Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-1999
Datum publicatie
30-06-2004
Zaaknummer
97/8115 ZFW-P, 97/10642 ZFW-P
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prejudiciële verwijzing. Naturastelsel. Toestemmingsvereiste. Medische hulpverlener. Vrij verrichten van

diensten. Rechtvaardigingsgrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 59
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 60
Ziekenfondswet 9
Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering. 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 32
USZ 2000/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/8115 ZFW

97/10642 ZFW

V E R Z O E K

aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële

beslissing als bedoeld in artikel 234 van het EG-verdrag, zoals dat verdrag sedert

de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam per 1 mei 1999 luidt, in de

gedingen tussen:

1. A, wonende te B, appellante 1,

en

de Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A., gevestigd te

Zwijndrecht, gedaagde 1,

2. C, wonende te D, appellante 2,

en

de Onderlinge Waarborgmaatschappij Z.A.O. Zorgverzekeringen, gevestigd te

Amsterdam, gedaagde 2.

I. FEITEN EN PROCESVERLOOP

a. zaak 97/8115.

Appellante 1 (verder te noemen: A) heeft zich tijdens een vakantie in Duitsland

aldaar tot de tandarts Agatha Schorbach te Frechen gewend, die in het tijdvak van

20 oktober 1994 tot en met 18 november 1994 een gebitsrehabilitatie heeft

uitgevoerd bij A. Tijdens de behandelingen zijn zes kronen en een frameprothese op

precisieverankering in de bovenkaak geplaatst.

Na terugkeer van haar vakantie heeft A zich tot gedaagde 1 (verder te noemen: OZ),

gewend met het verzoek de behandelingen tot een totaalbedrag ad 7.444,59 DM, te

vergoeden. OZ heeft bij brief van 12 mei 1995, op grond van een advies van de

adviserend tandarts M.C. van der Horst, afwijzend op dit verzoek beslist.

De commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft naar aanleiding van de

bezwaren van A op 16 februari 1996 medegedeeld, dat OZ terecht heeft geweigerd de

kosten van tandheelkundige hulp aan A te vergoeden. Daartoe is overwogen dat de

ziekenfondsverzekering wordt gekenmerkt door het zogenoemde natura-karakter,

hetgeen betekent dat verzekerden slechts aanspraak hebben op de hulp zelf en alleen

in een enkel uitzonderingsgeval op vergoeding van kosten. Een dergelijk

uitzonderingsgeval achtte de commissie in casu niet aan de orde, aangezien geen

sprake was van een spoedeisende behandeling als bedoeld in artikel 22 van

EEG-Verordening 1408/71 en de behandeling door een tandarts met wie OZ geen

contract heeft afgesloten, voor de geneeskundige verzorging van A niet nodig was.

De rechtbank heeft dat standpunt onderschreven, overwegende dat de uitvoerigheid

van de verrichte behandelingen en het feit dat de behandelingen zich over een

periode van enkele weken hebben uitgestrekt allerminst wijzen op spoedhulp. Voorts

heeft de rechtbank overwogen, dat een beroep op artikel 22 van EEG-Verordening

1408/71 niet kan slagen wegens het ontbreken van spoedeisendheid van de behandelingen.

In hoger beroep is namens OZ, desgevraagd medegedeeld dat het arrest van het Hof

van Justitie der Europese Gemeenschappen van 28 april 1998 in de zaak C-158/96,

Kohll tegen de Union des caisses de maladie, (hierna: het arrest Kohll) niet van

toepassing is op de Nederlandse situatie en dat er geen reden is aan te nemen dat

de bepalingen van de Zfw vallen onder de artikelen 59 e.v. (thans 49 e.v.) van het

EG-verdrag. Voor zover de toestemmingseis van artikel 9, vierde lid, van de Zfw wel

een belemmering van het vrij verrichten van diensten vormt, dan bestaan daarvoor

volgens OZ toereikende rechtvaardigingsgronden verband houdend met de

volksgezondheid en het algemeen belang.

b. zaak 97/10642.

Namens appellante 2 (hierna te noemen: C) heeft haar huisarts op 5 april 1993 aan

de medisch adviseur van gedaagde 2 (hierna te noemen: ZAO) verzocht haar toestemming

te verlenen om voor rekening van ZAO in België een arthroscopie te laten

verrichten, omdat zo´n ingreep aldaar op veel kortere termijn dan in Nederland zou

kunnen geschieden. ZAO heeft bij brieven van 24 juni 1993 en 5 juli 1993 afwijzend

op dit verzoek beslist, omdat deze behandeling ook in Nederland kan worden verkregen.

