Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA5420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
97/11675 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/100 met annotatie van Red

Uitspraak

97/11675 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 21 februari 1995 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) per 1 april 1995 ingetrokken en de aan deze toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per die datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 24 november 1997, gegeven onder de nummers 1995/891 en 1996/1459 AAWAO, onder meer appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is door mr F.E.J. Menkveld, advocaat te Utrecht, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd.

Appellant heeft de Raad - desgevraagd - nadere inlichtingen verstrekt.

Gedaagde heeft eveneens nadere vragen van de Raad beantwoord.

Van de zijde van appellant is vervolgens een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 juni 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend raadsman mr P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr E.P.B. Wijnands, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 1999, gevoegd met het geding bij de Raad geregistreerd onder nummer 97/173 AAW/WAO. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr P.G.M. Lodder, en gedaagde heeft zich - daartoe ambtshalve opgeroepen - doen vertegenwoordigen door mr J.A.H. Pardaan, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., alsmede door E.M. Cohen, senior beleidsmedewerker, en D. Vermeulen, regionaal arbeidsanalist projectleider functie-informatiesysteem (FIS).

II. MOTIVERING

Bij besluit van 21 februari 1995 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkering krachtens de AAW per 1 april 1995 ingetrokken en de aan deze toegekende uitkering krachtens de WAO per die datum herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met de bij hem vastgestelde long- en rugklachten op en na 1 april 1995 in staat is de hem voorgehouden functies te verrichten, waarmee hij een inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het voor hem geldende maatmaninkomen een verlies aan verdien-vermogen te zien geeft van ongeveer 20%.

Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige Y. Margry, op wiens advies gedaagdes besluit van 21 februari 1995 is gebaseerd, ten aanzien van appellant de juiste medische beperkingen heeft vastgesteld. Omdat appellant zonder bericht van verhindering tot twee maal toe geen gevolg had gegeven aan oproepen om zich te onderwerpen aan een door de rechtbank gelast geneeskundig onderzoek, heeft de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, zich daarbij gebaseerd op de uit de gedingstukken blijkende medische gegevens. Volgens de rechtbank kan appellant met evenbedoelde beperkingen de hem voorgehouden functies verrichten en heeft gedaagde de voor appellant geldende mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld.

Appellant betwist de juistheid van het oordeel van de rechtbank over het besluit van 21 februari 1995.

De Raad overweegt het volgende.

Ten aanzien van de door appellant naar voren gebrachte grief dat het besluit van 21 februari 1995 berust op een onjuiste medische grondslag, merkt de Raad in de eerste plaats op dat, nu appellant - desgevraagd - ook in hoger beroep geen verklaring heeft kunnen geven over zijn niet gevolg geven aan twee oproepingen van de rechtbank om zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door de rechtbank aangewezen deskundige, de rechtbank haar beslissing over de gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding kon en mocht baseren op de zich in het dossier bevindende medische gegevens. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat die gegevens onvoldoende grond bieden voor de opvatting van appellant dat de door de verzekeringsgeneeskundige Y. Margry vastgestelde medische beperkingen onjuist zijn.

In aanmerking genomen dat gedaagde ter zitting heeft doen weten de functie worststopper niet langer ten grondslag te leggen aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, ziet de Raad zich voorts gesteld voor de vraag of de resterende aan de omstreden schatting ten grondslag gelegde functies - heftruckchauffeur, samensteller, inpakker, loempiavouwer, printmonteur en plantenstekker - voor appellant vanuit medisch oogpunt bezien geschikt zijn te achten. Aan al die functies zijn belastingen verbonden die de door de verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van appellant overschrijden.

