Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2000:AA5272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
04-02-2000
Zaaknummer
97/8189 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2000-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 274

Uitspraak

97/8189 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant.

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 2 mei 1995 heeft appellant de eerder aan gedaagde toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 mei 1995 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 10 juli 1997 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde is door mr L.A.I. Broekhoven, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 december 1999, waar appellant - zoals te voren aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar gedaagde in persoon is verschenen met bijstand van mr Broekhoven, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de juistheid van de volgende aan de aangevallen uitspraak ontleende feiten en omstandigheden:

"Eiser, geboren in 1946, heeft zich op

16 april 1992 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld als gevolg van psychische klachten en naderhand maag- en longklachten.

Nadat eiser gedurende 52 weken onafgebroken arbeids-ongeschikt is geweest, is hem in aansluiting daarop met ingang van 17 april 1993 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadat een verzekeringsgeneeskundige de belast-baarheid van eiser voor arbeid heeft vastgesteld en een arbeidsdeskundige omtrent de schatting heeft gerapporteerd, is door de Gemeenschappelijke Medische Dienst aan verweerder advies uitgebracht. Dat advies is bij brief van 21 maart 1995 ook aan eiser meegedeeld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het ter zake uitgebrachte advies met ingang van 21 mei 1995 de uitkering van eiser ingevolge de AAW en de WAO ingetrokken."

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:

"Een beschikking dient een deugdelijke, op schrift gestelde, volledige, begrijpelijke en inzichtelijke motivering te bevatten, zodat een belanghebbende op een begrijpelijke wijze op de hoogte wordt gesteld van de gedachtegang van het bestuursorgaan welke aan het besluit ten grondslag ligt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit wat betreft het medische standpunt onvoldoende onderbouwd. Zo blijkt niet van de medische beperkingen, al dan niet in samenhang met een medische diagnose, waarvan verweerder uitgaat.

Het bestreden besluit lijdt dus aan een (formeel) motiveringsgebrek en dient te worden vernietigd."

De rechtbank heeft zich vervolgens voor de vraag gesteld gezien of er in het onderhavige geval aanleiding is gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegekende bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. De rechtbank heeft in dat verband het bestreden besluit voor het overige op grondslag van het beroep getoetst en daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Wat het medische aspect betreft, is het bestreden besluit gebaseerd op de bevindingen en conclusies van de verzekeringsgeneeskundige.

Op grond van de beschikbare medische gegevens staat voor de rechtbank echter vast dat de verzekerings-geneeskundige op en na 21 mei 1995 bij eiser te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. De rechtbank acht in dit verband met name van belang het door de deskundige Haverkamp uitgebrachte rapport. Deze deskundige heeft, zakelijk weer-gegeven, gerapporteerd dat het door de verzekerings-geneeskundige vastgestelde belastbaarheidspatroon op en na 21 mei 1995 niet op eiser toepasbaar is.

De deskundige Haverkamp acht eiser voorts niet in staat tot het verrichten van de geduide functies, daar eiser als gevolg van parafilie niet in staat is zich te richten op het verrichten van werkzaamheden buiten zijn huis.

In het rapport van de deskundige professor dr. Kahn ziet de rechtbank een bevestiging van het rapport van de deskundige Haverkamp."

In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot grond tot vernietiging van het bestreden besluit in de eerste plaats het volgende aangevoerd:

"De heer A heeft in eerste aanleg evenwel op generlei wijze een beroep gedaan op schending van artikel 4:17 van de Awb. Dit betekent dat de recht-bank, door het beroep gegrond te verklaren wegens schending van deze bepaling, buiten de grenzen is getreden van het aan haar voorgelegde geschil, en daarmede de betekenis van artikel 8:69 van de Awb heeft miskend.

Voor de door de rechtbank ambtshalve verrichte toetsing zou slechts plaats zijn, indien het litigieuze wettelijke voorschrift "als van openbare orde" aangemerkt moet worden. Artikel 4:17 van de Awb bevat echter, hoewel het van essentiële betekenis is voor de kenbaarheid van de motivering, een dergelijk voorschrift niet. Ondergetekende meent voor dit standpunt steun te kunnen vinden in uw uitspraak van 8 juli 1997, zoals (verkort) gepubliceerd op pagina 1687 van het Nederlands Juristenblad van 10 oktober 1997."