C had voordien, in mei 1993, al de arthroscopie en een ulnaverkorting laten

verrichten door Prof. dr J. Verstreken te Deurne (België). ZAO heeft vervolgens

geweigerd de kosten van deze ingrepen tot een totaal bedrag ad Bfrs 93.792,- te vergoeden.

De commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft naar aanleiding van de

bezwaren van C op 23 september 1994 medegedeeld, dat zij de weigering van ZAO de

kosten van voornoemde behandelingen aan C te vergoeden juist acht. Daartoe is

overwogen dat de benodigde medische hulp in Nederland op reguliere wijze

beschikbaar is en geen sprake was van spoedeisende behandelingen als bedoeld in

artikel 22 van EEG-Verordening 1408/71 en de behandelingen in België voor de

geneeskundige verzorging van C niet nodig waren.

De rechtbank heeft het beroep van C ongegrond verklaard, overwegende dat er gelet

op de klachten van C geen sprake was van een medische noodzaak zich in België te

laten behandelen. In hoger beroep heeft C onder meer een beroep gedaan op het EG-recht.

II. OVERWEGINGEN

a. Het Nederlandse stelsel.

Het Nederlandse stelsel van de verplichte ziektekostenverzekering, zoals neergelegd

in de Zfw, draagt het karakter van een naturaverzekering. Verzekerden hebben geen

aanspraak op vergoeding van gemaakte ziektekosten, maar op verstrekkingen in

natura. Krachtens het bepaalde in artikel 8 van de Zfw dragen de ziekenfondsen er

zorg voor dat de aanspraken van verzekerden op verstrekkingen tot gelding kunnen

komen. Bij Koninklijk Besluit van 4 januari 1966 (Stb. 1966, 3), zoals nadien

gewijzigd, (nader te noemen: het Verstrekkingenbesluit) is de aanspraak op en de

omvang van verstrekkingen per soort hulp nader geregeld.

Ten einde de verstrekkingen in natura aan verzekerden te kunnen bieden dienen

ziekenfondsen ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Zfw, met inachtneming van

het bepaalde in artikel 8, overeenkomsten te sluiten met personen en instellingen

die één of meer vormen van hulp als bedoeld in het Verstrekkingenbesluit kunnen

verlenen. Met betrekking tot het sluiten van bedoelde overeenkomsten en de

toelating van instellingen zijn nadere regels gesteld in de Zfw.

Voorts is in artikel 9 van de Zfw bepaald, dat de verzekerde die zijn aanspraak op

een verstrekking geldend wil maken zich daartoe tot een persoon of instelling moet

wenden met wie of met welke het ziekenfonds tot dat doel een overeenkomst heeft

gesloten, waarbij de verzekerde de keuze wordt gelaten uit bedoelde personen of

instellingen. Krachtens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel kan het

ziekenfonds in afwijking van de hiervoor weergegeven bepalingen:

"aan een verzekerde toestemming verlenen zich voor het geldend maken van van

zijn recht op een verstrekking te wenden tot een andere persoon of

instelling in Nederland, indien zulks voor zijn geneeskundige verzorging

nodig is. Onze Minister kan bepalen in welke gevallen en onder welke

voorwaarden aan een verzekerde ook toestemming kan worden verleend zich voor

het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een

persoon of inrichting buiten Nederland.".

Laatstgenoemde, aan de Minister gegeven, bevoegdheid is nader uitgewerkt in de

Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni 1988 (Stcrt.

1988, nr. 123). Artikel 1 van die regeling luidt aldus:

"Als gevallen, waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan

verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te

wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland, worden aangewezen de

gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld dat zulks voor de

geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig is.".

Voor verdere details over het Nederlandse stelsel van verplichte

ziektekostenverzekeringen verwijst de Raad naar hetgeen de Arrondissementsrechtbank

te Roermond heeft overwogen onder II.1 in haar op 28 april 1999 gedateerde

vraagstelling aan het Hof van Justitie in de zaken geregistreerd onder nummer C-157/99.

b. Toetsing naar nationaal recht.