Dat functies worden geselecteerd waaraan zwaardere belastingen zijn verbonden dan in overeenstemming is met de door de verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene vindt - zo is ter zitting door gedaagdes gemachtigden E.M. Cohen en D. Vermeulen desgevraagd toegelicht - zijn oorzaak in de omstandigheid dat bij de geautomatiseerde voorselectie wat betreft de toelaatbare belastingen van de functies niet slechts functies worden geselecteerd waarvan de belasting blijft binnen de door de verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene. Bij die geautomatiseerde voorselectie kunnen ook functies worden geselecteerd waarvan de belastingen de door de verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene overschrijden. Bij die voorselectie van de functies worden namelijk als grenswaarden gehanteerd die bij de functies behorende belastingen die wat betreft intensiteit én frequentie behoren tot de naast hogere gradering, dan wel die de gekozen waarderingen van de belastbaarheid wat betreft intensiteit óf frequentie maximaal twee graderingen te boven gaan.

De hierboven beschreven wijze van voorselectie van functies hangt - mede blijkens de ter zitting van de Raad gegeven toelichting - samen met enerzijds de omstandigheid dat de verzekeringsgeneeskundige bij zijn keuze tussen de hem (limitatief) ter beschikking staande waarderingen om de belastbaarheid van betrokkene weer te geven in geval van twijfel steeds de waardering kiest die de geringste belastbaarheid weergeeft, en anderzijds dat bij de vaststelling van de belasting die is verbonden aan een in het FIS opgenomen functie, steeds de zwaarste belasting wordt genomen als moet worden gekozen tussen twee waarderingen van de belasting van een functie. Dit betekent dat ondanks het feit dat bij de geautomatiseerde voorselectie van een functie de belasting van die functie op een of meer aspecten de gekozen waardering(en) van belastbaarheid van betrokkene te boven lijkt te gaan, de werkelijke belasting van die functie toch in overeenstemming kan zijn met de in feite bestaande belastbaarheid van betrokkene. Een nadere beoordeling door de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige moet dan uitwijzen of de functie ondanks een overschrijding van de gekozen waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene voor hem of haar daadwerkelijk toch geschikt is.

In eerdere uitspraken (onder meer de uitspraak gepubliceerd in USZ 1997/207) heeft de Raad als zijn zienswijze te kennen gegeven dat het ontbreken van een adequate toelichting op deze nadere beoordeling leidt tot strijd met het in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsvereiste. Indien zich daarbij de situatie voordoet dat de verzekeringsgeneeskundige terugkomt van de gemaakte keuze bij de invulling van het formulier waarop hij de waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene heeft vermeld, en dat hij de aanvankelijk voor betrokkene te hoog geachte belastbaarheid alsnog aanvaardbaar acht, dient aan de hiervoor genoemde toelichting op de nadere beoordeling nog extra eisen te worden gesteld. Omdat zowel de verzekerde als ook de toetsende instantie ervan moeten kunnen uitgaan dat de niet gekozen waarderingen geen juiste afspiegeling vormen van betrokkenes belastbaarheid, kan zo'n (impliciete) wijziging van de waardering van de belastbaarheid enkel worden aanvaard, indien buiten kijf staat dat er geen sprake is van een ontoelaatbare relativering van de aanvankelijk gekozen waardering van de belastbaarheid van betrokkene. Dit laatste is naar het oordeel van de Raad zonder meer het geval indien de belasting van een functie zowel qua frequentie als qua intensiteit onverkort overeenkomt met een waardering van de belastbaarheid die aanvankelijk te zwaar werd bevonden voor betrokkene.

Gedaagde is in het onderhavige geval van oordeel dat van zijn kant, in het bijzonder in het in eerste aanleg ingezonden rapport van de verzekeringsgeneeskundige Y. Margry van 27 oktober 1994, genoegzaam is aangetoond dat de betrokken functies ondanks de daaraan verbonden overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant voor hem geschikt zijn. In evenbedoelde brief heeft deze verzekeringsgeneeskundige ten aanzien van vijf aspecten waarbij sprake is van een overschrijding een toelichting verstrekt. De overschrijding ten aanzien van het aspect traplopen (voorkomend bij de functies loempiavouwer en printmonteur), de overschrijding ten aanzien van het aspect klimmen en klauteren (voorkomend bij de functie heftruckchauffeur) alsmede de overschrijding ten aanzien van het aspect duwen en trekken (eveneens voorkomend in de functie heftruckchauffeur) zijn niet toegelicht.

