Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA7060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2000
Datum publicatie
27-05-2002
Zaaknummer
98/3459 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2000-05-11
Militaire Ambtenarenwet 1931, geldigheid: 2000-05-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/92

Uitspraak

98/3459 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 31 maart 1998, onder nummer 97/8665 MAWKLA gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P. Reitsema, advocaat te Nijkerk. Gedaagde heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door mr F.H.A. Bots, werkzaam bij gedaagdes Ministerie.

II. MOTIVERING

Appellant, sergeant-majoor van het dienstvak der intendance, werkzaam als [functie], heeft aan gedaagde verzocht om toekenning van een inkomensgarantie op het niveau van de naasthogere rang.

Bij besluit van 16 oktober 1996 is dit verzoek afgewezen.

Bij het in dit geding bestreden besluit van 11 juli 1997 is het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Evenals de rechtbank acht de Raad het bestreden besluit in rechte houdbaar.

Per 1 januari 1990 is bij de Koninklijke landmacht het bevorderingsbeleid gewijzigd van een systeem van zogeheten blokbevorderingen in een systeem van bevordering op basis van individuele toewijzing van een hoger ingeschaalde functie. In verband met deze wijziging heeft gedaagde overgangsregels gegeven, neergelegd in de Uitvoeringsbepalingen overgangsbeleid Koninklijke landmacht (UBOBKL).

In dit geding is aan de orde punt 5, onder l, van de UBOBKL dat, voor zover van belang, luidt:

"Na 1 januari 1995 wordt aan de militair beneden de rang van tweede luitenant, die bij ongewijzigd beleid - op grond van de thans gehanteerde looptijd in rang - na afloop van de overgangsperiode een reëel uitzicht zou hebben op bevordering tot de naasthogere rang, uiterlijk twee jaar voor zijn leeftijdsontslag een functie aangeboden - zonodig met overschrijding van de gehanteerde maximum looptijd in rang - waaraan de naasthogere rang is verbonden. Indien de organisatie er niet in slaagt binnen de gehanteerde maximum looptijd in rang een dergelijke functie aan te bieden, wordt bij het bereiken van die maximum looptijd een inkomensgarantie geboden op het niveau van die naasthogere rang."

Gedaagde heeft bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een inkomensgarantie als bedoeld in deze regeling slechts wordt verstrekt aan militairen die bij het bereiken van de maximum looptijd in rang ook in medische zin geschikt zijn voor functies binnen de betreffende categorie in de rang die bij bevordering verkregen zou worden. Hierbij dient, gezien de veranderde taakstelling van de Koninklijke landmacht, deze medische geschiktheid tevens geschiktheid voor functies in het kader van crisisbeheersingsactiviteiten te omvatten. Volgens gedaagde voldoet appellant niet aan deze medische geschiktheidseisen.

De Raad overweegt dat de onderhavige inkomensgarantie is bedoeld om militairen die ingevolge het vóór 1 januari 1990 geldende bevorderingsbeleid een reëel uitzicht hadden op bevordering en aan wie geen functie in de naasthogere rang wordt toegewezen, bij het bereiken van de maximum looptijd in rang financiële compensatie te bieden. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 6 van het vóór 1 januari 1990 geldende Bevorderingsvoorschrift Beroepskader Landmacht 1982 de militair om voor bevordering in aanmerking te komen onder meer lichamelijk en geestelijk geschikt diende te worden geacht voor het vervullen van de functies in zijn categorie in de rang die hij bij bevordering zou verkrijgen. Deze eis is in genoemde overgangsregeling niet vervallen of gewijzigd, zodat gedaagde terecht heeft bezien of appellant ten tijde van het bereiken van zijn maximum looptijd medisch geschikt was voor de desbetreffende functies. De Raad onderkent dat inmiddels, gezien de veranderde taakstelling van de Koninklijke landmacht, stringentere medische eisen zijn gaan gelden. Deze omstandigheid staat evenwel los van het gewijzigde bevorderingsbeleid met het oog waarop onder meer de hier aan de orde zijnde inkomensgarantie is vastgesteld. De Raad ziet evenmin als de rechtbank in de tekst van de overgangsregeling of anderszins aanleiding om aan te nemen dat met die regeling is bedoeld te garanderen dat de vóór 1 januari 1990 gehanteerde (mildere) medische geschiktheidseisen voor deze categorie militairen zouden worden gehandhaafd.

De Raad is voorts van oordeel dat voldoende vast staat dat appellant ten tijde van het bereiken van zijn maximum looptijd in rang op 1 november 1996 niet voldeed aan de medische geschiktheidseisen. Appellant heeft reeds sinds zijn initiële opleiding in 1963 als gevolg van een dienstongeval medische beperkingen, waardoor hij ongeschikt is voor velddienst. Bij meerdere medische keuringen is aangegeven dat appellant vanwege medische beperkingen ongeschikt is voor operationele dienst en op 25 april 1997 is na een geneeskundig onderzoek op 13 maart 1997 tevens aangegeven dat dit ook geldt voor uitzendingen.

Dat de medische beperkingen van appellant niet eerder tot belemmeringen in zijn militaire carrière hebben geleid, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking en acht de Raad geen termen aanwezig tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2000.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A. Bach Kolling.

HD

27.04

Q