In deze procedures staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de

weigeringen van OZ en ZAO de kosten van de medische behandelingen, welke A en C in

respectievelijk Duitsland en België hebben laten verrichten, te vergoeden, in

rechte stand kunnen houden.

De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de behandelingen van C niet in geschil is

dat die alle dan wel grotendeels verstrekkingen zijn als genoemd in het

Verstrekkingenbesluit, terwijl zulks van een - beperkt - deel van de behandelingen

van A vaststaat. De niet in het Verstrekkingenbesluit genoemde behandelingen van

A kunnen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts is tussen

partijen niet in geschil dat appellanten de betreffende medische behandelingen

buiten Nederland hebben laten verrichten terwijl zij geen toestemming daartoe

hadden verkregen van gedaagden.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad dient de verzekerde deze toestemming voor

de aanvang van de behandeling aan het ziekenfonds te hebben verzocht en verkregen.

Een door een ziekenfondsverzekerde zonder toestemming ondergane medische

behandeling in het buitenland kan derhalve niet voor vergoeding in aanmerking

komen, tenzij sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het

ziekenfonds niet zonder in strijd te komen met enig rechtsbeginsel en/of enig

algemeen beginsel van behoorlijk bestuur toestemming alsnog zou kunnen weigeren

(RSV 1996/79). Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de Raad in beide

procedures niet gebleken, nu A zich kennelijk welbewust tijdens een vakantie in

Duitsland aldaar onder behandeling van een tandarts heeft gesteld, aangezien zij

ontevreden was over de behandelingen door Nederlandse tandartsen, en C de

beslissing op haar verzoek om toestemming niet heeft afgewacht en niet is gebleken

dat zij op medische of andere gronden een beslissing op dat verzoek redelijkerwijs

niet had kunnen afwachten.

Voorts merkt de Raad nog op dat ook indien appellanten tijdig een verzoek als

hiervoor bedoeld hadden ingediend, dan wel het antwoord erop hadden afgewacht, niet

aannemelijk is te achten dat die toestemming zou zijn verleend nu, zoals gedaagden

gemotiveerd hebben aangevoerd, niet is gebleken dat hun behandelingen in het

buitenland nodig waren. De behandelingen, voor zover aan te merken als

verstrekking, konden immers ook in Nederland verricht worden. Voorts is ten aanzien

van A niet gebleken van een medische noodzaak voor de behandelingen in Duitsland,

aangezien een gebrek aan vertrouwen in Nederlandse tandartsen daartoe in het

algemeen onvoldoende is, terwijl ten aanzien van de voor C in Nederland geldende

wachttijd voor de arthroscopie niet kan worden gezegd dat die onaanvaardbaar lang was.

c. Toetsing aan EG-Verordening 1408/71

Voorts kunnen appellanten geen aanspraak maken op vergoeding van de behandelingen

op grond van het bepaalde in artikel 22 van Verordening 1408/71. De Raad is

namelijk met de rechtbank van oordeel dat gelet op de uitvoerigheid van de in

Duitsland verrichte tandheelkundige behandelingen, die zich over een periode van

enige weken hebben uitgestrekt, en gelet op het door haar gegeven motief daarvoor

niet gezegd kan worden dat de toestand van A het noodzakelijk maakte dat

onmiddellijk prestaties werden geleverd gedurende het verblijf op het grondgebied

van een andere lidstaat als bedoeld in het eerste lid, onder a, van artikel 22 van

de Verordening. Voorts heeft C, zoals hiervoor reeds overwogen, geen toestemming

ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven ten einde

aldaar een voor haar gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan als

bedoeld in het eerste lid, onder c, van artikel 22 van de Verordening, terwijl

voorts niet is gebleken dat de behandeling in Nederland niet binnen de termijn die

daarvoor gewoonlijk nodig is kon worden gegeven, in welk geval die toestemming

blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie niet mag worden geweigerd.

d. Toetsing aan de artikel 59 en 60 (thans 49 en 50) van het EG-Verdrag

De Raad ziet zich ten slotte gesteld voor de vraag of de bestreden besluiten in

strijd zijn te achten met het bepaalde in de artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50)

van het EG-Verdrag.

In het arrest Kohll heeft het Hof van Justitie overwogen dat de bijzondere aard van

bepaalde dienstverrichtingen deze niet kan onttrekken aan het grondbeginsel van

vrij verkeer. Hieruit volgt dat ook op nationale sociale zekerheidsstelsels de

artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50) van het EG-Verdrag van toepassing kunnen zijn.