Naar het oordeel van de Raad leidt het ontbreken van iedere toelichting bij laatstgenoemde overschrijdingen tot de conclusie dat de functies loempiavouwer, printmonteur en heftruckchauffeur niet aan de onderhavige schatting ten grondslag konden worden gelegd omdat daarvan niet is komen vast te staan dat zij vanuit medisch oogpunt bezien voor appellant geschikt zijn. Als basis voor de onderhavige schatting resteren derhalve drie functies: samensteller, inpakker en plantenstekker.

Met betrekking tot de functie samensteller moet worden vastgesteld dat deze een overschrijding van de belastbaarheid van appellant kent ten aanzien van het aspect zitten. Bij dit aspect is vermeld: "Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag 1 uur aaneengesloten.", terwijl de belastbaarheid van appellant is gewaardeerd op: "Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag een half uur aaneengesloten". De verzekeringsgeneeskundige Y. Margry heeft ten aanzien van de overschrijding met betrekking tot het aspect zitten, die bij vijf aan de schatting ten grondslag gelegde functies voorkomt, één toelichting gegeven, hoewel het gaat om verschillende functies en niet gelijksoortige overschrijdingen. Die toelichting houdt in dat wat langer zitten dan een half uur mogelijk moet zijn bij een goede zitvoorziening.

Deze niet op de functie van samensteller toegespitste en niet nader medisch gemotiveerde toelichting acht de Raad onvoldoende om te kunnen dienen als een adequate motivering voor de geschiktheid van die functie. Dit klemt te meer nu aan de motivering van deze toelichting extra eisen moeten worden gesteld, omdat het hier gaat om een (impliciete) wijziging van een aanvankelijk gekozen waardering van de belastbaarheid van appellant.

Uit het voorgaande volgt dat de onderhavige schatting niet kan worden gebaseerd op de functie samensteller.

Aangezien de functie inpakker ten aanzien van het aspect zitten exact dezelfde overschrijding kent als de functie samensteller, overweegt de Raad onder verwijzing naar het vorenstaande dat ook die functie reeds vanwege het ontbreken van een adequate toelichting van de overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van het aspect zitten bij de onderhavige schatting buiten aanmerking dient te blijven.

De functie plantenstekker kent ten aanzien van het aspect zitten weliswaar een andersoortige overschrijding van de aanvankelijk gekozen waardering van de belastbaarheid van appellant dan de functies samensteller en inpakker, maar ook hier is de Raad van oordeel dat hoger vermelde door de verzekeringsgeneeskundige Y. Margry gegeven, niet op deze functie toegespitste en niet medisch gemotiveerde toelichting ontoereikend is. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het ook hier gaat om een belasting die overeenkomt met een waardering die bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant ten aanzien van het aspect zitten aan de verzekeringsgeneeskundige ter beschikking stond, maar kennelijk te zwaar werd bevonden.

Uit het voorgaande volgt dat van geen van de bij de onderhavige schatting betrokken functies kan worden gezegd dat zij voor die schatting een toereikende grondslag vormen en derhalve niet is voldaan aan artikel 3 van het Schattingsbesluit, waarin is bepaald dat een arbeidsongeschiktheidsschatting op tenminste drie functies moet zijn gebaseerd. Dit betekent dat het besluit van 21 februari 1995 wegens strijd met artikel 4:16 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak komt - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking.

In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,-- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een bedrag groot f 2.495,-- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant in het geding in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt dan ook als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep in eerste aanleg tegen het besluit van 21 februari 1995 alsnog gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 februari 1995;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.495,--;

Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht van in totaal f 210,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en

mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB