Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZF5199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-1999
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
97/10567 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van teveel betaald wachtgeld gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling indien de ambtenaar redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat hem teveel werd uitbetaald. Toepasselijkheid in ambtenarenzaken van de zesmaanden-termijn welke voor een uitvoerings- of bestuursorgaan redelijkerwijs voldoende moet zijn om relevante gegevens op adequate wijze administratief te verwerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/134

Uitspraak

97/10567 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 29 september 1997, nr 96/996 AW V, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 juni 1999, waar appellante niet is verschenen, zoals tevoren was gemeld, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.G.J. Goossen, werkzaam bij USZO Diensten B.V. te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

Aan appellante is met ingang van 1 januari 1993 door de Minister van Justitie eervol ontslag verleend uit haar functie van bewaarder/penitentiair inrichtingswerker bij het Huis van Bewaring X. in Y. Bij besluit van 31 mei 1993 heeft gedaagde aan appellante over de periode van 1 januari 1993 tot en met 20 februari 1997 wachtgeld toegekend ingevolge het Rijkswachtgeldbesluit (Rwb).

Per 1 december 1993 is appellante werkzaamheden gaan verrichten als parkeercontroleur voor 19 uur per week bij de gemeente Z., hetgeen zij aan de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen (DUO) heeft gemeld op een informatie-formulier gedateerd 30 december 1993. Op een informatie-formulier van 4 januari 1994 heeft appellante vermeld dat zij voor deze werkzaamheden f 1.263,- bruto per maand ont- ving. Appellante heeft verder een afschrift van het aanstellingsbesluit bij de gemeente Z. en een sala- risspecificatie van de maand januari 1994 aan gedaagde gestuurd.

Bij brief van 30 maart 1995 heeft de directeur van de DUO aan appellante verzocht inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de door haar in 1994 genoten inkomsten, waarop appellante in april 1995 een door haar werkgever opgesteld en ondertekend overzicht van haar inkomsten over 1994 aan de DUO heeft gestuurd.

Bij besluit van 1 december 1995 heeft gedaagde bepaald dat bij de berekening van het wachtgeld over de maanden januari tot en met december 1994 en van januari 1995 tot en met september 1995 met een onjuist bedrag aan inkomsten rekening is gehouden, in verband waarmee over eerstgenoemde periode f 4.385,75 (bruto) en over laatstgenoemde periode f 2.808,25 (netto) te veel aan wachtgeld is betaald en dat op die grond een bedrag van f 7.194,- door appellante moet worden terugbetaald.

Bij het in dit geding bestreden besluit van 7 maart 1996 heeft gedaagde na bezwaar dit besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het namens appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij is in hoofdzaak overwogen dat niet in geschil is dat appellante gedurende de in geding zijnde periode een te hoog bedrag aan wachtgeld heeft ontvangen en voorts dat het haar, gezien de hoogte van de vóór 1 januari 1993 door haar genoten inkomsten, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij te veel ontving, zodat gedaagde bevoegd was om tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan. Verder is overwogen dat nu appellante op de informatieformulieren wel haar salaris maar niet de onregelmatigheidstoeslag heeft vermeld, zij ook overigens niet de verwachting mocht hebben dat zij aanspraak had op het haar ver- strekte wachtgeld en gedaagde niet onnodig getalmd heeft met een reactie op het door appellante in april 1995 verstrekte inkomensoverzicht, het terugvorderingsbesluit in rechte stand houdt.

De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

Namens appellante is niet bestreden dat aan haar de bij het bestreden besluit teruggevorderde bedragen onverschuldigd zijn betaald. Bestreden is echter dat dit haar ten tijde van belang redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest en voorts is aangevoerd dat appellante steeds tijdig inlichtingen heeft verstrekt omtrent haar verdiensten en dat gedaagde hierop te laat heeft gereageerd, zodat geen terugvordering meer zou mogen plaatsvinden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante, gezien de omvang van haar verdiensten en de hoogte van het salaris waarnaar het wachtgeld was berekend, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zij in de periode hier in geding een te hoog bedrag aan wachtgeld ontving, zodat gedaagde volgens vaste jurisprudentie van de Raad in beginsel bevoegd was tot terugvordering of verrekening van het onverschuldigd betaalde bedrag gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling.

