05-18
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 2000-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 309
TAR 2000/94

Uitspraak

98/3865 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 14 april 1998, nr. AWB 96/8657 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarna appellant nadere stukken heeft ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 april 2000, waar appellant in persoon is verschenen.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr A.P.J. Heesen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

Nadat appellant, eerste-luitenant der infanterie, bij een militair geneeskundig onderzoek (MGO) uit hoofde van een ziekte of gebrek blijvend ongeschikt was bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst, heeft de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) hem bij brief van 29 november 1994 met ingang van 1 maart 1995 ontslag aangezegd. Nadat een op verzoek van appellant ingesteld herhaald militair geneeskundig onderzoek (HMGO) tot dezelfde uitkomst als het MGO had geleid, heeft de staatssecretaris bij brief van 24 mei 1995 aan appellant meegedeeld: "Gezien het vorenstaande verleen ik u op de hiervoor vermelde gronden ontslag uit de militaire dienst, waarbij ik de datum van ingang van het ontslag heb vastgesteld op 1 juli 1995. Het Koninklijk besluit inzake uw eervol ontslag zal u te zijner tijd door tussenkomst van uw commandant worden toegezonden." Bij koninklijk besluit van 8 juni 1995 (hierna: het kb) is appellant met ingang van 1 juli 1995 eervol ontslag verleend. Dit kb is hem eerst in november 1995, na herhaald aandringen, toegezonden.

Het bezwaar dat appellant naar aanleiding van de brief van 24 mei 1995 heeft gemaakt en op 12 december 1995 na ontvangst van het kb heeft aangevuld, heeft de staatssecretaris bij zijn bestreden besluit van 18 juli 1996 ongegrond verklaard.

Nadat appellant tegen dit besluit beroep had ingesteld heeft de staatssecretaris de rechtbank desgevraagd bericht dat hij het bestreden besluit onbevoegdelijk had genomen, nu hij had verzuimd de voorgestelde afdoening van het bezwaar aan H.M. de Koningin voor te leggen. Op 16 januari 1998 heeft de staatssecretaris H.M. de Koningin alsnog machtiging gevraagd om op het bezwaar te beslissen en appellant die beslissing toe te zenden. Blijkens brief van 22 januari 1998 van de Directeur van het Kabinet van de Koningin heeft H.M. de Koningin deze machtiging verleend, waarna de staatssecretaris de rechtbank heeft verzocht het bestreden besluit aan gedaagde toe te rekenen.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van appellants grieven in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

Appellant is als uitkomst van het MGO en van het HMGO ongeschikt bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst omdat hij een afwijking heeft als bedoeld in de bij het Militair Keuringsreglement behorende lijst van afwijkingen. De Raad acht dit oordeel juist gelet op de daaraan ten grondslag liggende medische adviezen waaruit blijkt dat appellant lijdt aan een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, met waanachtige paranoïde denkbeelden, die niet met de militaire dienst verenigbaar is. Appellant heeft geen objectieve gegevens verschaft die twijfel aan de juistheid van dit medisch oordeel doen rijzen. Voor appellants stelling dat het HMGO met onvoldoende objectiviteit is totstandgekomen, heeft de Raad in de stukken of het verhandelde ter zitting geen steun kunnen vinden.

De Raad is van oordeel dat gedaagde gelet op de aard van voormelde afwijking van zijn in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) neergelegde bevoegdheid om appellant ontslag te verlenen gebruik heeft kunnen maken zonder met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in strijd te komen. Dat het besluit tot ontslagverlening op niet-medische gronden berust, zoals appellant betoogt, is de Raad niet kunnen blijken.

Toch kan het bestreden besluit, gelet op andere door appellant aangevoerde grieven, niet in stand blijven.

Het ontslag is, uiteindelijk - in overeenstemming met artikel 38, eerste lid, van het AMAR - bij koninklijk besluit verleend. Derhalve was gedaagde bevoegd om op het bezwaar tegen het kb te beslissen.