Voorts heeft appellant met betrekking tot de aanspraak van gedaagde op uitkeringen krachtens de AAW en de WAO onder meer het volgende naar voren gebracht:

"Voorwaarde voor het recht is derhalve dat wordt vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen een gevolg is van ziekte of gebreken. Vooreerst moet daarom worden vastgesteld of de heer A lijdt aan een ziekte of gebrek.

De rechtbank heeft zich dienaangaande (onder meer) laten voorlichten door de psychiater A.D. Haverkamp. In zijn rapport van 5 januari 1996 merkt deze op "dat de heer A intense exhibitionistische en pedofiele neigingen heeft, die als ziekelijke stoornissen onder de parafilieën te rangschikken zijn."

Ondergetekende is van mening dat deze "intense exhibitionistische en pedofiele neigingen" bezwaarlijk op een ziekte of gebrek kunnen worden teruggevoerd. In de visie van de deskundige is het kennelijk zo dat, nu hij een afwijkende sexuele voorkeur als een ziekte of gebrek aanmerkt, hij tot voor kort evenzo van mening is geweest dat homofilie tot uitdrukking gebracht dient te worden in een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar ondergetekendes oordeel hebben veel mensen eigenaardigheden, doch ziekte of gebrek komt pas aan de orde indien de greep op het gedrag verloren gaat, dan wel als anderszins de grenzen van een duidelijke pathologie zijn overschreden. Van een dergelijke "duidelijke overschrijding" is geenszins sprake, nu de klachten van de heer A enkel en alleen beperkt blijven tot een afwijkende sexuele voorkeur, en niét teruggevoerd kunnen worden op een ziekte of gebrek.

Overigens, indien de klachten van de heer A wél teruggevoerd kunnen worden tot ziekte of gebrek -hetgeen blijft ontkent- is ondergetekende van mening dat deze in onvoldoende mate geobjectiveerd kunnen worden. De klachten blijven immers, zoals hiervoor reeds opgemerkt, enkel en alleen beperkt tot "neigingen". Van een consistente stoornis is geen sprake.

Het vorenstaande betoog geldt mutatis mutandis evenzo voor het rapport van de psychiatrisch hoogleraar R.S. Kahn. Ondergetekende kan in zijn rapport, waarvan met name het gestelde op pagina 5 onder "psychiatrisch onderzoek", geen relevante psychiatrische overwegingen lezen ter objectivering van de gestelde arbeidsongeschiktheid. Kennelijk wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het subjectieve klachtenpatroon van de heer A.

Ondergetekende heeft daarbij goede notie genomen van de inhoud van het rapport van de psychiater J.D.J. Tilanus, waarin deze opmerkt dat sprake is van een normaal toestandsbeeld in psychiatrische zin. Bij de beoordeling van de klachten van de heer A heeft de verzekeringsarts Van de Kerkhof hiermede rekening gehouden. Uit schrijven van 22 december 1995 van "De Waag" blijkt overigens, dat geen indicatie bestaat voor het voorschrijven van antidepressiva.".

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb dient de rechtbank uitspraak te doen op grondslag van het beroep-schrift, de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

In eerste aanleg heeft gedaagde het bestreden besluit aangevochten onder aanvoering van gronden die inhouden dat het Lisv de feiten en omstandigheden waarop het bestreden besluit steunt, onjuist heeft vastgesteld, gewaardeerd en gekwalificeerd. Gedaagde heeft echter in eerste aanleg op generlei wijze een beroep gedaan op schending van artikel 4:17 (oud) van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank door het beroep gegrond te verklaren wegens schending van dit wetsartikel buiten de grenzen is getreden van het aan haar voorgelegde geschil en aldus de betekenis van het hiervoor aangehaalde artikel 8:69 van de Awb heeft miskend.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - appellant wijst daarop terecht in het aanvullend beroepschrift - zou voor de door de rechtbank verrichte ambtshalve toetsing alleen dan plaats zijn geweest, indien het wettelijk voorschrift in kwestie zou moeten worden aangemerkt als te zijn van openbare orde. Artikel 4:17 (oud) van de Awb bevat echter slechts de verplichting om bij de bekendmaking van de beschikking de motivering te vermelden. Hoewel dit voorschrift van essentiële betekenis is voor de kenbaarheid van de motivering waarop een beschikking berust, is naar het oordeel van de Raad een dergelijk voorschrift niet van openbare orde. Derhalve heeft de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte wegens strijd met artikel 4:17 (oud) van de Awb vernietigd.

Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant bij het bestreden besluit terecht de eerder aan gedaagde toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 21 mei 1995 heeft ingetrokken.

Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag onder overweging van het navolgende bevestigend.

In het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit heeft de betrokken verzekeringsgeneeskundige van de voormalige Gemeenschappelijke Medische Dienst gedaagde op 9 mei 1994 aan een medisch heronderzoek onderworpen. Bij dat onderzoek werd mede op grond van de anamnestische gegevens de diagnose parafilie gesteld, welke diagnose voor de verzekeringsgeneeskundige aanleiding vormde overleg te plegen met de curatieve sector en een psychiatrische expertise te vragen over de voor gedaagde bestaande beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

Deze psychiatrische expertise werd uitgevoerd door de psychiater J.D.J. Tilanus. Deze geneeskundige diagnostiseerde geen psychiatrische afwijkingen; wel achtte hij in de persoonlijkheidsstructuur mogelijk nog sprake van parafilieën met name in de vorm van exhibitionisme en voyeurisme. Daarbij achtte deze psychiater gedaagde in staat werkzaamheden te verrichten overeenkomstig zijn opleidingsniveau, ervaring en maatschappelijke positie gedurende een gebruikelijke werkweek. Wel verdiende het naar zijn oordeel aanbeveling gedaagde vooralsnog niet in al te solistische arbeid werkzaam te laten zijn. Voorts merkte genoemde psychiater nog op dat, indien werkelijk een zich baanbrekende regressieve seksuele objecttendentie tot een criminele daad zou leiden, dit geen invloed op de arbeidsvaliditeit zou hebben.

Na ontvangst van de bevindingen van psychiater Tilanus en de gegevens van de huisarts en de behandelend psycholoog heeft de betrokken verzekeringsgeneeskundige op 7 december 1994 een rapport uitgebracht, waarin deze verzekeringsgeneeskundige concludeerde dat er geen sprake was van een psychiatrische ziekte in de zin van de AAW en de WAO. Vervolgens is een belastbaarheidspatroon opgesteld, waarbij rekening is gehouden met de bestaande spanningsklachten, met maagbezwaren, met enige lichte longbezwaren en met de wenselijkheid van niet al te veel solistische omstandigheden.

Uitgaand van deze beperkingen heeft de betreffende arbeidsdeskundige gedaagde ongeschikt geacht voor de laatstelijk door gedaagde verrichte werkzaamheden als bijrijder/sjouwer, maar geschikt geacht voor een aantal aan gedaagde voorgehouden functies, waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit optrad.

Op grond van bovenstaande bevindingen heeft het Gemeenschappelijk Administratiekantoor geadviseerd gedaagde voor minder dan 25%, respectievelijk 15% arbeidsongeschikt te beschouwen, welk advies appellant bij het bestreden besluit heeft overgenomen.

Gedaagde heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de bij hem bestaande parafilieën als een ziekte of gebrek dienen te worden beschouwd, dan wel bijdragen tot het ontstaan van een toestand die als een ziekte of gebrek moet worden gekwalificeerd. Daarbij heeft hij zich erop beroepen dat bij het wegvallen van de controle van de behandelend psycholoog en de steun van zijn vrouw zich mogelijk een "acting-out" zou kunnen voordoen, waardoor gedaagde wel als een gestoorde persoonlijkheid moet worden gezien en in welk geval sprake is van een als ziekte of gebrek te kwalificeren toestand.

In hetgeen van de kant van gedaagde is aangevoerd heeft de rechtbank aanleiding gevonden een rapport door de psychiater A.D. Haverkamp en een rapport door T.W.M. Walrave, arts-assistent psychiatrie, en prof. dr R.S. Kahn te laten uitbrengen. Deze deskundigen zijn van oordeel dat de bij gedaagde bestaande parafilieën als een ziekelijke (psychiatrische) stoornis moet worden aangemerkt en dat hij daardoor buiten staat was (buiten zijn huis) aan het arbeidsproces deel te nemen. Blijkens de inhoud van de rapporten van deze deskundigen hebben zij doorslaggevend geacht voor dit oordeel dat gedaagde zich graag onder de controle van zijn echtgenote plaatste en zijn gewetensfunctie had geëxternaliseerd. Bij deelname aan het arbeidsproces was daardoor naar de opvatting van die deskundigen een kans op recidive en escalatie aanwezig.

De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat appellant bij gedaagde te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. Voor de motivering van dit oordeel heeft de rechtbank volstaan met een beroep op de rapporten van de geraadpleegde deskundigen.

De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust niet, nu de rechtbank hiermee een onjuiste toepassing aan het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 5 van de AAW en artikel 18 van de WAO heeft gegeven. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ook als in navolging van de door de rechtbank geconsulteerde deskundigen zou moeten worden aangenomen dat gedaagde gelet op zijn geestelijke toestand, die gekenmerkt werd door een bepaalde persoonlijkheidsontwikkeling, genoemde parafilieën en de daaraan verbonden spanningen, op de in het geding zijnde datum leed aan een als ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO te beschouwen aandoening, dan is daarmee naar het oordeel van de Raad geenszins komen vast te staan dat gedaagde daardoor op medische gronden buiten staat was de door appellant geselecteerde functies te vervullen.

Daarbij wijst de Raad er in de eerste plaats op dat appellant bij het selecteren van die functies rekening heeft gehouden met een aantal voor gedaagde bestaande beperkingen, waaronder beperkingen die samenhangen met genoemde parafilieën. Voorts moet de Raad vaststellen dat gedaagdes psychische toestand op zich geen enkel beletsel vormde om de in aanmerking komende arbeid te verrichten. Ook de inhoud van de rapporten van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen geven geen aanleiding de geschiktheid van gedaagde om inkomensvormende arbeid te verrichten in twijfel te trekken. Het door de deskundigen genoemde bezwaar tegen het verrichten van arbeid is vrijwel uitsluitend gelegen in het gevaar van een impulsdoorbraak tijdens het reizen naar of het verrichten van zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van de Raad is de aanwezigheid van dit gevaar op zich echter onvoldoende om aan te nemen dat gedaagde op medische gronden de geselecteerde werkzaamheden niet kon of mocht verrichten.

In dat verband is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat de kans op een impulsdoorbraak door het gaan verrichten van werkzaamheden zonder meer zou zijn toegenomen in vergelijking met de situatie waarin gedaagde geen werkzaamheden verrichtte, maar onvermijdelijk toch op andere wijze deelnam aan het dagelijks leven en het maatschappelijk verkeer. In dat verband wijst de Raad op de zienswijze van de hiervoor genoemde psychiater Tilanus dat de aanwezigheid van gedaagde bij andere mensen - zoals zijn echtgenote, destijds op zijn werk, in het café dat zij destijds aan huis dreven, en kennissen - een preventieve werking heeft en niet valt in te zien waarom in een werkklimaat een dergelijke preventieve werking van de aanwezigheid van andere mensen niet zou uitgaan. De Raad kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de door gedaagde geschetste rol van zijn echtgenote bij de preventie van mogelijke incidenten enigszins overtrokken is en overigens ook niet geheel voorstelbaar is.

Voorts wil de Raad benadrukken dat een dergelijke impulsdoorbraak, het onder invloed daarvan begaan van een mogelijk strafbaar feit en de eventuele strafrechtelijke reactie daarop op zich in beginsel geen grond tot arbeidsongeschiktheid in zin van de AAW en de WAO vormen. Een dergelijk incident tast immers op zich zelf genomen het vermogen om arbeid te verrichten niet op grond van in de gezondheidstoestand van gedaagde gelegen factoren aan.

Nu de Raad ook overigens geen aanleiding ziet de door appellant vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden, concludeert de Raad dat het bestreden besluit ook inhoudelijk bezien in rechte stand kan houden, zodat dient te worden beslist als in rubriek III van deze uitspraak is aangegeven.

De Raad acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en

mr T. Hoogenboom en mr R.M. van Male als leden in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB +Q