De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of gezegd moet worden dat gedaagde, gebruik makend van zijn bevoegdheid tot terugvordering, bij afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de terugvordering van het over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 september 1995 onverschuldigd aan uitkering betaalde, dan wel anderszins in strijd is gekomen met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad in sociale verzekeringszaken kan een terugvorderingsbeslissing als hier aan de orde de beperkte toetsing van de rechter niet doorstaan voor zover deze behelst terugvordering van uitkeringen, betaalbaar gesteld meer dan zes maanden na het tijdstip waarop het uitvoeringsorgaan na ontvangst van relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde actie had moeten nemen. De Raad ziet geen aanleiding om deze jurisprudentie in beginsel niet eveneens van toepassing te achten in ambtenaarrechtelijke terugvorderingsgeschillen, nu daarbij ook geldt dat in het algemeen een tijdvak van zes maanden voor een uitvoerings- of bestuursorgaan redelijkerwijs voldoende moet zijn om relevante gegevens op adequate wijze administratief te verwerken.

Toegepast op het geval van appellante betekent dit het volgende.

Dat gedurende de in geding zijnde periode te veel aan wachtgeld is betaald, is veroorzaakt doordat met twee inkomenscomponenten van appellante geen rekening is gehouden, namelijk de onregelmatigheidstoeslag en de (niet geringe) salarisverhoging per 1 maart 1994, ontstaan doordat appellante per die datum de omvang van haar dienstverband heeft uitgebreid van 50% naar 73,6%.

Ten aanzien van de eerste component overweegt de Raad dat appellante de toeslag weliswaar niet vermeldde op de informatieformulieren, maar dat het gedaagde aan de hand van de door appellante ingestuurde salarisspecificatie van januari (in combinatie met de aanstelling) duidelijk had kunnen zijn dat naast het opgegeven basissalaris nog toeslag werd genoten. Dat, zoals van de zijde van gedaagde ter zitting is medegedeeld, slechts tot bezien van bijgevoegde gegevens wordt overgegaan indien op het informatieformulier is aangegeven dat er iets in het inkomen is veranderd, dient in dit kader voor rekening van gedaagde te worden gelaten.

Het voorgaande betekent dat te veel betaalde bedragen als gevolg van het buiten de anti- cumulatie ex artikel 8 Rwb blijven van deze toeslag slechts kunnen worden teruggevorderd voorzover deze bedragen betaalbaar zijn gesteld binnen de aangegeven grens van zes maanden na ontvangst van de salarisspecifcatie van januari.

Ten aanzien van de tweede component overweegt de Raad dat appellante de uitbreiding van haar dienstverband en de daarmee gepaard gaande salarisverhoging niet tijdig (op de informatieformulieren van maart en april) heeft gemeld. Op het informatieformulier van mei is wel een hoger bedrag aan salaris opgegeven en in juni heeft appellante gemeld 29 uur per week te werken.

Op het voorgedrukte gedeelte van het infor- matieformulier van augustus 1994 heeft gedaagde vermeld dat appellante volgens de gegevens van het DUO in juli 1994 f 1898,84 aan bruto-inkomsten genoot. De Raad maakt hieruit op dat de uitbreiding van het dienstverband toen blijkbaar inmiddels bekend was aan gedaagde. Voorzover de onderhavige terugvordering te veel betaalde bedragen als gevolg van deze salarisverhoging per 1 maart 1994 omvat (de zich onder de gedingstukken bevindende specificatie geeft hieromtrent geen uitsluitsel), kan naar het oordeel van de Raad slechts terugvordering plaatsvinden van bedragen die be- taalbaar zijn gesteld binnen zes maanden na ontvangst van het informatieformulier van mei 1994, omdat dat formulier voor gedaagde toch een duidelijk signaal had moeten zijn dat er iets niet klopte, waarop nadere informatie hieromtrent bij appellante had kunnen worden ingewonnen.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

Gedaagde dient voorts, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep, welke worden begroot op respectievelijk f 710,- en f 710,- voor verleende

rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot f 710,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr C.P.J.

Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) D. Boers.

HD 16.07 Q

97/10567 AW

-Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.-