De staatssecretaris heeft in beroep erkend dat hij onbevoegdelijk op het bezwaar beslist had. Hij heeft beoogd dit gebrek te doen helen door H.M. de Koningin bij zijn brief van 16 januari 1998 voor te stellen "mij te machtigen om volgens bijgaande beschikking op vorenbedoeld bezwaar te beslissen en de eerste-luitenant [appellant] namens U van deze beslissing, alsmede de redenen welke daartoe hebben geleid, in kennis te stellen." Naar het oordeel van de Raad kon H.M. de Koningin hieruit niet anders afleiden dan dat de staatssecretaris nog niet op het bezwaar had beslist, temeer nu in het meegezonden afschrift van het bestreden besluit een aantal op het oorspronkelijke reeds verzonden besluit geplaatste essentiële gegevens - de dagtekening van 18 juli 1996, de ondertekening en het laatste onderdeel van het kenmerk - waren weggelaten. Deze onjuiste voorstelling van zaken door de staatssecretaris heeft er toe geleid dat de bij brief van 22 januari 1998 meegedeelde machtiging slechts tot het nemen van een beslissing op een nog niet afgedaan bezwaar strekte. Nu H.M. de Koningin zich niet heeft uitgesproken omtrent het reeds genomen en aan appellant toegezonden besluit van 18 juli 1996, is het bevoegdheidsgebrek dat aan dit besluit kleefde, niet geheeld, zodat dit besluit reeds daarom moet worden vernietigd.

Het bestreden besluit kan bovendien niet in stand blijven nu appellant bij het eerst in november 1995 door hem ontvangen kb met ingang van 1 juli 1995 ontslag is verleend. Daarmee is het kb in strijd met artikel 47, tweede lid, van het AMAR.

Dit artikellid bepaalt dat het ontslag niet eerder kan ingaan dan nadat tenminste drie maanden zijn verstreken sedert de militair van de beslissing tot ontslagverlening in kennis is gesteld.

Gedaagde heeft dienaangaande naar voren gebracht dat artikel 47, tweede lid, van het AMAR niet is geschonden nu het kb tezamen met de brieven van 29 november 1994 en 24 mei 1995 met het oog op de opzegtermijn één geheel vormt en appellant reeds in een vroeg stadium van de wijze van vaststelling van de ontslagdatum op de hoogte is gesteld. De rechtbank is van opvatting dat appellant niet in zijn belangen is geschaad nu hij bij brief van 24 mei 1995 omtrent zijn ontslag per 1 juli 1995 was geïnformeerd.

De Raad kan gedaagde noch de rechtbank volgen. Artikel 47, tweede lid, van het AMAR bevat de waarborg dat de opzegtermijn eerst na ontvangst van het ontslagbesluit kan ingaan. Dit betekent ingeval een officier ontslag wordt verleend, dat het ontslag niet eerder kan ingaan dan nadat tenminste drie maanden verstreken zijn nadat betrokkene van het in artikel 38, eerste lid, van het AMAR voorgeschreven koninklijk besluit tot ontslagverlening door uitreiking overeenkomstig artikel 50, eerste lid, van het AMAR, van dat besluit in kennis is gesteld. Geen algemeen verbindend voorschrift biedt de mogelijkheid deze opzegtermijn reeds voor de uitreiking van het ontslagbesluit te laten ingaan. Derhalve kan gelet op het waarborgkarakter van artikel 47, tweede lid, van het AMAR, ook wegens strijd met deze bepaling het bestreden besluit niet in stand worden gelaten.

Tenslotte wijst de Raad er nog op, dat appellants grief dat op zijn bezwaar aanmerkelijk te laat is beslist, hoewel zij terecht is, geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit kan vormen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, had appellant tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn bezwaar beroep kunnen instellen.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven en dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog op het bezwaar tegen het kb zal moeten beslissen. Gezien de ernst van het bevoegdheidsgebrek en de omstandigheid dat in overeenstemming met de artikelen 47, tweede lid, en 50 van het AMAR een nadere ontslagdatum bepaald moet worden, ziet de de Raad geen aanleiding voor inwilliging van het ter zitting namens gedaagde gedane verzoek om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

De Raad ziet termen om gedaagde te veroordelen in de kosten van aan appellant verleende rechtsbijstand ten bedrage van f 1.420,- in eerste aanleg. Gelet op artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, dient het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht te worden vergoed zoals in rubriek III is bepaald. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het primaire beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde alsnog een beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 1.420,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal f 525,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr J.H. van Kreveld en mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2000.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A. Bach Kolling.

HD

03.05

Q