Voorts heeft het Hof van Justitie in dat arrest een orthodontische behandeling

aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 60 (thans: 50) van het EG-Verdrag.

De Raad neemt aan dat de medische behandelingen van A en C, te weten: een

extra-murale tandheelkundige behandeling en een deels extra- en deels intra-murale

orthopaedische behandeling, ook als diensten in de zin van voornoemd artikel

aangemerkt moeten worden.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (onder meer blijkend uit

rechtsoverweging 33 van het arrest Kohll) verzet artikel 59 (thans: 49) van het

EG-Verdrag zich tegen iedere nationale regeling die ertoe leidt, dat het verrichten

van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten

binnen één lidstaat. De hiervoor beschreven bepalingen in en krachtens de Zfw

beletten op zichzelf verzekerden niet zich tot een in een andere lidstaat

gevestigde dienstverlener te wenden, maar stellen dit afhankelijk van de vraag of

het ziekenfonds waar de verzekerde bij is aangesloten een contract heeft gesloten

met die dienstverlener, hetgeen doorgaans niet het geval is; zo neen, dan wordt de

vergoeding van de in een andere lidstaat gemaakte kosten afhankelijk gesteld van

een vooraf verleende toestemming.

De Raad ziet zich, gelet op rechtsoverweging 35 van het arrest Kohll, primair

gesteld voor de vraag of deze regeling sociaal verzekerden afschrikt om zich tot

medische hulpverleners in een andere lidstaat te wenden en aldus het vrije verkeer

van diensten tussen medische hulpverleners en patiënten binnen de gemeenschap belemmert.

De Raad stelt voorop dat de keuze van de Nederlandse overheid voor een zogenaamd

naturastelsel, met daaraan gekop-peld een contractenstelsel, past binnen de ruimte

die een lidstaat toekomt bij de inrichting van zijn stelsel van sociale

ziektekostenverzekering. Voorts is het inherent aan een contractenstelsel dat

ziekenfondsen voornamelijk met personen en instellingen werkzaam of gevestigd in

de regio´s waarin het ziekenfonds is gevestigd contracten zullen sluiten. Het staat

de ziekenfondsen vrij om met zorgverleners in andere lidstaten contracten te

sluiten hetgeen, zij het op zeer beperkte schaal, ook wel gebeurt. Verder leidt het

contractenstelsel ertoe dat een verzekerde zich slechts met toestemming van het

ziekenfonds kan wenden tot een medische hulpverlener - in Nederland - met wie het

ziekenfonds geen contract heeft afgesloten. Deze eis geldt op vrijwel dezelfde

wijze voor buiten Nederland gevestigde hulpverleners, zodat geen sprake lijkt te

zijn van een andere behandeling van buitenlandse medische hulpverleners ten

opzichte van Nederlandse hulpverleners.

Daar staat echter tegenover dat ziekenfondsen op grond van de hiervoor genoemde

regelingen slechts wanneer zulks "voor de geneeskundige verzorging nodig is"

toestemming kunnen verlenen voor medische hulp door een niet gecontracteerde

Nederlandse of buitenlandse hulpverlener, hetgeen doorgaans eerst geschiedt indien

door gecontracteerde zorgverleners geen of onvoldoende adequate hulp kan worden

geboden. Deze uitwerking van het toestemmingsvereiste wijst derhalve op voorrang

van gecontracteerde - en dus vrijwel steeds Nederlandse - medische hulpverleners

boven zorgverleners in andere lidstaten. Daar komt nog bij dat de

bestuursrechtelijke bevoegdheden van de Nederlandse overheid zich niet uitstrekken

tot zorgaanbieders in andere landen, hetgeen een belemmering kan vormen bij het

sluiten van contracten met deze zorgaanbieders.

De Raad ziet derhalve aanleiding ten aanzien van dit punt een vraag voor te leggen

aan het Hof van Justitie.

Indien aangenomen zou moeten worden dat het toestemmingsvereiste van artikel 9,

vierde lid, van de Zfw het vrij verkeer van diensten belemmert, dan dient de Raad

nog te beoordelen of voor dat vereiste toereikende rechtvaardigingsgronden bestaan.

In het arrest Kohll heeft het Hof van Justitie aangegeven dat een ernstige

aantasting van het financiële evenwicht van het nationale sociale zekerheidsstelsel

een dwingende reden van algemeen belang kan vormen, waardoor een belemmering van

het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd kan

zijn. Zodanige rechtvaardigingsgrond kan evenzeer gevonden worden in het bepaalde

in artikel 56 (thans: 46) van het EG-Verdrag, dat lidstaten toestaat de vrije

dienstverrichting van artsen en ziekenhuizen te beperken, voor zover de

instandhouding van een verzorgingsmogelijkheid of medische deskundigheid op het

nationale grondgebied essentieel is voor de gezondheid of zelfs het overleven van

de bevolking. Voor het welslagen van een beroep op deze rechtvaardigingsgrond dient

wel te worden aangetoond dat de omstreden nationale regeling noodzakelijk is om een

evenwichtige en voor een ieder toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen

te verzekeren.

In dit verband is naar het oordeel van de Raad voor beide procedures van belang of

in het voortbestaan van het Nederlandse naturastelsel, op grond waarvan ook binnen

Nederland een toestemmingsvereiste wordt gesteld voor medische hulp te verrichten

door een niet gecontracteerde hulpverlener, een voldoende rechtvaardiging voor deze

schending is gelegen. Daarbij is van belang dat het naturastelsel enerzijds beoogt

de kwaliteit van de zorg en de gelijkwaardigheid van de verstrekkingen voor

verzekerden te waarborgen en anderzijds beoogt de kosten te beheersen. Gedaagden

stellen in dit verband dat niet alleen het belang van de volksgezondheid maar ook

het financiële evenwicht van het stelsel ernstig wordt aangetast als het

toestemmingsvereiste niet gehandhaafd zou mogen worden. Voor zover geen voldoende

rechtvaardiging aangenomen kan worden is de vraag aan de orde of het Nederlandse

naturastelsel gehandhaafd kan worden door middel van aanvullende regelingen voor

verzekerden die zich elders binnen de gemeenschap voor medische behandelingen

wensen te wenden tot een zorgverlener.

Voorts is ten aanzien van de zaak van C van belang of het feit dat de behandeling

van C in ieder geval ten dele ook betrekking had op intra-murale medische

behandeling een beperking van het vrij verkeer van diensten door middel van een

toestemmingsvereiste rechtvaardigt en zo ja, of die rechtvaardiging dan van

toepassing is op de volledige behandeling of alleen op het intra-murale deel ervan.

De Raad wijst er in dit verband op dat Nederland middels de Wet Ziekenhuisvoorzieningen

de planning en spreiding van medische voorzieningen reguleert met het oog op

kostenbeheersing. In de Zfw wordt de vergoeding van bepaalde vormen van (intra-murale)

medische zorg beperkt tot zorg die is verleend door een ziekenhuis dat op grond van

laatstgenoemde wet is toegelaten, welke beperking is ingegeven door overwegingen van

budget- en capaciteitsbeheersing. Het toestemmingsvereiste is volgens gedaagden voor

deze voorzieningen een belangrijk instrument voor beheersing van het financiële

evenwicht van het Nederlandse stelsel.

Op grond van het vorenstaande beslist de Raad de navolgende vraagstelling aan het

Hof van Justitie voor te leggen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van

prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 van het EG-verdrag antwoord te

geven op de volgende vragen:

1. Moeten de artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50) van het EG-verdrag aldus

uitgelegd worden dat daarmee in beginsel onverenigbaar is een bepaling als artikel

9, vierde lid, van de Zfw, juncto artikel 1 van de Regeling hulp in het buitenland

ziekenfondsverzekering, voor zover daarin is bepaald dat een ziekenfondsverzekerde

van het ziekenfonds voorafgaande toestemming nodig heeft om zich te mogen wenden

tot een persoon of inrichting buiten Nederland voor het geldend maken van zijn

recht op verstrekkingen?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vormen de hiervoor op blz.

8 en 9 genoemde doelstellingen van het Nederlandse naturastelsel dan een dwingende

reden van algemeen belang waardoor een belemmering van het fundamentele beginsel

van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd kan zijn.

3. Is het voor de beantwoording van deze vragen nog van belang of de behandeling

geheel of ten dele betrekking heeft op intra-murale medische zorg?

- houdt in verband met de toepassing van artikel 234 EG-verdrag de verdere

behandeling van de gedingen aan totdat het Hof van Justitie arrest zal hebben gewezen.

Aldus gegeven op 6 oktober 1999 door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P.

Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

IS