Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-1999
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
98/2255 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 1999-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1999, 409
RSV 1999, 287

Uitspraak

98/2255 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A. te B.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen

van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen onder dagtekening 18

februari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, een verweerschrift

ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 1999, waar

appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.J. van Ogtrop, werkzaam

bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde is op 4 maart 1996 op staande voet ontslagen uit haar werk als

technisch administratief medewerkster, welk ontslag zij heeft aangevochten. De

arbeidsovereenkomst is uiteindelijk door de kantonrechter per 1 juli 1996 ontbonden.

Bij besluit van 28 augustus 1996 is aan gedaagde met ingang van 1 juli 1996

een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend.

Vervolgens is bij besluit van 12 september 1996 op deze uitkering een sanctie toegepast

van 20% gedurende een periode van 16 weken op grond van verwijtbare werkloosheid.

Gedaagde heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend waarbij zij

onder meer heeft doen verzoeken om haar in het geval van gegrondverklaring van

het bezwaar een bedrag toe te kennen terzake van de kosten van rechtsbijstand.

Bij besluit van 6 februari 1997 zijn de bezwaren van gedaagde gegrond

verklaard. Hierbij is overwogen dat de mate van verwijtbaarheid van het

ontslag niet duidelijk meer is vast te stellen en dat aan gedaagde het

voordeel van de twijfel wordt gegund, hetgeen betekent dat de sanctie in het

door gedaagde bestreden besluit van 12 september 1996 komt te vervallen.

Gedaagde heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Op het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het besluit van 12

september 1996 geleden schade bestaande uit de kosten van de in de bezwaarfase

verleende rechtsbijstand, is bij primair besluit van 7 februari 1997 een

beslissing genomen. Bij dit besluit is het verzoek om vergoeding van die

kosten afgewezen.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 16 april

1997 ongegrond verklaard. Appellant heeft hierbij onder meer verwezen naar de

uitspraken van de Raad van 24 januari 1995, JB 1995/47, 18 juni 1996,

AB 1997/97 en 24 oktober 1996, TAR 1997/19.

Gedaagde heeft tegen het besluit van 16 april 1997 beroep bij de rechtbank

doen instellen. Naar de opvatting van gedaagde is haar verzoek om vergoeding

van de kosten van rechtsbijstand ten onrechte afgewezen.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant

ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte

kosten van rechtsbijstand ten onrechte bij afzonderlijk, nieuw primair besluit

een beslissing heeft genomen en niet in het kader van de beslissing op het

bezwaar tegen het besluit van 12 september 1996.

De rechtbank acht het in overeenstemming met de strekking van artikel 8:73 van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat, wanneer in het kader van de

bezwaarprocedure aan het bestuursorgaan een verzoek wordt gedaan om vergoeding

van door het primaire besluit veroorzaakte schade, het bestuursorgaan daarop

in het kader van het besluit op bezwaar een beslissing neemt. Door van het

bestuursorgaan te verlangen dat naar aanleiding van door het primaire besluit

veroorzaakte schade bij het besluit op bezwaar wordt beslist, kan naar het

oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke versnelling van de procedure worden

bereikt. Het bezwaarschrift had daarom naar de opvatting van de rechtbank

dienen te worden aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 6

februari 1997 dat op de voet van artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank had

moeten worden doorgezonden. Het besluit van 16 april 1997 dient om die reden

te worden vernietigd.

De rechtbank heeft voorts het besluit van 6 februari 1996 gedeeltelijk

vernietigd omdat dit besluit in de opvatting van de rechtbank geen adequate

reactie is op hetgeen namens gedaagde in bezwaar ter zake van de vergoeding

van de kosten van rechtsbijstand is aangevoerd.

Vervolgens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien, waarbij de rechtbank

het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase

heeft afgewezen. Tenslotte is appellant veroordeeld tot betaling van

griffierecht en proceskosten van gedaagde in de beroepsprocedure.

Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank zich ten onrechte op het

standpunt heeft gesteld dat appellant gehouden is om op een in een lopende

bezwaarprocedure gedaan verzoek tot betaling van kosten van rechtsbijstand in

het besluit op bezwaar een beslissing te nemen.

De Raad overweegt het volgende.

In lijn met 's Raads uitspraak van 7 oktober 1997, JB 1997/256 wordt overwogen

dat gedaagde niet verplicht was om in het besluit op bezwaar van 6 februari

1997 tevens te beslissen omtrent het verzoek om vergoeding van de kosten van

rechtsbijstand in de bezwaarfase. De Raad acht hierbij van belang het voorwerp

van bezwaar, te weten de op de werkloosheidsuitkering van gedaagde toegepaste

sanctie. Gelet op de systematiek van de Awb heeft gedaagde het daarnaast in

het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 september 1996 opgenomen verzoek

om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand kunnen opvatten als een verzoek

terzake een nieuw, primair besluit te nemen.

Uit de opvatting van de Raad dat een bestuursorgaan niet gehouden is bij het

besluit op bezwaar omtrent evenbedoeld verzoek een besluit te nemen, vloeit

logischerwijze voort dat een bestuursorgaan in voorkomende gevallen om

proceseconomische redenen bij het besluit op bezwaar hieromtrent een

beslissing kan nemen, tegen welke beslissing dan rechtstreeks beroep op de

rechtbank openstaat.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het besluit van 16 april 1997

alsmede het besluit van 6 februari 1997, voorzover hierbij niet is beslist op

het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase,

ten onrechte heeft vernietigd.

Ter beoordeling ligt, gegeven het inleidende beroep, thans nog voor of

gedaagde bij het besluit van 16 april 1997 terecht het bezwaar tegen het

primair besluit van 7 februari 1997, inhoudende een afwijzing van het verzoek

om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand,

ongegrond heeft verklaard.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij verwijst hiervoor naar

hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak omtrent het verzoek van

gedaagde heeft overwogen.

Ook de Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden

gesproken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in zijn uitspraak van

onder meer 27 mei 1997, AB 1997/327, op grond waarvan de kosten van

rechtsbijstand in bezwaar niet voor rekening van gedaagde zouden kunnen

blijven.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het

bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en

mr Th.C. van Sloten als leden in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 1999.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

JdB

0608